VERHEVENE

Eeuwen wentelden hun volheid samen:
zijn fundament;
nauw kon hun denkgedrocht omvamen
zijn schedeltent.

haren sloegen hun vlag langs den hemel:
bepantsering;
scherp was zijn lijf, geel en vermetel,
dat dansen ging.

maar hij, blonde boorling der zwellende jaren,
hij tartte nacht
en vlocht het ruige duister samen met zijn haren
tot veilige vacht.

zoo, schragend geleund in de nis der kimmen,
zuigende schacht,
zag hij ellende den hemel beklimmen:
zijn eerste wacht.
 

Bron: H. Marsman, Verzameld werk Deel 1: Poëzie. Amsterdam/Bilthoven, 1938.
Ingezonden door: IJme Woensdregt