Naar het vorige hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk.

Twaalfde hoofdstuk

`Beste Max,' zei Tine, `ons dessert is zo schraal. Zou je niet... je weet wel... Madame Geoffrin?'

`Nog wat vertellen, in plaats van gebak? Wat drommel, ik ben hees. De beurt is aan Verbrugge.'

`Ja, meneer Verbrugge! Lost u Max wat af,' verzocht mevrouw Havelaar.

Verbrugge bedacht zich even, en begon:

`Er was eens een man, die een kalkoen stal...'

`O, deugniet,' riep Havelaar, `dat heb je van Padang! En hoe is 't verder?' `'t Is uit. Wie kent het slot van die historie?'

`Wèl, ik! Ik heb hem opgegeten, samen met... iemand. Weet je waarom ik te Padang gesuspendeerd was?'

`Men zei dat er een deficit was in uw kas te Natal,' hernam Verbrugge. `Dit was niet geheel onwaar, doch waar was 't ook niet. Ik was te Natal door allerlei oorzaken heel slordig geweest in mijn geldelijke verantwoording, waarop inderdaad veel aanmerkingen te maken waren. Maar dit viel in die dagen zo dikwijls voor! De omstandigheden in de Noord van Sumatra waren kort na 't innemen van Baroes, Tapoes en Singkel z verward, alles was zo onrustig, dat men het een jongmens, die liever te paard zat dan dat hij geld telde of kasboeken bijhield, niet kwalijk nemen kon dat alles niet zo ordelijk en geregeld ging als men zou kunnen vorderen van een Amsterdamse boekhouder die niet anders te doen heeft. De Bataklanden waren in roering, en je weet, Verbrugge, hoe altijd alles wat in de Bataks gebeurt, terugwerkt op 't Natalse. Ik sliep 's nachts geheel gekleed om spoedig bij de hand te zijn, wat dan ook dikwijls nodig was. Daarbij heeft het gevaar -- enige tijd voor mijn komst was er een complot ontdekt, om mijn voorganger te vermoorden en opstand te maken -- het gevaar heeft iets aantrekkelijks, vooral wanneer men slechts tweentwintig jaren oud is. Dit aantrekkelijke maakt dan iemand wel eens ongeschikt voor bureauwerk of voor de stijve nauwkeurigheid die nodig is tot goed beheer van geldzaken. Bovendien, ik had allerlei gekheden in 't hoofd...'

`Traoessa,' riep mevrouw Havelaar een bediende toe. `Wàt hoeft niet?'

`Ik had gezegd nog iets gereed te maken in de keuken ... een omelet of zoiets.'

`Ah! En dat hoeft niet meer nu ik van mijn gekheden begin? Je bent ondeugend, Tine! 't Is mij wel, maar die heren hebben ook een stem. Verbrugge, wat kies je, je aandeel in de omelet of de historie?'

`Dat is een moeilijke positie voor een beleefd mens,' zei Verbrugge.

`En ook ik zou liever niet kiezen,' voegde Duclari er bij, `want het is hier te doen om een uitspraak tussen meneer en mevrouw, en: entre l'écorce et le bois, il ne faut pas mettre le doigt.'

`Ik zal u helpen, heren, de omelet is...'

`Mevrouw,' zei de zeer beleefde Duclari, `de omelet zal toch wel zoveel waard zijn als...'

`Als de historie? Zeker als ze wat waard was! Doch er is een bezwaar...'

`Ik wed dat er nog geen suiker in huis is,' riep Verbrugge. `Och, laat toch bij mij halen wat ge nodig hebt!'

`Suiker is er... van mevrouw Slotering. Nee, daaraan hapert het niet. Als de omelet overigens goed was, zou dat geen bezwaar zijn, maar...'

`Hoe dan, mevrouw, is ze in 't vuur gevallen?'

`Ik wou dat het waar was! Nee, ze kan niet in 't vuur vallen. Ze is...' `Maar, Tine,' riep Havelaar, `wat is ze dan toch?'

`Ze is imponderabel, Max, als je vrouwen te Arles... wezen moesten! Ik heb geen omelet ... ik heb niets meer!'

