Virginie Loveling

2e gedeelte (In de Hope van vrede)

In dien drogen zomer, als bijna niemand geen water meer had, bleef de pomp in De Hope van Vrede nog altijd goed. "Komt maar," zei de weduwe aan iedereen, "zoolang ik water heb, zal er u geen ontbreken."

En dit deed men: gansche dagen kwamen meisjes of vrouwen of jongens met emmers en kannen naar de pomp, en riepen aan den ingang van het portaal: "Is er geen belet?" maar er was nooit belet bij de goedjonstige weduwe.

In de pastorij nevens de herberg begon de pomp ook al te klokken, had Toria gezeid, en zij had Lievijn, den knecht, met eene kruik om water gezonden; want mijnheer de Pastoor dronk nooit anders dan water over tafel, en het was zulk schoon, koud, helder water, juist als kristal, bij bazin Sertouw.

Lievijn, de knecht van mijnheer den pastoor, woonde daar nog niet lang. Het was een kleine jonkman van zekeren leeftijd, met een bruin pruikje, gespraakzaam en opgeruimd. Het was jammer dat Toria hem zoo slecht kon verdragen; hij was nochtans gedienstig jegens haar, en ware het niet geweest voor mijnheer den pastoor, die zoodanig braaf was, hij zou daar niet gebleven zijn, zeide hij aan de bazin; want hij moest niet dienen, het was zijn vrije wil. Hij had den naam, dat hij geld bezat.