Virginie Loveling

In de Hope van Vrede Uit: Novellen. Tweede Druk. Gent, Algemeene Boekhandel van Ad. Hoste, 1887

1e gedeelte

Daar woonde bazin Sertouw met hare stiefdochter. Zij was weduwe. Haar eigenlijke naam was Duchâteau; maar de buitenlieden konden dat niet goed uitspreken. Het huis stond op de plaats van een klein dorp, nevens de pastorij met de groene poort, het kijkgat en de hooge bel. Aan de herberg van bazin Sertouw waren twee ingangen, met eenen tred in, nevenseen: de eene voor den kruidenierswinkel, eene kleine plaats met bloempapier en gekruiste pijpen voor het venster, met blauwgeverfde tonnekens en aardewerk op de borden, en met eenen grooten koffiemolen op den smallen toog. De andere ingang met een portaal geleidde naar de herberg. Dat was eene lange, lage zaal vol lompe, bruine stoelen, eene geschilderde schenktafel met blinkende, geblutste liters, kleine glazen en eenen overhellenden spiegel.

Daar zat de weduwe gewoonlijk aan een venster te naaien of te stoppen nevens haar stiefdochterken. Het was eene groote, stille, trage vrouw met vriendelijk gelaat en welwillende woorden. Haar aangetrouwd dochterken was gebrekkelijk: een braaf, godvrezend meisje, dat in de congregatie was en de kleintjes in den ommegang gadesloeg. Zij was nog al rijk van hare ouders en sprak nu en dan eens van in een klooster of veelmeer in een gesticht te gaan met haar geld, omdat zij niet gaarne in eene herberg woonde; maar het bleef bij het zeggen.

Het was ook zulk eene vreedzame herberg, waar zelden iemand kwam, tenzij den zondag morgen, vóór of na de mis, en dan waren het nog meest gezette, bejaarde lieden; des zondags namiddags zat gansch de zaal vol, en men zag schier niet door den tabakrook, en kon elkander moeielijk verstaan van al het gerucht daarbinnen. De boeren zaten meest met de kaart of de dobbelsteenen te spelen. Nooit was er twist; want op het dorp waren het brave inwoners. De bazin kwam langzaam aangestapt, als iemand met eenen tinnen liter of een pintglas op het tafelbord sloeg en he la! of herberg! riep. Zij hield niet veel van kouten, zeiden de buitenlieden, maar was verstandiger dan zij er uitzag en niet baatzuchtig.

Een raamken met een groot oog en God ziet mij, daaronder, en een ander, waarop te lezen stond Hier vloekt men niet hingen aan den wand.

Zoo was de herberg van bazin Sertouw.

 

>