`Dan in 's hemelsnaam de historie!' zuchtte Duclari met koddige wanhoop.

`Maar koffie hebben we', riep Tine.

`Goed! Koffiedrinken in de voorgalerij, en laat ons mevrouw Slotering met de meisjes daarbij roepen,' zei Havelaar, waarop 't kleine gezelschap naar buiten toog.

`Ik gis dat ze bedanken zal, Max! Je weet dat ze ook liever niet met ons eet, en ik kan haar geen ongelijk geven.'

`Ze zal gehoord hebben dat ik histories vertel,' zei Havelaar, `en dat heeft haar afgeschrikt.'

`Welnee, Max, dat zou haar niet deren: ze verstaat geen Hollands. Nee, ze heeft mij gezegd dat ze haar eigen huishouding wil blijven voeren, en dit begrijp ik heel goed. Weet je nog hoe je mijn naam vertaald hebt?'

`E. H. V. W: eigen haard veel waard.'

`Daarom! Ze heeft groot gelijk. Bovendien, ze komt me wat mensenschuw voor. Verbeeld je dat zij alle vreemden die 't erf betreden, laat wegjagen door de oppassers...'

`Ik verzoek om de historie of de omelet,' zei Duclari.

`Ik ook!' riep Verbrugge. `Uitvluchten worden niet aangenomen. We hebben aanspraak op een volledig maal, en daarom eis ik de geschiedenis van de kalkoen.'

`Die heb ik je reeds gegeven,' zei Havelaar. `Ik had het beest gestolen van de generaal Vandamme, en heb 't opgegeten... met iemand.'

`Voor die ``iemand'' ten hemel voer,' zei Tine schalk.

`Nee, dat is tricheren,' riep Duclari. `We moeten weten waarom ge die kalkoen ... weggenomen hebt.'

`Wèl, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van de generaal Vandamme die me gesuspendeerd had.'

`Als ik er niet meer van te weten krijg, breng ik een volgende keer zelf een omelet mee,' klaagde Verbrugge.

`Geloof me, er stak niets meer achter dan d;agrave;t. Hij had zeer véél kalkoenen, en ik had niets. Men dreef die dieren voorbij mijn deur... ik nam er een, en zei tot de man die zich verbeeldde er op te passen: ``Zeg de generaal dat ik, Max Havelaar, deze kalkoen neem omdat ik eten wil.''`

`En dan dat epigram?'

`Heeft Verbrugge je daarvan gesproken?'

`Ja.'

`Dat had niets met de kalkoen uit te staan. Ik maakte dat ding omdat hij zoveel ambtenaren suspendeerde. Er waren er op Padang zeker zeven of acht die hij met meer of min rechtvaardigheid in hun ambten geschorst had, en velen onder hen verdienden 't veel minder dan ik. De assistent- resident van Padang zelf was gesuspendeerd, en wel om een reden die, naar ik geloof, een geheel andere was dan de in het besluit opgegevene. Ik wil u dat wel vertellen, schoon ik niet verzekeren kan dat ik alles juist weet, en alleen verzeg wat men in de Chinese kerk te Padang voor waar hield, en wat dan ook -- vooral met het oog op de bekende eigenschappen van de generaal -- waar kan geweest zijn.

