Naar het vorige hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk.

Veertiende hoofdstuk

`Ge weet,' begon Havelaar, `hoe de Nederlandse bezittingen ter Westkust van Sumatra aan de onafhankelijke rijken in de Noordhoek grenzen, waarvan Atjeh het aanzienlijkste is. Men zegt dat een geheim artikel in het tractaat van 1824, ons jegens de Engelsen de verplichting oplegt, de rivier van Singkel niet te overschrijden. De generaal Vandamme, die met een faux-air Napolťon gaarne zijn gouvernement zo ver mogelijk uitbreidde, stuitte dus in die richting op een onoverkomelijke hinderpaal. Ik moet aan 't bestaan van dat geheim artikel wel geloven, omdat het me anders bevreemden zou dat de radjahs van Troemon en Analaboe, wier provinciŽn niet zonder gewicht zijn door de peperhandel die daar gedreven wordt, niet sedert lang onder Nederlandse souvereiniteit zijn gebracht. Ge weet hoe gemakkelijk men een voorwendsel vindt om zulke landjes de oorlog aan te doen, en zich daarvan meester te maken. Het stelen van een landschap zal altijd makkelijker blijven dan van een molen. Ik geloof van de generaal Vandamme, dat hij zelfs een molen zou weggenomen hebben als hij daarin lust gevoeld had, en begrijp dus niet dat hij die landschappen in de Noord zou hebben verschoond, wanneer niet daarvoor steviger gronden hadden bestaan dan recht en billijkheid. Hoe dit zij, hij richtte zijn veroveraarsblikken niet noord- maar oostwaarts. De landstreken Mandeling en Ankola -- dit was de naam der assistent-residentie die gevormd was uit de pas tot rust gebrachte Bataklanden -- waren wel nog niet gezuiverd van Atjinese invloed -- want waar dweepzucht eens wortel schiet, is 't uitroeien moeilijk -- maar de Atjinezen zelfwaren er toch niet meer. Dit was evenwel de gouverneur niet genoeg. Hij breidde zijn gezag tot aan de oostkust uit, en er werden Nederlandse beambten en Nederlandse garnizoenen gezonden naar Bila en Pertibi, welke posten echter -- zoals je weet, Verbrugge -- later weer ontruimd zijn.

Toen er op Sumatra een regeringscommissaris aankwam, die deze uitbreiding doelloos vond en ze hierom afkeurde, vooral ook wijl ze in strijd was met de wanhopige spaarzaamheid waarop door 't moederland zozeer was aangedrongen, beweerde de generaal Vandamme dat die uitbreiding geen bezwarende invloed behoefde te hebben op de begroting, want dat de nieuwe garnizoenen gevormd waren uit troepen waarvoor toch reeds gelden waren toegestaan, zodat hij een zeer grote landstreek onder Nederlands bestuur had gebracht, zonder dat hieruit geldelijke uitgaven waren voortgevloeid. En wat voorts het gedeeltelijk ontbloten van andere plaatsen aanging, voornamelijk in 't Mandelingse, meende hij genoeg te kunnen rekenen op de trouw en de aanhankelijkheid van Jang di Pertoean, 't voornaamste hoofd in de Bataklanden, om hierin geen bezwaar te zien.

Met weerzin gaf de regeringscommissaris toe, en wel op de herhaalde betuigingen van de generaal dat hij persoonlijk zich tot borg stelde voor Jang di Pertoeans trouw.

Nu was de controleur die vóór mij de afdeling Natal bestuurde, de schoonzoon van de assistent-resident in de Bataklanden, welke ambtenaar met Jang di Pertoean in onmin leefde. Later heb ik veel horen spreken van klachten die tegen die assistent-resident waren ingebracht, doch men moest voorzichtig wezen met geloofslaan aan deze beschuldigingen, omdat ze grotendeels uit de mond kwamen van Jang di Pertoean, en wel op een ogenblik toen deze zelf van veel zwaarder vergrijpen was aangeklaagd, hetgeen hem misschien noopte zijn verdediging te zoeken in de fouten van zijn beschuldiger... wat meer gebeurt. Hoe dit zij, de gezaghebber van Natal omhelsde de partij van zijn schoonvader tegen Jang di Pertoean, en dit te vuriger misschien omdat die controleur zeer bevriend was met zekere Soetan Salim, een Natals hoofd dat ook zeer op de Batakse chef gebeten was. Sedert lang heerste er een vete tussen de familiŽn dezer beide hoofden. Er waren huwelijksvoorstellen afgeslagen, er bestond ijverzucht over invloed, trots aan de kant van Jang di Pertoean die van betere geboorte was, en meer andere oorzaken nog liepen samen om Natal en Mandeling tegen elkander opgezet te houden.

Op eenmaal verspreidde zich 't gerucht dat er in Mandeling een complot was ontdekt, waarin Jang di Pertoean zou betrokken wezen, en dat ten doel had de heilige vaan des opstands uit te steken en alle Europeanen te vermoorden. De eerste ontdekking hiervan had te Natal plaats gehad, wat natuurlijk is, daar men in nabijliggende provinciŽn altijd beter van de stand der zaken onderricht wordt dan op de plaats zelf, dewijl velen die thuis door vrees voor een betrokken hoofd zich laten weerhouden van de openbaring ener hun bekende omstandigheid, die vrees enigermate overwinnen zodra ze zich op een grondgebied bevinden waar dat hoofd geen invloed heeft.

Dit is dan ook de reden, Verbrugge, waarom ik geen vreemdeling ben in de zaken van Lebak, en dat ik redelijk veel wist van wat hier omgaat, voor ik dacht hier ooit te zullen geplaatst worden. Ik was in 1846 in 't Krawangse, en heb veel rondgedwaald in de Preanger waar ik reeds in 1840 Lebakse uitgewekenen ontmoette. Ook ben ik bekend met sommige eigenaren van particuliere landen in 't Buitenzorgse en in de Bataviase ommelanden, en ik weet hoe van oudsher die landheren verheugd zijn over de slechte toestand dezer Afdeling, omdat dit hun landerijen bevolkt.

Zó ook zou dan te Natal de samenzwering ontdekt wezen, die -- als ze bestaan heeft, wat ik niet weet -- Jang di Pertoean deed kennen als verrader. Volgens door de controleur van Natal afgenomen verklaringen van getuigen zou hij gezamenlijk met zijn broer Soetan Adam de Batakse hoofden hebben doen verzamelen in een heilig bos, waarin zij zouden gezworen hebben niet te rusten voor 't gezag der ``christen-honden'' in Mandeling vernietigd was. Het spreekt vanzelf, dat hij hiertoe een ingeving van de hemel had ontvangen. Ge weet, dat dit bij zulke gelegenheden nooit uitblijft.

