Tempel en Kruis - H. Marsman


- IX -

Hij dwaalt niet meer.
zonder dat hij het wist
heeft een magneet zijn pas gericht
naar 't golvend bolwerk
waar het oude huis
op den beschoeiden heuvel ligt.
de singel vormt een lasso om 't plantsoen,
de morgen draalt onder den nacht der olmen,
de zwanen drijven slapend in de gracht.

hij loopt het huis rond
en betast den muur;
hier was zijn kamer --
hier lag zijn moeder in haar agonie;
boven dat hoge raam op 't bastion
voerde zijn vader elken sterrennacht
zijn kijkers van het strand der horizon
langs de woestijnen van het firmament.
hier was de rattenkelder wiens geluid
hem in den nacht deed huiveren van angst
en zijn gezicht versponsde tot een zwam,
voos van hetzelfde wrede vocht
dat aan de ruggen van zijn boekerij
't lepreuse aanzien van een landkaart gaf.
hier eindlijk lag de tuin,
kaal en verwaarloosd nu
die eenmaal om zijn jeugd
een labyrinth van koelte en schaduw was.

Eens bood die tuin hem een beschutte plek,
wanneer hij eenzaam in 't begroeid prieel
kon treuren om het trouweloze kind,
waarvoor hij in zijn dagboek verzen schreef.
waarom had hij de daad niet toch begaan,
waaraan hij overdag niet denken dorst,
doch die hij dromend elken nacht bedreef,
de wraak, de doodslag, honderdmaal beraamd,
maar steeds verschoven weer?
-- o wroeging om het ongewroken leed,
om 't bitter recht, door lafheid haar verleend,
hem met een koelen blik voorbij te gaan,
hooghartig schertsend met den louchen knaap
die eens zijn vriend en afgod was geweest,
en die hem haar na kort beraad had afgenomen,
omdat de roeping van den mens bestaat
uit het verraad van dromen.

Leeg is het graf der jeugd

Waarom dan kwam hij hier?
hij legt het voorhoofd aan den harden muur,
zijn wang rust aan het ruige wingerdblad.
maar dan,
alsof hij zich vergrepen had
aan 't dierbaarst deel van zijn herinnering,
hoort hij zijn moeders stem
die hem bezworen en gewaarschuwd had:
'keer nooit weerom,
zie naar uw jeugd niet om;
geen ding houdt stand dan in d'erinnering;
het beest dat in zijn langen winterslaap
een schuwe salamander lijkt,
spuwt bij het weerzien het venijn der slang.'
en opziend naar het raam
waar achter hij geslapen had
met 't eerste lijf dat in zijn handen viel,
maakt hij zich los van den bemosten muur.

Een afscheid dus?
een afscheid, en voorgoed.
'de mens moet verder gaan',
had zij gezegd,
'als het verleden trekt,
zoek dan een land,
dat niemand heeft begaan,
zoek naar den legen weg.'
'geen weg, geen pad,
had hij terug gezegd
of 'k zie er sporen staan
sinds mensenheugenis',
maar met een glimlach
wees zij op de maan
die alle sporen wist.

toen brak hij op
en liep het tuinpad af.
er vloeide vocht uit den verweerden muur,
en in 't voorbijgaan las hij op de deur
waar eens de naam zijns vaders had gestaan
een harden doden naam.

Tederheid, leg nu uw hoofd ...