Hij had, moet ge weten, zijn vrouw getrouwd om een weddenschap te winnen, en daarmee een anker wijn. Hij ging dus dikwijls 's avonds uit, om... overal rond te lopen. De surnumerair Valkenaar moet eens in een straatje nabij 't meisjesweeshuis zijn incognito zó stipt geëerbiedigd hebben, dat hij hem een pak slaag heeft gegeven evenals een gewone straatschender. Niet ver van daar woonde Miss X Er liep een gerucht dat die Miss 't leven zou gegeven hebben aan een kindje, dat ... verdwenen was. De assistent-resident was als hoofd der politie verplicht, en ook inderdaad van plan, zich met die zaak te bemoeien, en schijnt van dit voornemen iets gezegd te hebben op een whistpartij bij de generaal. Doch zie, de volgende dag ontvangt hij de last zich naar zekere Afdeling te begeven, welker gezagvoerende controleur wegens ware of veronderstelde oneerlijkheid geschorst was in zijn beheer, om in loco zekere zaken te onderzoeken en daarvan ``te dienen van bericht.'' Wel was de assistent- resident verwonderd dat hem iets werd opgedragen dat zijn Afdeling in 't geheel niet aanging, doch daar hij strikt genomen deze opdracht kon beschouwen als een vererende onderscheiding, en dewijl hij met de generaal op zeer vriendschappelijke voet stond zodat hij geen oorzaak had aan een valstrik te denken, berustte hij in deze zending, en begaf zich naar... ik wil vergeten hebben waarheen, om te doen wat hem bevolen was. Na enige tijd keert hij terug, en biedt een verslag aan dat niet ongunstig luidde voor die controleur. Doch ziet, er was gedurende die tijd op Padang door 't publiek -- dat is: door niemand en iedereen -- ontdekt dat die ambtenaar slechts gesuspendeerd was om een gelegenheid te scheppen de assistent-resident van de plaats te verwijderen, ten einde zijn voorgenomen onderzoek naar de verdwijning van dat kind te voorkomen, of althans te verschuiven tot een tijdstip dat die zaak moeilijker zou op te helderen zijn. Ik herhaal nu dat ik niet weet of dit waar was, doch naar de kennis die ik zelf later van de generaal Vandamme opdeed, komt deze lezing van 't geval mij geloofbaar voor. Op Padang was er niemand die hem niet -- wat het peil aangaat, waartoe zijn zedelijkheid was afgedaald -- tot zoiets in staat keurde. De meesten kenden hem slechts één goede hoedanigheid toe, die van onverschrokkenheid in 't gevaar, en indien ik, die hem in gevaar gezien heb, van mening ware dat hij après tout een dapper man was, zou dit alleen mij bewegen u deze geschiedenis niet te vertellen. 't Is waar, hij had op Sumatra veel laten ``sabreren'', doch wie sommige gebeurtenissen van nabij gezien had voelde neiging om wat af te dingen op zijn dapperheid, en, hoe vreemd het schijne, ik geloof dat hij zijn krijgsmansroem grotendeels te danken had aan de zucht tot tegenstelling, die ons allen min of meer bezielt. Men zegt gaarne: ``'t Is waar dat Peter of Paul dit, dit of dit is, maar... dàt is hij, dt moet men hem laten!'' En nooit kan men zo zeker zijn geprezen te worden, dan wanneer men een zeer in 't oog vallend gebrek heeft. Jij, Verbrugge, bent alle dagen dronken ...'

`Ik?' vroeg Verbrugge, die een voorbeeld was van matigheid.

`Ja, ik maak je nu dronken, alle dagen! Je vergeet je zòver, dat Duclari 's avonds in de galerij over je struikelt. Dit zal hij onaangenaam vinden, maar terstond zal hij zich herinneren iets goeds in je gezien te hebben dat hem toch vroeger niet in 't oog viel. En als ik dan kom, en ik vind je zo erg ... horizontaal, dan zal hij mij de hand op de arm leggen, en uitroepen: ``Och, geloof toch dat hij overigens zo'n beste brave knappe jongen is!''`

`Dat zeg ik toch van Verbrugge,' riep Duclari, `al is hij verticaal.''

`Niet met dat vuur en die overtuiging! Herinner je eens hoe dikwijls men hoort zeggen: ``O als die man op zijn zaken wilde passen, dàt zou iemand wezen! Maar...'' En dan volgt het betoog hoe hij niet op zijn zaken past en dus niemand is. Ik geloof hiervan de reden te weten. Ook van de doden verneemt men altijd goede hoedanigheden waarvan we vroeger niets bemerkten. De oorzaak zal wel zijn dat ze niemand in de weg staan. Alle mensen zijn min of meer mededingers. We zouden gaarne lk ander geheel en in alles onder ons plaatsen. Dit echter te uiten, verbiedt de goede toon en zelfs het eigenbelang, want zeer spoedig zou niemand ons geloven ook al beweerden wij iets waars. Er moet dus een omweg gezocht worden, en ziet hier hoe we dit doen. Als gij, Duclari, zegt: ``De luitenant Slobkous is een goed soldaat, waarachtig hij is een goed soldaat, ik kan je niet genoeg zeggen welk een goed soldaat de luitenant Slobkous is... maar een theoreticus is hij niet ...'' Heb je niet zo gezegd, Duclari?'