Of nu inderdaad dit voornemen bij Jang di Pertoean bestaan heeft, kan ik niet verzekeren. Ik heb de verklaringen der getuigen gelezen, doch ge zult terstond inzien waarom daaraan niet onvoorwaardelijk geloof mag worden geslagen. Zťker is 't dat de man, wat zijn Islamse dweepzucht aangaat, wel tot zoiets kan in staat geweest zijn. Hij was, met de gehele Batakse bevolking, eerst kort te voren door de padri's overgehaald tot het ware geloof, en nieuwbekeerden zijn gewoonlijk fanatiek. Het gevolg van die ware of vermeende ontdekking was dat Jang di Pertoean door de assistent-resident van Mandeling werd gevangen genomen en naar Natal gezonden. Hier sloot de controleur hem voorlopig in 't fort op, en liet hij hem met de eerste geschikte scheepsgelegenheid gevankelijk naar Padang vervoeren. Het spreekt vanzelf dat men de gouverneur al de stukken aanbood, waarin de zo bezwarende getuigenissen waren opgenomen, en die de strengheid van de genomen maatregelen moesten wettigen. Onze Jang di Pertoean was dus van Mandeling vertrokken als een gevangene. Te Natal was hij gevangen. Aan boord van 't oorlogsvaartuig dat hem overvoerde, was hij ook natuurlijk een gevangene. Hij verwachtte dus -- schuldig of niet, dit doet niets tot de zaak, daar hij in wettige vorm en door bevoegde autoriteit was beschuldigd van hoogverraad -- ook te Padang als een gevangene te zullen aankomen. Wel moet hij dus zeer verwonderd hebben gestaan, bij de ontscheping te vernemen dat hij vrij was niet alleen, maar dat de generaal, wiens rijtuig hem bij 't aan wal stappen opwachtte, het zich tot een eer rekenen zou hem bij zich aan huis te ontvangen en te herbergen. Zeker is nooit een van hoogverraad beschuldigde aangenamer verrast geworden. Kort hierop werd de assistent-resident van Mandeling in zijn betrekking geschorst wegens allerlei vergrijpen die ik hier niet beoordeel. Jang di Pertoean echter, na op Padang enige tijd ten huize van de generaal te hebben vertoefd, en na door deze met de meeste onderscheiding te zijn behandeld, keerde over Natal naar Mandeling terug, niet met het zelfgevoel van de onschuldig-verklaarde, maar met de trots van iemand die zů hoog staat dat hij geen verklaring van onschuld nodig heeft. Immers, onderzocht was de zaak niet! Aannemende dat men de tegen hem ingebrachte beschuldiging voor vals hield, dan had reeds dit vermoeden een onderzoek vereist, ten einde de valse getuigen te straffen, en vooral hen die blijken zouden zodanige valsheid te hebben uitgelokt. Het schijnt dat de generaal zijn redenen had om dit onderzoek niet te doen plaatshebben. De tegen Jang di Pertoean ingebrachte aanklacht werd beschouwd als non avenu, en ik houd voor zeker dat de daarop doelende stukken nooit onder de ogen der regering te Batavia gebracht zijn.

Kort na Jang di Pertoeans terugkeer kwam ik te Natal aan om 't bestuur van die Afdeling over te nemen. Mijn voorganger verhaalde me natuurlijk wat er kort geleden in 't Mandelingse was voorgevallen, en gaf mij de nodige inlichtingen over de staatkundige verhouding tussen die landstreek en mijn Afdeling. Het was hem niet euvel te duiden dat hij zich zeer beklaagde over de zijns inziens onrechtvaardige behandeling die zijn schoonvader ten deel viel, en over de onbegrijpelijke bescherming die Jang di Pertoean van de generaal bleek te genieten. Noch hij noch ik wisten op dŗt ogenblik dat de opzending van Jang di Pertoean naar Batavia, een vuistslag in 't gelaat van die generaal zou geweest zijn, en dat deze -- persoonlijk voor de trouw van dat hoofd hebbende ingestaan -- gegronde redenen had, wat het ook kosten mocht, hem te vrijwaren tegen een beschuldiging van hoogverraad. Dit was voor de generaal des te belangrijker, omdat inmiddels de zoŽven bedoelde regeringscommissaris zelf gouverneur-generaal was geworden, en hem dus hoogstwaarschijnlijk uit zijn gouvernement zou hebben teruggeroepen, uit verstoordheid over 't ongegrond vertrouwen op Jang di Pertoean, en over de hierop steunende hoofdigheid waarmee de generaal zich tegen 't ontruimen van de oostkust verzet had.

``Doch'', zei mijn voorganger, ``wat ook de generaal moge bewegen al de beschuldigingen tegen mijn schoonvader voetstoots aan te nemen, en de veel zwaarder grieven tegen Jang di Pertoean niet eens een onderzoek waardig te keuren, de zaak is niet uit! En als men te Padang, zoals ik gis, de afgelegde getuigenissen vernietigd heeft, ziehier iets anders dat niet vernietigd worden kan.''

En hij toonde mij een vonnis van de rapat-raad te Natal waarvan hij voorzitter was, houdende: veroordeling van zekere Si Pamaga tot de straf van geseling en brandmerk, en -- ik meen -- twintigjarige dwangarbeid, wegens poging tot moord op de toeankoe van Natal.

``Lees eens het proces-verbaal van de terechtzitting,'' zei mijn voorganger, ``en beoordeel dan of mijn schoonvader niet zal geloofd worden te Batavia, als hij dŠŠr Jang di Pertoean aanklaagt van hoogverraad!''

Ik las de stukken. Volgens verklaringen van getuigen en ``de bekentenis van de beklaagde'' was Si Pamaga omgekocht om te Natal de toeankoe, diens pleegvader Soetan Salim en de gezaghebbende controleur te vermoorden. Hij had zich, om dit opzet uit te voeren, naar de woning van de toeankoe begeven, en daar met de bedienden die op de trap der buitengalerij zaten, een gesprek aangeknoopt over een sewah met het doel zijn tegenwoordigheid te rekken tot hij de toeankoe zou gewaar worden, die zich dan ook weldra, omgeven van enige verwanten en bedienden, vertoonde. Pamaga was met zijn sewah op de toeankoe losgegaan, doch had uit onbekende oorzaken zijn moorddadige opzet niet kunnen volvoeren. De toeankoe was verschrikt uit het venster gesprongen, en Pamaga nam de vlucht. Hij verschool zich in 't bos, en werd enige dagen later door de Natalse politie opgevat.

``Aan de beschuldigde gevraagd: wat hem tot deze aanslag en de voorgenomen moord op Soetan Salim en de controleur van Natal had bewogen'' antwoordt hij ``daartoe te zijn omgekocht door Soetan Adam, uit naam van diens broeder Jang di Pertoean van Mandeling.''

