Toen hij het zachte roepen had gehoord,
waarmee de dood hem aangeschoten had,
heeft hij de honden naar zich toe getroond,
zich kreunend neergelegd in 't zwarte gras,
fluisterend dat hij zich gewonnen gaf.
waarom werd hij toen niet terstond verscheurd?
waarom nog vijftig jaar lang voortgesleurd
langs wezenloze paden naar dat gat,
waarin 't karkas toch eenmaal wordt gekuild?
was 't niet genoeg wat hij de aarde gaf?
kon zelfs "Van Kind en God" nog niet geruild
tegen een hol in 't zand, een steen,
een tijdig graf?

Tot aan den rand,
tot ín den waanzin is hij voortgegaan.
wat deert het dan dat hij is opgebrand
voor hij volkomen rijpen kon tot man?
liever éen nacht als duizelende vlam
God in den Hemel het Gelaat geschroeid
en voortaan blind, verslagen, vleugellam,
dan dat men Dood en Leven ongemoeid
voorbij laat als een schuldloos lam.
hij heeft geleefd als een verterend vuur
en honderd harten zorgeloos verdaan
en honderd levens achteloos verbrand,
totdat er niets meer van hem overschoot
dan een gebroken, dof, verwezen man.

en arm het land, dat niet vergeven kan
de sombere weelde van dien ondergang,
de wilde glorie van dat morgenrood!


Ingezonden door Yvonne vd Berg