`Ik heb nooit een luitenant Slobkous gekend of gezien.'

`Goed, schep er dan een, en zeg dat van hem.'

`Wel, ik schep hem, en zeg het.'

`Weet je wat ge nu gezegd hebt? Je hebt gezegd dat jij, Duclari, à cheval bent op de theorie. Ik ben geen haar beter. Geloof me, we doen onrecht zo boos te worden op iemand die heel slecht is, want de goeden onder ons zijn 't slechte zo na! Laat eens de volmaaktheid nul heten, en honderd graden voor slecht gelden, hoe verkeerd doen we dan -- wij, die dobberen tussen acht- en negenennegentig! -- haro te roepen over iemand die op honderdenn staat! En nog geloof ik dat velen die honderdste graad slechts niet bereiken uit gemis aan goede eigenschappen, aan moed bijvoorbeeld om geheel te zijn wat men is.'

`Op hoeveel graden sta ik, Max?'

`Ik heb een loep nodig voor de onderdelen, Tine.'

2 `Ik reclameer,' riep Verbrugge -- `nee, mevrouw, niet tegen uw nabijheid aan de nul! -- nee, maar er zijn ambtenaren gesuspendeerd, er is een kind zoek, een generaal in staat van beschuldiging... ik vraag: la pièce!'

`Tine, zorg toch dat er een volgende keer wat in huis is! Nee, Verbrugge, je krijgt la pice niet, voor ik nog een beetje heb rondgereden op mijn stokpaardje over de tegenstellingen. Ik zei dat elk mens in zijn medemens een soort van concurrent ziet. Men mag niet altijd laken -- wat in 't oog vallen zou! -- daarom verheffen wij gaarne een goede eigenschap bovenmate, om de kwade hoedanigheid aan welker openbaring ons eigenlijk alleen gelegen is, te doen in het oog vallen, zonder de schijn op ons te laden van partijdigheid. Als iemand zich bij mij beklaagt omdat ik gezegd heb: ``Zijn dochter is zeer schoon, maar hij is een dief'', dan antwoord ik: ``Hoe kan je drover zo boos wezen! Ik heb immers gezegd dat je dochter een lief meisje is!'' Zie je, dat wint dubbel! Wij beiden zijn kruideniers, ik neem hem zijn klanten af, die geen rozijnen willen kopen bij een dief, en tegelijkertijd zegt men van mij dat ik een goed mens ben, omdat ik de dochter prijs van een concurrent.'

`Nee, zó erg is 't niet,' zei Duclari, `dàt is wat sterk!'

`Dit komt u nu zo voor, omdat ik de vergelijking wat kort en bruusk gemaakt heb. We moeten ons dat: ``Hij is een dief'' enigszins omzwachteld voorstellen. De strekking der gelijkenis blijft waar. Wanneer we genoodzaakt zijn iemand zekere eigenschappen toe te kennen die aanspraak geven op achting, eerbied of ontzag, dan doet het ons genoegen naast die eigenschappen iets te ontdekken, dat ons van de verschuldigde cijns voor een gedeelte of geheel ontslaat. ``Voor zulk een dichter zou men 't hoofd buigen, maar... hij slaat zijn vrouw!'' Ziet ge, dan gebruiken wij gaarne de blauwe plekken van die vrouw als voorwendsel om ons hoofd overeind te houden, en in 't eind doet het ons zelfs plezier dat hij 't mens slaat, wat toch anders heel lelijk is. Zodra wij erkennen moeten dat iemand hoedanigheden bezit die hem de eer van een voetstuk waardig maken, zodra we zijn aanspraken daarop niet langer kunnen loochenen zonder door te gaan voor onkundig, gevoelloos, of naijverig... dan zeggen we ten laatste: ``Goed, zet hem erop!'' Maar reeds onder dat opzetten, en als hij zelf nog meent dat we verrukt staan over zijn uitstekendheid, hebben we reeds de strik gelegd in de lasso die dienen moet om hem bij de eerste gunstige gelegenheid naar beneden te halen. Hoe meer mutatie onder de Inhabers der voetstukken, hoe groter de kans voor anderen om k eens aan de beurt te komen, en dit is z waar dat wij uit gewoonte, en tot oefening -- evenals een jager die op kraaien schiet, welke hij toch liggen laat -- ook die standbeelden gaarne neerhalen, welker piedestal nooit door ons kan bestegen worden. Kappelman die zich voedt met zuurkool en scharrebier, zoekt verheffing in de klacht: ``Alexander ws niet groot ... hij was onmatig'', zonder dat er voor Kappelman de minste kans bestaat ooit met Alexander te concurreren in wereldverovering.