``Is dit duidelijk of niet?'' vroeg mijn voorganger. ``Het vonnis is na fiat executie van de resident, ten uitvoer gelegd wat de geseling en 't brandmerk aangaat, en Si Pamaga is op weg naar Padang, om vandaar als kettingganger naar Java te worden gezonden. Gelijk met hem komen de processtukken van de zaak te Batavia, en dan kan men dŠŠr zien wie de man is, op wiens aanklacht mijn schoonvader gesuspendeerd werd! Dat vonnis kan de generaal niet vernietigen, al wilde hij.''

Ik nam het bestuur der Natalse Afdeling over, en mijn voorganger vertrok. Na enige tijd ontving ik bericht dat de generaal met een oorlogsstoomboot in de Noord komen, en ook Natal bezoeken zou. Hij stapte met veel gevolg te mijnen huize af, en verlangde ogenblikkelijk de oorspronkelijke processtukken te zien van: ``De arme man die men zo vreselijk mishandeld had.''

``Zijzelf hadden een geseling en een brandmerk verdiend!'' voegde hij erbij.

Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van de strijd over Jang di Pertoean waren mij toen nog onbekend, en 't kon dus niet in mijn gedachten opkomen, evenmin dat mijn voorganger willens en wetens een onschuldige zou veroordeeld hebben tot zů zware straf, als dat de generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig vonnis. Ik ontving de last, Soetan Salim en de toeankoe te doen gevangen nemen. Daar de jonge toeankoe bij de bevolking zeer bemind was, en we slechts weinig garnizoen in 't fort hadden, verzocht ik de generaal hem op vrije voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan. Doch voor Soetan Salim, de bijzondere vijand van Jang di Pertoean, was geen genade. De bevolking was in grote spanning. De Natallers vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van Mandelingse haat, en 't was in die omstandigheden dat ik van tijd tot tijd iets doen kon, wat hij ``kordaat'' vond, vooral daar hij de weinige macht die er uit het fort kon gemist worden, en het detachement mariniers dat hij van boord had meegebracht, niet aan mij afstond ter bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb bij die gelegenheid opgemerkt dat de generaal Vandamme zeer goed zorgde voor zijn eigen veiligheid, en 't is dŠŠrom dat ik zijn roem van dapperheid niet onderschrijven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.

Hij vormde in grote overhaasting een raad, die ik ad hoc zou kunnen noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de officier van justitie of fiscaal, die hij van Padang had meegenomen, en ik. Deze raad zou een onderzoek instellen naar de wijze waarop onder mijn voorganger 't proces tegen Si Pamaga was gevoerd geworden. Ik moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe nodig waren. De generaal, die natuurlijk vůůrzat, ondervroeg en de proces- verbalen werden geschreven door de fiscaal. Daar evenwel deze beambte weinig Maleis verstond -- en volstrekt niet het Maleis dat in de Noord van Sumatra wordt gesproken -- was 't dikwijls nodig hem de antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf deed. Uit de zittingen van die raad zijn stukken voortgekomen, die ten duidelijkste schijnen te bewijzen: dat Si Pamaga nooit het voornemen gekoesterd had iemand, wie het ook zij, te vermoorden. Dat hij noch Soetan Adam, noch Jang di Pertoean ooit had gezien of gekend. Dat hij niet op de toeankoe van Natal was toegesprongen. Dat deze niet uit het venster gevlucht was ... enzovoort! Verder: dat het vonnis tegen de ongelukkige Si Pamaga was geslagen onder de pressie van de voorzitter -- mijn voorganger -- en van 't raadslid Soetan Salim, welke personen de voorgewende misdaad van Si Pamaga hadden verzonnen om aan de gesuspendeerde assistent-resident van Mandeling een wapen te zijner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun haat jegens Jang di Pertoean.

De wijze nu waarop de generaal bij die gelegenheid ondervroeg, deed denken aan de whistpartij van zekere keizer van Marokko die zijn partner toevoegde: ``Speel harten, of ik snij je de hals af.'' Ook de vertalingen, zoals hij die de fiscaal in de pen gaf, lieten veel te wensen over.

Of nu Soetan Salim en mijn voorganger pressie hebben uitgeoefend op de Natalse rechtsraad om Si Pamaga schuldig te verklaren, is mij onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft uitgeoefend op de verklaringen die 's mans onschuld moesten bewijzen. Zonder op dat ogenblik nog de strekking daarvan te begrijpen, heb ik me tegen die... onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zůver gegaan is dat ik heb moeten weigeren enige verbalen mee te ondertekenen, en ziedaar nu de zaak waarin ik de generaal zo ``gecontrarieerd'' had. Ge begrijpt nu ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de aanmerkingen die er op mijn geldelijk beheer gemaakt waren, de woorden waarin ik verzocht van alle welwillende consideratiŽn verschoond te blijven.'

`Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren,' zei Duclari. `Ik vond het natuurlijk. Doch zeker is 't dat de generaal Vandamme niet aan zoiets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak veel geleden. O nee, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, berouwd heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierbij voegen dat ik me niet zou bepaald hebben tot eenvoudig protesteren tegen de wijze waarop de generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren mijner handtekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf vastgestelde toeleg om mijn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de generaal, overtuigd van Si Pamaga's onschuld, zich liet meeslepen door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden van de gevolgen ener rechtsdwaling, voorzover dit na de geseling en 't brandmerk nog mogelijk was. Deze mening deed mij wel in verzet komen tegen valsheid, maar ik was daarover niet zů verontwaardigd als ik zou geweest zijn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om ten koste van de eer en 't welzijn mijns voorgangers, de bewijzen te vernietigen die de politiek van de generaal in de weg stonden.'

`En hoe ging 't verder met uw voorganger?' vroeg Verbrugge.

`Gelukkig voor hem was hij reeds naar Java vertrokken voor de generaal te Padang terugkeerde. Hij schijnt zich bij de regering te Batavia te hebben kunnen verantwoorden, althans hij is in dienst gebleven. De resident van Ajer-Bangie die op 't vonnis fiat executie verleend had, werd ...'

`Gesuspendeerd?'

`Natuurlijk! Ge ziet dat ik niet zo heel onrecht had, in mijn puntdicht te zeggen dat de gouverneur ons schorsend regeerde.'

`En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?'

`O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zijn in hun betrekkingen hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlijke ambten bekleed.'

`En Soetan Salim?'

`De generaal voerde hem gevankelijk mee naar Padang, en vandaar werd hij als balling naar Java gezonden. Hij is thans nog te Tjiandjoer in de Preanger Regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek gebracht. Weet je nog wat ik te Tjiandjoer kwam doen, Tine?'

`Nee, Max, dat is me glad ontgaan.'

`Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heren!'

`Maar,' vroeg Duclari, `daar ge nu toch aan 't vertellen zijt, mag ik vragen of 't waar is dat ge te Padang zo dikwijls geduelleerd hebt?'

