Virginie Loveling

De oude zeeman Uit: Gedichten, 1870

Wanneer ik op de duinen stond,
Vóór vele -- vele jaren,
En ginds in zee een zeiltje zag,
De haven uitgevaren;
Dan kwam de lust naar verre reis
Mijn jeugdig hert bedriegen,
En 'k wenschte wel de meeuw te zijn
Om heen te mogen vliegen.

De zeeliên in den hoek van 't vuur,
Bij winteravondstonden,
Verhaalden van gevaar en storm
En wat zij al bestonden,
Van lange reis en zeldzaam oord
En vroolijk zeemansleven.
-- O reizen, reizen, verre gaan
En op de golven zweven!

Ik had de dagen opgeteld.
Thans was het uur verschenen.
Wat gaf mij eigen haard en huis?
De verte trok mij henen:
De verte met haar tooverlach,
En al het onbekende;
Hoe sloeg mijn hert van ongeduld,
Als 't schip zich zeewaarts wendde!

Maar als op 't dek ik eenzaam stond,
In verre zee gedreven,
En door den avondmist allengs
Den oever weg zag zweven,
Een vreemde treurnis kwam mij op,
Mijn oog zocht in de verte,
En 'k was verwonderd van den zucht,
Die opsteeg uit mijn herte.

Ik heb gereisd, ik heb gerust,
Gezocht en niet gevonden
't Geluk, in eigen stille streek,
Noch ginds op vreemde gronden.
Maar in de rust en in 't gewoel,
Toch is de tijd verloopen,
En heeft tot weemoed zacht gewiegd
Mijn wenschen en mijn hopen.

En 's avonds, als de regen plast
En holle winden tieren
En dat het schip mij morgen wacht,
Om weêr in zee te stieren,
Dan vat mijn hert een droef gevoel,
Ik kan het niet verdrijven,
Maar 'k wenschte wel een kind te zijn,
Om t'huis te mogen blijven!