Tempel en Kruis - H. Marsman


- I -

De man van wien ik dit verhaal vertel
keerde voor kort naar zijn geboorteland;
't wordt nu een jaar dat hij zijn intrek nam
boven het vredig makelaarskantoor
dat op den hoek tussen twee grachten ligt
aan 't plein dat als een zeester in het zand
zijn schachten uitzendt in de mijn der stad.
rechts ziet zijn raam het krimpende gelid
der smalle bruggen de verbinding slaan
naar feodale deuren -- een huizenrij
die met zijn kelders in het water staat --,
links raakt het scherend zoeklicht van zijn blik
den top der bomen die geworteld staan
in de verzakte werven van de gracht;
en als een lege krater ligt het plein
in het zieltogend duister uitgespreid
van 't helse neonlicht der dode stad.

De kamer waar hij werkt is als een cel.
geen schilderij, geen bloemen, geen portret.
niets dat verteedring of herinnering wekt
aan dood of liefde; de wanden naakt en licht,
de ruimte leeg, en in de ramen stijgt
het jong en blauw profiel der dageraad
waarin de sporen van den nacht vergaan.
een ijl vertrek, een absoluut wit nu,
door niets gevlekt dan door 't verweerd papier,
het palimpsest van het gemene leven,
dat hij ontraadslen moet en lezen als gedicht;
een stilte, vol van de insectenplaag
van zijn gedachten --

op het bureau een lamp,
het enig wezen dat hem gadeslaat
en dat hem bijlicht als de zee rondom
zo hol en donker naar den hemel gaat
dat hij den oever niet bereiken kan;
de lamp -- drie stangen draaiend om hun as
en iedre as doorwentelt een heelal --
de lamp, die knielen kan als een kameel
en rijst als een giraffe.

Naar deze rede zenden zon en maan
hun zwevend schip met dromen; zie, de jacht
der bliksemende vleugels in hun val
sneeuwen voorbij zijn raam; hij peinst en schrijft,
en langzaam vult zich het geduldig blad
met tekens die zijn hand bevreemd herkent
als letterbeelden uit een dood visioen;
en als 't papier doorschijnend wordt en zwart
van woorden uit een blinden onderlaag
van de moerassen der vergetelheid,
bezweert zijn schrift als een mystiek getal
het sterrenbeeld dat in zijn dromen hing
en dat nu, volgezogen van 't geheim
der noodlotsgronden, neergeslagen ligt
in 't blanke veld, dat langzaam blauw en goud
zich kleurt als 't byzantijns missaal
dat hij als jongen las: wéer klinkt de taal
der catacomben, ruisend als een bron.

Het oud gesternte gloeit, en in den nacht
leest hij het spijkerschrift van het heelal,
dat in de sterren stond van Babylon
en klinken zal wanneer de kinderstem
het dies irae zingt bij de Bazuin;
en diep in 't microscopisch onderzoek
van 't peilloos hart, hoort hij de nachtegaal
de vlammen uitslaan van het pinkstervuur
en in een vergezicht ziet hij den tuin
die aan het einde blinkt van het Verhaal;
want eenmaal zal het luiden van de schel
den klank verkrijgen van een nieuw metaal.

het wordt nu langzaam duister in de stad,
en opziend van het dichtbeschreven vel
draalt hij een oogwenk bij het avondraam,
vóor hij het grijs struweel der schemering
scheidt van het witte donker van zijn cel.

De toren slaat ...