`Ja, zeer dikwijls, en daartoe was aanleiding. Ik heb u reeds gezegd dat de gunst van de gouverneur op zodanige buitenpost de maatstaf is, waarnaar velen hun welwillendheid afmeten. De meesten waren dus voor mij zeer onwelwillend, en vaak ging dit over in grofheid. Ik van mijn kant was prikkelbaar. Een niet beantwoorde groet, een schimpscheut op de ``zotternij van iemand die 't wil opnemen tegen de generaal'', een toespeling op mijn armoede, op mijn hongerlijden, op 't ``slechte voedsel dat er scheen te liggen in zedelijke onafhankelijkheid''... dit alles, begrijpt ge, maakte mij bitter. Velen, vooral onder de officieren, wisten dat de generaal niet ongaarne zag dat er geduelleerd werd, en vooral met iemand die zo in ongenade was als ik. Misschien wekte men dus mijn gevoeligheid met voordacht op. Ook duelleerde ik wel eens voor een ander die ik voor verongelijkt hield. Hoe dit zij, het duel was daar in die tijd aan de orde van de dag, en meer dan eens is 't gebeurd dat ik twee samenkomsten had op een ochtend. O, er is iets zeer aantrekkelijks in het duel, vooral met de sabel, of ``op'' de sabel, zoals ze 't noemen ... ik weet niet waarom. Ge begrijpt echter dat ik nu zoiets niet meer doen zou, ook al ware daartoe zoveel aanleiding als in die dagen ... kom eens hier, Max -- nee, vang dat beestje niet -- kom hier! Hoor eens, je moet nooit kapellen vangen. Dat arme dier heeft eerst lange tijd als rups op een boom rondgekropen, dat was geen vrolijk leven! Nu heeft het pas vleugeltjes gekregen, en wil wat rondvliegen in de lucht, en zich vermaken en 't zoekt voedsel in de bloemen, en doet niemand leed ... kijk, is 't niet veel aardiger het daar zo te zien rondfladderen?'

Zo kwam 't gesprek van de duellen op de vlinders, op de ontferming des rechtvaardigen over zijn vee, op het dierenplagen, op de loi-Grammont, op de Nationale Vergadering waarin die wet werd aangenomen, op de republiek, en op wat niet al!

Eindelijk stond Havelaar op. Hij verontschuldigde zich bij zijn gasten, wijl hij bezigheden had. Toen de controleur hem de volgende morgen op zijn kantoor bezocht, wist hij niet dat de nieuwe assistent-resident de vorige dag na de gesprekken in de voorgalerij, was uitgereden naar Parang-Koedjang -- het district der `verregaande misbruiken' -- en eerst die ochtend vroeg van daar was teruggekeerd.

Ik verzoek de lezer te geloven dat Havelaar te wellevend was om aan zijn eigen tafel zoveel te spreken als ik in de laatste hoofdstukken heb opgegeven, en waardoor ik op hem de schijn laad alsof hij zich meester zou hebben gemaakt van 't gesprek, met verwaarlozing der plichten van een gastheer, die voorschrijven aan zijn gasten de gelegenheid te laten of te verschaffen `zich te doen uitkomen'. Ik heb uit de vele bouwstoffen die voor me liggen, een paar grepen gedaan, en zou nog lang de tafelgesprekken hebben kunnen voortzetten, met minder moeite dan 't afbreken daarvan me gekost heeft. Ik hoop echter dat het meegedeelde voldoende wezen zal om enigermate de beschrijving te rechtvaardigen, die ik van Havelaars inborst en hoedanigheden gegeven heb, en dat de lezer niet geheel zonder belangstelling de lotgevallen zal gadeslaan, die hem en de zijnen wachtten te Rangkas-Betoeng.

De kleine familie leefde stil voort. Havelaar was dikwijls overdag uit, en bracht halve nachten op zijn bureau door. De verhouding tussen hem en de commandant van 't kleine garnizoen was alleraangenaamst, en ook in de huiselijke omgang met de controleur was geen spoor te ontdekken van 't rangverschil dat anders in IndiŽ zo vaak het verkeer stijf en vervelend maakt, terwijl bovendien Havelaars zucht om hulp te verlenen waar hij maar enigszins kon, dikwijls de regent te stade kwam, die dan ook zeer met zijn `oudere broeder' was ingenomen. En ten slotte bracht de lieftalligheid van mevrouw Havelaar veel toe tot het aangenaam verkeer met de weinige op de plaats aanwezige Europeanen en de inlandse hoofden. De dienstcorrespondentie met de resident te Serang droeg blijken van wederzijdse welwillendheid, terwijl de bevelen van de resident, met heusheid gegeven, stipt werden opgevolgd.

Tine's huishouding was spoedig geregeld. Na lang wachten waren de meubels van Batavia aangekomen, en waren ketimons in zout gelegd, en als Max aan tafel iets verhaalde, geschiedde dit in 't vervolg niet meer uit gebrek aan eieren voor de omelet, hoewel toch altijd de levenswijs van 't klein gezin duidelijke blijken droeg dat de voorgenomen spaarzaamheid zeer werd in acht genomen.

Mevrouw Slotering verliet zelden haar huis, en gebruikte slechts enige malen de thee bij de familie Havelaar in de voorgalerij. Ze sprak weinig, en bleef altijd een wakend oog houden op ieder die haar of Havelaars woning naderde. Men was echter gewoon geraakt aan wat men haar monomanie begon te noemen, en lette daarop weldra niet meer.

Alles scheen kalmte te ademen, want voor Max en Tine was 't vergelijkenderwijze een kleinigheid zich te schikken in ontberingen die op een niet aan de grote weg gelegen binnenpost onvermijdelijk zijn. Daar er op de plaats geen brood werd gebakken, at men geen brood. Men had het van Serang kunnen laten komen, maar de kosten op dat vervoer waren te hoog. Max wist zo goed als ieder ander dat er veel middelen te vinden waren om zÚnder betaling brood naar Rangkas-Betoeng te laten brengen, maar onbetaalde arbeid, die Indische kanker, was hem een gruwel. Zo was er veel te Lebak, dat wel door gezag te verkrijgen was om niet, maar niet te koop voor billijke prijs, en onder zulke gegevens schikten zich Havelaar en zijn Tine gaarne in 't gemis. Ze hadden wel andere ontberingen beleefd! Had niet die arme vrouw maanden doorgebracht aan boord van een Arabisch vaartuig, zonder andere legerstede dan 't scheepsdek, zonder andere beschutting tegen zonnehitte, en west-moessonsbuien, dan een tafeltje tussen welks poten ze zich moest vastklemmen? Had ze niet op dat schip zich moeten vergenoegen met een klein rantsoen droge rijst en vuil water? En was ze niet in die en vele andere omstandigheden altijd tevreden geweest, als ze maar mocht samen wezen met haar Max?

