HEERSCHER

Hij schreed
en ruimte was hem soepel kleed
aan 't koele lijf.

de gladde luchten spatten uit elkander
en roode sterren walmden àl hun wonder
in wankelenden nacht.

hij schreed
en ruimte brak aan zijn metalem tred
en lucht verkromp voor zijn doorzengden zucht.

leven was enkle vlokken violette geur.

hij at
en aarde trok haar gillende spiralen
door schrompelenden nacht:
hij had geproefd.

hij stond
atoom en kosmos beide,
en heerschend was in ertsen greep
over den werveldans der elementen
d'ivoren glimlach van den stillen knaap.
 

Bron: H. Marsman, Verzameld werk Deel 1: Poëzie. Amsterdam/Bilthoven, 1938.
Ingezonden door: IJme Woensdregt