Virginie Loveling

Het liedje mijner kindschheid 1854

Wat in de kinderjaren
Het harte boeit en tooit,
Blijft eeuwig in 't geheugen,
En men vergeet het nooit.

Als men 't eenvoudig liedje
Van mijne kindsheid zingt,
Dan denk ik aan de liefde,
Waarmede ik was omringd.

Dan denk ik aan de stemme,
Die 't liedjen klagend zong,
Wanneer de zonne daalde,
Wanneer het maantje blonk;

Wanneer de sterren schenen,
Wanneer de zwaluw zweeg,
En alles op den buiten
In zachte sluimring zeeg.

Het lied weêrklonk zoo troostend
In halve duisternis,
Gelijk de zucht van 't windjen
In 't hangend waterlisch.

Het wiegde 't hart in ruste,
Gelijk het zoet gezang
Van 't klokjen in de verte
Bij zonnenondergang.

O, zachte en stille tonen!
Gij hebt mij vaak ontroerd,
En in vervlogen dagen
van heil terug gevoerd.

O, oud, eentonig liedje,
Hoor ik u thans niet meer,
Toch klinkt gij in mijn harte,
Zoo helder als weleer. -