Eén omstandigheid echter was er te Lebak, die haar verdriet berokkende: kleine Max kon niet in de tuin spelen omdat daar zoveel slangen waren. Toen ze dit bemerkte en hierover zich bij Havelaar beklaagde, loofde deze aan de bedienden een prijs uit voor elke slang die ze vangen zouden, doch reeds de eerste dagen betaalde hij zóveel aan premiŽn dat hij zijn belofte moest intrekken voor 't vervolg, want ook in gewone omstandigheden en dus zonder de voor hem zo noodzakelijke zuinigheid, zou die betaling spoedig zijn middelen zijn te boven gegaan. Er werd alzo vastgesteld dat kleine Max voortaan 't huis niet meer zou verlaten, en dat hij zich, om frisse lucht te scheppen, vergenoegen moest met spelen in de voorgalerij. In weerwil van deze voorzorg was Tine toch altijd angstig, en vooral 's avonds, daar men weet hoe slangen dikwijls in de huizen kruipen en zich, om warmte te zoeken, in de slaapkamers verbergen.

Slangen en dergelijk ongedierte vindt men weliswaar in Indië overal, maar op de grotere hoofdplaatsen waar de bevolking dichter op elkander woont, komen zij natuurlijk zeldzamer voor dan in meer wilde streken, zoals te Rangkas-Betoeng. Indien echter Havelaar had kunnen besluiten zijn erf van onkruid te doen reinigen tot aan de rand van de ravijn toe, zouden toch wel de slangen zich van tijd tot tijd in de tuin vertoond hebben, maar niet in zů groten getale als dit nu 't geval was. De natuur dezer dieren doet hun duisternis en schuiling voortrekken boven 't licht van open plaatsen, zodat, als Havelaars erf zindelijk ware gehouden, de slangen niet dan als 't ware haars ondanks en verdwaald, de ruigte in de ravijn zouden verlaten hebben. Maar 't erf van Havelaar was niet zindelijk, en ik wens de reden hiervan te ontwikkelen, daar ze een blik temeer doet slaan op de misbruiken die bijna alom in de Nederlands- Indische bezittingen heersen.

De woningen der gezagvoerders in de binnenlanden staan op gronden die aan de gemeenten toebehoren, voorzover men van gemeente-eigendom spreken kan in een land waar de regering zich alles toeŽigent. Genoeg, dat die erven niet toebehoren aan de ambtelijke bewoner zelf. Deze toch zou, als dit het geval ware, zich wachten een grond te kopen of te huren, waarvan 't onderhoud boven zijn krachten ging. Wanneer nu het erf van de hem aangewezen woning te groot is om behoorlijk te worden onderhouden, zou dit, bij de welige tropische plantengroei, binnen weinig tijd in een wildernis ontaarden. En toch ziet men zelden of nooit zodanig erf in slechte staat. Ja, dikwijls zelfs staat de reiziger verbaasd over 't schone park dat een residentswoning omringt. Geen beambte in de binnenlanden heeft inkomen genoeg om de hiertoe nodige arbeid te doen verrichten tegen behoorlijke betaling, en daar nu toch een deftig aanzien van de woning des gezaghebbers een vereiste is, opdat niet de bevolking, die zoveel hecht aan uiterlijkheden, in slordigheid grond vinde voor minachting, doet zich de vraag op, hoe dan dit doel bereikt wordt? Op de meeste plaatsen hebben de gezaghebbers te beschikken over enige kettinggangers; dat zijn elders veroordeelde misdadigers, een soort van werklieden echter dat in Bantam om meer of min geldige redenen van politieke aard niet aanwezig was. Doch ook op plaatsen waar zich wel zodanige veroordeelden bevinden, is hun aantal, vooral met het oog op de behoefte aan andere arbeid, zelden in evenredigheid met het werk dat zou vereist worden tot het goed onderhouden van een groot erf. Er moeten dus andere middelen gevonden worden, en de oproeping van arbeiders tot het verrichten van herendienst ligt voor de hand. De regent of de demang die zodanige oproeping ontvangt, haast zich daaraan te voldoen, want hij weet zeer goed dat het de gezaghebbende ambtenaar die van dat gezag misbruik maakt, later moeilijk vallen zou een inlands hoofd te bestraffen over een gelijke fout. En alzo strekt het vergrijp van de een tot vrijbrief voor de ander.

Het komt mij echter voor, dat dusdanige fout van een gezaghebber in sommige gevallen niet al te streng, en vooral niet naar Europese begrippen, moet worden beoordeeld. De bevolking zelf toch zou 't -- misschien uit ongewoonte -- zeer vreemd vinden als hij altijd en in alle gevallen zich stipt hield aan de bepalingen die 't getal der voor zijn erf bestemde herendienstplichtigen voorschrijven, daar er omstandigheden kunnen voorkomen die bij deze bepalingen niet waren voorzien. Maar zodra eenmaal de grens van 't strikt wettige is overschreden, wordt het moeilijk een punt vast te stellen, waarop zodanige overschrijding zou overgaan in misdadige willekeur, en vooral wordt grote omzichtigheid nodig zodra men weet dat de hoofden alleen wachten op een slecht voorbeeld, om dat met verregaande uitbreiding na te volgen. De vertelling over zekere koning die niet wilde dat men de betaling verzuimde van ťťn korrel zout die hij bij zijn eenvoudig maal gebruikt had, toen hij aan 't hoofd zijns legers het land doortrok -- omdat, naar hij zei, dit het begin was van een onrecht dat ten laatste zijn gehele rijk zou vernietigen -- hij moge dan Timoerleng, Noereddien of Djengis- Khan geheten hebben, zeker is Úf die fabel, Úf als 't geen fabel is, het voorval zelf, van Aziatische oorsprong. En evenals 't aanschouwen van zeedijken aan de mogelijkheid van hoog water doet geloven, mag men aannemen dat er neiging bestaat tot zulke misbruiken in een land waar zulke lessen worden gegeven.

Het gering getal lieden nu waarover Havelaar wettig beschikken mocht, konden niet dan slechts een zeer klein gedeelte van zijn erf, in de onmiddellijke nabijheid der woning, van onkruid en kreupelhout vrijhouden. Het overige was binnen weinige weken een volslagen wildernis. Havelaar schreef aan de resident over de middelen om hierin te voorzien, hetzij door een geldelijke toelage, hetzij door aan de regering voor te stellen evenals elders kettinggangers in de residentie Bantam te doen arbeiden. Hij ontving hierop een weigerend antwoord, met de opmerking dat hij immers 't recht had de personen die door hem bij politievonnis waren veroordeeld tot `arbeid aan de publieke weg' op zijn erf te werk te stellen. Dit wist Havelaar wel, of althans 't was hem meer dan voldoende bekend dat zodanige beschikking over gecondemneerden overal de gewoonste zaak van de wereld was, maar nooit had hij, noch te Rangkas-Betoeng, noch te Amboina, noch te Menado, noch te Natal van dat vermeende recht willen gebruik maken. Het stuitte hem, zijn tuin te laten onderhouden als boete voor kleine vergrijpen, en meermalen had hij zich afgevraagd hoe de regering bepalingen kon laten bestaan, die de ambtenaar in verzoeking kunnen brengen kleine verschoonbare fouten te straffen, niet in evenredigheid met het vergrijp, maar met de toestand of de uitgestrektheid van zijn erf. Het denkbeeld alleen dat de gestrafte, ook zelfs hij die rechtvaardig gestraft was, vermenen zou dat er eigenbelang schuilde onder het geslagen vonnis, deed hem, waar hij straffen moest, altijd de voorkeur geven aan de anders zeer afkeurenswaardige opsluiting.

