Virginie Loveling

3e gedeelte (In de Hope van vrede)

Het was in het begin van den winter. Lieven kwam nog alle dagen met zijne kruik; want mijnheer de Pastoor was nu zoozeer aan dien smaak gewoon, dat hij geen ander water meer drinken wilde.

Lievijn praatte soms wat in het achterhuis met Clemansken, de stiefdochter, of liefst nog met de bazin. Hij klaagde over Toria, dat hij niets had te zeggen, en geen gezag had, en dat mijnheer de Pastoor er soms moest tusschenkomen, als het te ver ging. Hij vertelde ook, dat Toria bijwijlen eenen geheelen avond pruilde, als hij met haar in de keuken zat. Dat moest heel vervelend zijn voor hem, hij die zoo gespraakzaam was.

"Kunt gij met de kaart niet spelen?" vroeg de trage bazin hem eens.

- "Ja wel," antwoordde Lievijn, "en gaarne doe ik het."

"Ik ook, en Clemansken ook," sprak de weduwe. "Gij moest soms des avonds eens komen: wij zouden een boomken jassen."

- "Ja maar, de vierde man?" vroeg Liewijn.

"Wel," zei de bazin, "wij zullen met den blinde spelen."

En hij kwam en zij speelden met den blinde.

Mijnheer de Pastoor had er niets tegen: het was een treffelijke herberg, en Toria had liever, dat hij daar tehuis niet altijd als een luiaard achter de stoof zat, zegde zij.

"Wij zouden iets moeten doen," zei Lievijn eens aan Clemansken en hare stiefmoeder, "wij zouden moeten in eenen pot spelen, en er dan samen een klein tractement mede houden, op Nieuwjaarsavond of op Driekoningenavond, bij manier van spreken," voegde hij er bij.

Zij vonden die gedachte goed. De bazin stond op, nam de lamp en haalde eenen steenen haan uit haren winkel: dat zou de spaarpot zijn, en van dien avond af werd al het verloren geld er in gestoken.

Lieven ging daar gaarne: het speet hem, als het zondag was en hij alsdan tehuis moest blijven. Clemansken was soms wel een weinig naarnemend, als hij iets zei om te lachen, maar niemand is volmaakt, en Lievijn was toegevend van aard en had medelijden met het gebrekkelijk meisje.

Dertienavond naderde. Zij waren overeengekomen wat zij met hun geld doen zouden, en vonden meer in den spaarpot dan zij gedacht hadden, als zij dien aan stukken sloegen. Lievijn sprak altijd van Driekoningenavond: als het leven eentonig is, kan een niets de gedachten innemen. Clemansken gaf eens, in hare goedheid, voor raad het geld in den offerblok te steken of aan den arme te geven om versterving te doen. Maar Lievijn wilde er volstrekt niets van hooren en de bazin ook niet.

"Wij zullen dat onder ons houden," sprak zij, "er moet niemand mede bemoeid zijn. Wij kunnen maken, Lievijn, dat gij om acht uur weder tehuis zijt, als naar gewoonte, opdat Toria het niet gewaar zou worden."

Dertienavond kwam en zij vierden Dertienavond.