Hoe dit zij, ik ben zeker dat velen nooit op 't denkbeeld zouden gekomen zijn, de generaal Vandamme voor zo dapper te houden, als zijn dapperheid niet had kunnen dienen tot voertuig van 't altijd daarbij gevoegde: ``Maar... zijn zedelijkheid!'' En tevens, dat deze onzedelijkheid niet zo hoog zou opgenomen zijn door de velen die zelf niet zo onaantastbaar waren op dit stuk, wanneer men ze niet had nodig gehad tot het opwegen tegen zijn roem van dapperheid, die sommigen belette te slapen.

E

eacute;n eigenschap bezat hij werkelijk in hoge mate: wilskracht. Wat hij zich voornam, moest geschieden, en geschiedde ook gewoonlijk. doch -- zie je wel dat ik weer terstond de tegenstelling bij de hand heb? -- doch in de keuze der middelen was hij dan ook wat ... vrij, en, zoals Van der Palm -- naar ik geloof, ten onrechte -- van Napoleon zei: ``Hinderpalen der zedelijkheid stonden hem nooit in de weg!'' Nu, dan is 't zeker gemakkelijker zijn doel te bereiken, dan wanneer men zich door zoiets wèl gebonden acht.

De assistent-resident van Padang dan had een bericht uitgebracht, dat gunstig luidde voor die gesuspendeerde controleur, wiens suspensie hierdoor een tint van onrechtvaardigheid bekwam. De Padangse praatjes duurden voort: men sprak nog altijd over 't verdwenen kind. De assistent-resident voelde zich opnieuw geroepen die zaak op te vatten, maar voor hij iets tot helderheid had kunnen brengen, ontving hij een besluit waarbij hij door de gouverneur van Sumatra's Westkust werd gesuspendeerd ``wegens oneerlijkheid in ambtsbetrekking''. Het heette dat hij uit vriendschap of medelijden de zaak van die controleur, tegen beter weten aan, in een vals daglicht had gesteld.

Ik heb de stukken die deze zaak betreffen, niet gelezen, maar ik weet dat de assistent-resident niet in de minste betrekking met die controleur stond, hetgeen reeds hieruit blijkt dat men juist hem had gekozen om die zaak te onderzoeken. Ik weet voorts dat hij een achtenswaardig persoon was, en dat ook de regering hem hiervoor hield, hetgeen blijkt uit het vernietigen der suspensie, nadat de zaak elders dan op Sumatra's Westkust onderzocht was. Ook die controleur is later geheel in zijn eer hersteld geworden. Het was hun suspensie die mij 't puntdicht ingaf, dat ik op de ontbijttafel van de generaal liet neerleggen door iemand die toen bij hem, en vroeger bij mij in dienst was.

Het wandlend schorsbesluit dat schorsend ons regeert,

Jan Schors-al, gouverneur, de weerwolf onzer dagen,

Had zijn geweten zelf met vreugd gesuspendeerd ...

Als 't niet voor lange tijd finaal reeds ware ontslagen.'

`Neem me niet kwalijk, meneer Havelaar, ik vind dat zoiets niet te pas kwam,' zei Duclari.