En vandaar kwam het dat kleine Max niet spelen mocht in de tuin, en dat ook Tine van de bloemen niet zoveel genoegen smaakte als ze zich had voorgesteld op de dag van haar aankomst te Rangkas-Betoeng.

Het spreekt vanzelf dat deze en dergelijke kleine verdrietelijkheden geen invloed uitoefenden op de stemming van een gezin dat zoveel bouwstoffen bezat om zich een gelukkig huiselijk leven te verschaffen, en 't was dan ook niet toe te schrijven aan zulke kleinigheden, wanneer Havelaar soms met een bewolkt voorhoofd binnentrad, bij het terugkeren van een uitstap, of na 't aanhoren van deze en gene die verzocht hadden hem te spreken. We hebben uit zijn toespraak aan de hoofden gehoord dat hij zijn plicht wilde doen, dat hij onrecht wilde tekeer gaan, en tevens hoop ik dat de lezer uit de gesprekken die ik meedeelde, hem heeft leren kennen als iemand die wel in staat was iets uit te vinden en tot klaarheid te brengen, dat voor sommige anderen verborgen was of in 't duister lag. Er was dus te veronderstellen dat niet veel van wat er in Lebak omging zijn aandacht ontgaan zou. Ook zagen we dat hij vele jaren vroeger op die Afdeling gelet had, zodat hij reeds de eerste dag, toen Verbrugge hem ontmoette in de pendopo waar mijn verhaal aanvangt, toonde in zijn nieuwe werkkring geen vreemdeling te zijn. Hij had door nasporing op de plaatsen zelf, veel bevestigd gevonden van wat hij vroeger vermoedde, en vooral uit het archief was hem gebleken dat de landstreek waarvan het bestuur aan zijn zorg was toevertrouwd, werkelijk in een hoogst treurige toestand verkeerde.

Uit brieven en aantekeningen van zijn voorganger bemerkte hij dat deze dezelfde opmerkingen gemaakt had. De correspondentie met de hoofden bevatte verwijt op verwijt, bedreiging op bedreiging, en deden zeer goed begrijpen hoe die ambtenaar ten laatste zou gezegd hebben, zich rechtstreeks tot de regering te zullen wenden indien niet aan die stand van zaken een einde werd gemaakt.

Toen Verbrugge dit aan Havelaar meedeelde, had deze geantwoord dat zijn voorganger daaraan verkeerd zou gedaan hebben, daar de assistent- resident van Lebak in geen geval de resident van Bantam mocht voorbijgaan, en hij had daarbij gevoegd dat dit ook door volstrekt niets zou gewettigd zijn, daar het toch niet te denken was dat die hoge beambte partij zou trekken voor afpersing en knevelarij.

Zodanig partijtrekken was dan ook waarlijk niet te veronderstellen in de zin zoals Havelaar 't bedoelde, niet namelijk alsof de resident enig voordeel of gewin zou ten deel vallen van die vergrijpen. Doch wel bestond er een oorzaak die hem bewoog niet dan zeer ongaarne op de klachten van Havelaars voorganger recht te doen. We hebben gezien hoe die voorganger meermalen met de resident over de heersende misbruiken had gesproken -- geaboucheerd, zei Verbrugge -- en hoe weinig hem dit gebaat had. Het is dus niet van belang ontbloot, te onderzoeken waarom een zo hooggeplaatst ambtenaar, die als hoofd van de gehele residentie evenzeer als de assistent-resident, ja meer nog dan deze, gehouden was te zorgen dat er recht geschiedde, bijna altijd reden meende te hebben om de loop van dat recht te stuiten.

Reeds te Serang, toen Havelaar daar ten huize van de resident vertoefde, had hij deze over de Lebakse misbruiken gesproken, en hierop ten antwoord bekomen, `dat dit alles in meer of mindere mate overal 't geval was.' Dit nu kon Havelaar niet ontkennen. Wie toch zou beweren een land te hebben gezien waar niets verkeerds geschiedt? Maar hij meende dat dit geen beweegreden was om misbruiken, waar men die vond, te laten bestaan, vooral niet wanneer men uitdrukkelijk tot het tegengaan daarvan geroepen was, en tevens dat, na al wat hij van Lebak wist, hier geen sprake was van meer of mindere, doch van zeer grote mate, waarop de resident hem onder andere antwoordde, `dat het in de Afdeling Tjiringin -- ook tot Bantam behorende -- nog erger gesteld was.'

Wanneer men nu aanneemt, zoals men aannemen kan, dat een resident geen rechtstreeks voordeel heeft van afpersing en van willekeurig beschikken over de bevolking, doet zich de vraag op, wat dan zovelen beweegt in tegenspraak met eed en plicht zulke misbruiken te laten bestaan, zonder daarvan aan de regering kennis te geven? En wie hierover nadenkt, moet het al zeer vreemd vinden dat men zo koelbloedig 't bestaan van die misbruiken erkent, als ware er sprake van iets dat buiten bereik of bevoegdheid lag. Ik zal trachten de oorzaken hiervan te ontwikkelen.

In 't algemeen reeds is het overbrengen van slechte tijdingen iets onaangenaams, en 't schijnt wel of er van de ongunstige indruk die ze veroorzaken, iets blijft kleven op wie de verdrietige taak te beurt viel zulke tijdingen mee te delen. Wanneer nu dit alleen reeds voor sommigen een reden zou wezen om tegen beter weten aan, het bestaan van iets ongunstigs te ontkennen, hoeveel te meer dan wordt dit het geval wanneer men gevaar loopt, niet alleen zich de ongenade op de hals te halen die nu eenmaal 't lot schijnt des overbrengers van slechte berichten, doch tevens als de oorzaak te worden aangezien van de ongunstige toestand die men plichtshalve openbaart.

