XLVI

Geen dragender
doodlijker wonde
dan het knagend en
slepend besef
van een schuld,
een erflijke zonde,
bedreven voordat
wij bestonden
en waarmee ook
het vlees is besmet.
laat het lichaam
allengs weer herrijzen
in zijn trotsen
oorspronklijken staat
laat de zon ook
de huid weer genezen
van de angst
die de leden doorvaart
als het lijf,
met een lichaam
verwonden,
in vervoeringen
ondergaat.

slechts een blindlings
en donker verslaven
aan de koortsen
van het genot,
kan de ziel
-uit het duister ontslagen-
weer zuiver
doen ademhalen
in een hemel
van blauw en van goud.
als een ruisende
morgenvogel
doorkruist zij
het blinkend heelal
en daalt
-een geroofde genade,
op de vleugels
de sterren als dauw-
als een valk
naar de vleeslijke dalen
in de onschuld
van vóor het Berouw.

H. Marsman


Ingezonden door Yvonne vd Berg