`Ik ook ... maar ik moest toch iets doen! Verbeeld je dat ik geen geld had, niets ontving, en van dag tot dag vreesde te sterven van honger, wat dan ook nabij genoeg geweest is. Ik had weinig of geen betrekkingen op Padang, en bovendien, ik had de generaal geschreven dat hij verantwoordelijk was indien ik omkwam van ellende, en dat ik van niemand hulp zou aannemen. In de binnenlanden waren er die, vernemende hoe 't met mij gesteld was, mij uitnodigden te hunnent te komen, maar de generaal verbood dat men mij daarheen een pas zou geven. Naar Java vertrekken mocht ik ook niet. Overal elders had ik me kunnen redden, en misschien ook dr als men niet zo bevreesd ware geweest voor de machtige generaal. Het scheen zijn plan te zijn mij te laten verhongeren. Dat heeft negen maanden geduurd!'

`En hoe hebt ge u zolang in 't leven gehouden? Of had de generaal vl kalkoenen?'

`O ja! Maar dit hielp me niet ... zoiets doet men maar ns, nietwaar? Wat ik gedurende die tijd uitrichtte? Och ... ik maakte verzen, schreef komedies ... en zo al voort.'

`En was daarvoor op Padang rijst te koop?'

`Nee, maar die heb ik er ook niet voor gevraagd. Ik zeg liever niet hoe ik geleefd heb.'

Tine drukte hem de hand, zij wist het.

`Ik heb een paar regels gelezen, die ge in die dagen zoudt geschreven hebben achter op een kwitantie,' zei Verbrugge.

`Ik weet wat je bedoelt. Die regels schetsen mijn positie. Er bestond in die dagen een tijdschrift, De kopiist, waarop ik intekenaar was. Het stond onder de bescherming van de regering -- de redacteur was ambtenaar bij de Algemene Secretarie -- en hierom werden de intekeningsgelden in 's lands kas gestort. Men bood mij een kwitantie van twintig gulden aan. Daar nu dit geld op de bureaus van de gouverneur moest worden verhandeld, en dus de kwitantie, als zij onbetaald bleef, die bureaus te passeren had om te worden teruggezonden naar Batavia, maakte ik van die gelegenheid gebruik om achter op dat stuk te protesteren tegen mijn armoede:

Vingt florins ... quel trésor! Adieu, littérature,
Adieu, Copiste, adieu! Trop malheureux destin:
Je meurs de faim, de froid, d'ennui et de chagrin,
Vingt florins font pour moi deux mois de nourriture!
Si j'avais vingt florins je serais mieux chaussé,
Mieux nourri, mieux logé, j'en ferais bonne chère ...
Il faut vivre avant tout, soit vie de misère:
Le crime fait la honte, et non la pauvreté! Maar toen ik later te Batavia bij de redactie van De kopiist mijn twintig gulden kwam brengen, was ik niets schuldig. Het schijnt dat de generaal zelf dat geld voor mij betaald heeft, om niet gedwongen te zijn die geïllustreerde kwitantie terug te zenden naar Batavia.'

`Maar wat deed hij na 't ... na 't ... wegnemen van die kalkoen? 't Was toch ... een diefstal! En na dat epigram?'

`Hij strafte me vreselijk! Wanneer hij mij voor die zaken had laten terechtstaan als schuldig aan oneerbiedigheid jegens de gouverneur van Sumatra's Westkust, hetgeen in die dagen met een beetje goede wil had kunnen worden uitgelegd als ``poging tot ondermijning van 't Nederlands gezag, en aanhitsing tot opstand'' of aan ``diefstal op de publieke weg'' zou hij getoond hebben een goedhartig mens te zijn. Maar nee, hij strafte me beter... akelig! Aan de man die op de kalkoenen passen moest, liet hij gelasten voortaan een andere weg te kiezen. En mijn puntdicht ... ach, dt is nog erger! Hij zei niets, en deed niets! Ziet ge, dit was wreed! Hij gunde me niet het minste martelaars-air, ik werd niet belangwekkend door vervolging, en mocht niet ongelukkig wezen door verregaande geestigheid! O, Duclari ... o, Verbrugge ... 't was om eens voor al te walgen van puntdichten en kalkoenen! Z weinig aanmoediging dooft de vlam van 't genie uit tot op de laatste vonk ... inclusief: ik heb 't nooit weer gedaan!'