De regering van Nederlands-IndiŽ schrijft bij voorkeur aan haar meesters in 't moederland dat alles naar wens gaat. De residenten melden dit gaarne aan de regering. De assistent-residenten, die zelf van hun controleurs bijna niet dan gunstige berichten ontvangen, zenden ook op hun beurt liefst geen onaangename tijdingen aan de residenten. Hieruit wordt in de officiŽle en schriftelijke behandeling der zaken een gekunsteld optimismus geboren, in tegenspraak niet alleen met de waarheid, maar ook met de eigen mening van die optimisten zelf, zodra zij dezelfde zaken mondeling behandelen, en -- nog vreemder! -- dikwijls zelfs in tegenspraak met hun eigen geschreven berichten. Ik zou veel voorbeelden kunnen aanhalen van rapporten die de gunstige toestand van een residentie ten hoogste verheffen, doch tegelijkertijd, vooral waar de cijfers spreken, zich zelf logenstraffen. Deze voorbeelden zouden, als niet de zaak om de eindelijke gevolgen te ernstig ware, aanleiding geven tot lach en spot, en men staat verbaasd over de naÔveteit waarmee vaak in zodanig geval de grofste onwaarheden worden staande gehouden en aangenomen, al biedt dan ook de schrijver zelf weinig zinsneden verder de wapens aan waarmee die onwaarheden te bestrijden zijn. Ik zal me tot een enkel voorbeeld bepalen, dat ik met zeer vele zou kunnen vermeerderen. Onder de stukken die voor me liggen, vind ik het jaarverslag van een residentie. De resident roemt de handel die daar bloeit, en beweert dat in de gehele landstreek de grootste welvaart en bedrijvigheid worden waargenomen. Een weinig verder evenwel, sprekende over de geringe middelen die hem ten dienste staan om sluikerij te weren, wil hij terstond de onaangename indruk wegnemen, die op de regering zou worden teweeggebracht door de mening dat er dus in die residentie veel inkomend-recht wordt ontdoken. `Nee,' zegt hij, `dáárvoor behoeft men niet bezorgd te zijn! Er wordt in mijn residentie weinig of niets ingevoerd tersluiks, want ... er gaat in deze streken zů weinig om, d't niemand hier zijn kapitaal in de handel wagen zou.'

Ik heb een dergelijk verslag gelezen dat aanving met de woorden: `In 't afgelopen jaar is de rust rustig gebleven.' Zulke zinsneden getuigen wel van een zeer rustige gerustheid op de inschikkelijkheid van de regering voor ieder die haar onaangename tijdingen spaart, of die, zoals de term luidt, `haar niet bemoeilijkt' met verdrietige berichten!

Waar de bevolking niet toeneemt, is dit toe te schrijven aan onjuistheid der tellingen van vorige jaren. Waar de belastingen niet stijgen, maakt men zich daarvan een verdienste: de bedoeling is, door lage aanslag de landbouw aan te moedigen, die zich juist nu gaat ontwikkelen, en weldra -- liefst als de berichtgever zal afgetreden zijn -- onbegrijpelijke vruchten moet afwerpen. Waar onordelijkheid heeft plaats gehad die niet verborgen blijven kon, was dit het werk van enige weinige kwalijkgezinden die voor 't vervolg niet meer te vrezen zijn daar er een algemene tevredenheid heerst. Waar gebrek of hongersnood de bevolking heeft gedund, was dit een gevolg van misgewas, van droogte, regen of zoiets, nooit van wanbestuur.

De nota van Havelaars voorganger, waarin deze `het verloop van volk uit het district Parang-Koedjang' toeschreef aan `verregaand misbruik' ligt voor mij. Deze nota was inofficieel, en bevatte punten waarover die ambtenaar met de resident van Bantam te spreken had. Maar vergeefs zocht Havelaar in 't archief naar een blijk dat zijn voorganger diezelfde zaak ruiterlijk bij de ware naam had genoemd in een openbare dienstmissive.

Kortom, de officiële berichten van de beambten aan het gouvernement, en dus ook de daarop gegronde rapporten aan de regering in 't moederland, zijn voor het grootste en belangrijkste gedeelte: onwaar.

Ik weet dat deze beschuldiging gewichtig is, doch houd die staande, en voel me volkomen in staat haar met bewijzen te staven. Wie verstoord mocht zijn over dit onbewimpeld uiten mijner mening, bedenke hoeveel miljoenen schats en hoeveel mensenlevens er zouden gespaard zijn aan Engeland, indien men dáár tijdig de ogen der natie voor de ware toedracht der zaken in Brits-Indië geopend had, en hoe grote dankbaarheid men zou schuldig geweest zijn aan de man die de moed had getoond de Jobsbode te wezen, voor het te laat ware geweest om 't verkeerde te herstellen op minder bloedige wijze dan nu wel noodzakelijk geworden was.

Ik zei mijn beschuldiging te kunnen staven. Waar 't nodig is, zal ik aantonen dat er vaak hongersnood heerste in streken die geroemd werden als toonbeelden van welvaart, en dat meermalen een bevolking die als rustig en tevreden wordt opgegeven, op 't punt stond uit te bersten in woede. Het is mijn voornemen niet deze bewijzen te leveren in dit boek, schoon ik vertrouw dat men 't niet uit de hand leggen zal zonder te geloven dat ze bestaan.

Voor 't ogenblik bepaal ik me tot nog een enkel voorbeeld van het belachelijk optimisme waarvan ik gesproken heb, een voorbeeld dat door ieder, hij zij dan al of niet bekend met zaken van IndiŽ, gemakkelijk zal kunnen begrepen worden.

Iedere resident dient maandelijks een opgaaf in van de rijst die in zijn landschap is ingevoerd, of daaruit naar elders verzonden. Bij deze opgave wordt dat vervoer in twee delen gesplitst, naarmate het zich bepaalt tot Java zelf of zich verder uitstrekt. Wanneer men nu let op de hoeveelheid rijst welke volgens die opgaven is overgevoerd uit residentiën op Java naar residentiŽn op Java, zal men bevinden dat deze hoeveelheid vele duizenden pikols meer bedraagt dan de rijst die, volgens dezelfde opgaven, in residentiŽn op Java uit residentiŽn op Java is ingevoerd.

Ik ga nu met stilzwijgen voorbij, wat men te denken hebbe van het doorzicht der regering die zulke opgaven aanneemt en publiceert, en wil de lezer alleen opmerkzaam maken op de strekking van deze valsheid. De procentsgewijze beloning aan Europese en inlandse beambten voor produkten die in Europa moeten verkocht worden, had de rijstbouw zodanig op de achtergrond gesteld, dat er in sommige streken een hongersnood geheerst heeft, die niet voor de ogen der natie weggegoocheld worden kon. Ik heb reeds gezegd dat er toen voorschriften zijn gegeven, de zaken niet weer te laten komen tot zůver. Tot de vele uitvloeisels van deze voorschriften behoorden ook de door mij genoemde opgaven van uit- en ingevoerde rijst, opdat de regering voortdurend het oog houden kon op de eb en de vloed van dat levensmiddel. Uitvoer uit een residentie stelt welvaart voor, invoer: betrekkelijk gebrek.

