Virginie Loveling

's Morgens vroeg

Zij stiet de vensterluiken open:
Een winterdag, een grauwe mist.
Daar komen rasse stappen nader:
't Zijn vier soldaten met een kist.

Wie dragen zij zoo vroeg ten grave?
Een vreemde knaap, een jong soldaat.
De markt is leeg en toe de huizen,
En niemand, die er achter gaat.

Zoo ver van huis alleen gestorven
In 't gasthuis eener vreemde stad,
En onbeweend naar 't graf gedragen,
Terwijl men ginds zoo lief hem had!