Tempel en Kruis - H. Marsman


- XI -

De kamer is hoog en ruim.
langs de ramen stuift regen en wind.
in het halflicht herkent hij de tint
van het kandinskiaans schilderij
dat als bloed in de schemering hangt --
dan komt de stem van zijn vriend
die hij in jaren niet zag
hem snel en verheugd tegemoet;
deze geeft hem een hand en maakt licht,
en terwijl hij langzaam ontdooit
-- de kachel staat rood,
de kamer is blauw van de rook --
vallen drie jaren reis van hem af
als een laag europese sneeuw.

hij vertelt.
hij loopt ijsberend door het vertrek,
totdat hij glimlachend ziet
hoe de fles uit de kast wordt gehaald,
en bij jenever en kaas
herleeft het gesprek
-- over vrienden en verzen,
vrouwen en politiek --
alsof hij hem gistren verliet.

het wordt langzaam donker op straat.
door het raam is de naglans te zien
van de vismarkt die als een rivier
van woelend geschubd parelmoer
door de gloeiende herfstbloemen stroomt;
en als buiten de lichten aangaan
ziet hij zichzelf nog een oogwenk in Tetuan
op het vrijdagse marktplein staan,
en den khalief
tussen een rij van blinkende trompetten
de kleine moskee binnen gaan,
maar dan, met den rug naar den wand,
bladerend in een boek
met halfvergeelde portretten,
hoort hij plotsling een draaiorgel slaan --
en is weer terug in zijn land.

Na zulk een dag daalt in den nacht het vuur ...