Wanneer men nu die opgaven onderzoekt en vergelijkt, blijkt daaruit dat de rijst overal zů overvloedig is, dat alle residentiŽn tezamen meer rijst uitvoeren dan er in alle residentiŽn tezamen wordt ingevoerd. Ik herhaal dat hier geen sprake is van uitvoer over zee, waarvan de opgaaf afzonderlijk plaats heeft. De slotsom hiervan is dus de ongerijmde stelling: dat er op Java meer rijst is dan er rijst is. Dàt is toch welvaart!

Ik zei reeds dat de zucht om nooit andere dan goede berichten aan de regering mee te delen, zou overgaan in 't belachelijke, als niet de gevolgen van dit alles zo treurig waren. Welke verbetering immers is er te hopen van veel verkeerds, als er een vooraf bepaald voornemen bestaat, in de berichten aan 't bestuur alles om te buigen en te verdraaien? Wat is er bijvoorbeeld te verwachten van een bevolking die, uit de aard zacht en gedwee, sedert jaren, jaren klaagt over onderdrukking, als zij de ene resident vóór, de andere ná ziet aftreden met verlof of met pensioen, of wegroepen tot een ander ambt, zonder dat er iets geschied is tot herstel der grieven waaronder ze gebukt gaat! Moet niet de gebogen veer eindelijk terugspringen? Moet niet de zolang onderdrukte ontevredenheid -- onderdrukt, opdat men zou kunnen voortgaan ze te loochenen! -- eindelijk overslaan in woede, in wanhoop, in razernij? Ligt er niet een Jacquerie op 't eind van deze weg?

En waar zullen dan de beambten zijn, die sedert jaren elkander opvolgen, zonder ooit op 't denkbeeld te zijn gekomen, dat er iets hogers bestaat dan de `gunst der regering'? Iets hogers dan de `tevredenheid van de gouverneur-generaal'? Waar zullen zij dan wezen, de flauwe- berichtenschrijvers die de ogen van 't bestuur door hun onwaarheden verblindden? Zullen dan zij die vroeger de moed misten om een kordaat woord op 't papier te stellen, te wapen vliegen en de Nederlandse bezittingen behouden voor Nederland? Zullen zij aan Nederland de schatten weergeven die er zullen nodig wezen tot demping van oproer, tot het voorkomen van omwenteling? Zullen zij 't leven weergeven aan de duizenden die er vielen door hun schuld?

En die ambtenaren, die controleurs en residenten, zijn niet de meest schuldigen! Het is de regering zelf die, als geslagen met onbegrijpelijke blindheid, het indienen van gunstige berichten aanmoedigt, uitlokt en beloont. Vooral is dit het geval, waar sprake is van onderdrukking der bevolking door inlandse hoofden.

Door velen wordt dit beschermen van de hoofden toegeschreven aan de onedele berekening dat zij, pracht en praal moetende ten toon spreiden om op de bevolking de invloed uit te oefenen die de regering nodig heeft om hŠŠr gezag staande te houden, daartoe een veel hogere bezoldiging zouden moeten genieten dan thans 't geval is, wanneer men hun niet de vrijheid liet het ontbrekende aan te vullen door onwettige beschikking over de bezittingen en de arbeid van 't volk. Hoe dit zij, de regering gaat niet dan node over tot het toepassen der bepalingen die de Javaan tegen afpersing en roof heten te beschermen. Meestal weet men in onbeoordeelbare en vaak uit de lucht gegrepen redenen van staatkunde, een oorzaak te vinden om die regent of dat hoofd te sparen, en 't is dan ook in IndiŽ een tot spreekwoord geijkte mening dat het gouvernement liever tien residenten zou ontslaan dan ťťn regent. Ook die voorgewende politieke redenen -- als ze op iets gevestigd zijn -- steunen gewoonlijk op valse opgaven, daar iedere resident belang heeft bij 't verheffen van de invloed zijner regenten op de bevolking, om daarachter zich te verschuilen als er later eenmaal aanmerking mocht vallen op te grote inschikkelijkheid omtrent die hoofden.

Ik ga nu de afschuwelijke huichelarij voorbij van de menslievend luidende bepalingen -- en van de eden! -- die de Javaan tegen willekeur beschermen ... op 't papier, en verzoek de lezer zich te herinneren hoe Havelaar bij 't naspreken van die eden iets te kennen gaf dat denken deed aan minachting. Voor 't ogenblik wil ik alleen wijzen op het moeilijke van de toestand des mans die, geheel ŗnders dan uit kracht ener uitgesproken formule, zich gebonden achtte aan zijn plicht.

En voor hem was deze moeilijkheid groter nog dan ze voor sommige anderen zou geweest zijn, omdat zijn gemoed zacht was, geheel in tegenspraak met zijn doorzicht dat de lezer nu wel als vrij scherp zal hebben leren kennen. Hij had dus niet alleen te strijden met vrees voor mensen of met de zorg voor loopbaan en bevordering, noch ook alleen met de plichten die hij als echtgenoot en huisvader te vervullen had: hij moest een vijand overwinnen in zijn eigen hart. Hij kon niet zonder lijden leed zien, en 't zou mij te ver leiden als ik de voorbeelden wilde aanvoeren hoe hij immer, ook waar hij gekrenkt en beledigd was, de partij van een tegenstander beschermde tegen zich zelf. Hij verhaalde aan Duclari en Verbrugge hoe hij in zijn jeugd iets aantrekkelijks had gevonden in het duel met de sabel, 'tgeen de waarheid was... doch hij zei er niet bij hoe hij na 't wonden van zijn tegenpartij gewoonlijk schreide, en zijn gewezen vijand als een liefdezuster verpleegde tot de genezing toe. Ik zou kunnen verhalen hoe hij te Natal de kettingganger die op hem geschoten had bij zich nam, de man vriendelijk toesprak, hem voeden liet en vrijheid gaf boven alle anderen, omdat hij meende te ontdekken dat de verbittering van die veroordeelde 't gevolg was van een, elders geslagen, te streng vonnis. Gewoonlijk werd de zachtheid van zijn gemoed Úf ontkend, Úf belachelijk gevonden. Ontkend door wie zijn hart verwarde met zijn geest. Belachelijk gevonden door wie niet begrijpen kon hoe een verstandig mens zich moeite gaf om een vlieg te redden, die vastgeraakt was in het web ener spin. Ontkend weer door ieder -- buiten Tine -- die hem daarna hoorde schimpen op die `domme dieren' en op de `domme natuur' die zulke dieren schiep.

Maar nog een andere wijze bestond er om hem neer te halen van 't voetstuk waarop zijn omgeving -- men mocht hem beminnen of niet -- wel gedwongen was hem te plaatsen. `Ja, hij is geestig, maar... er is vluchtigheid in zijn geest.' Of: `Hij is verstandig, maar... hij gebruikt zijn verstand niet goed.' Of: `Ja, hij is goedhartig, maar... hij koketteert ermee!'

Voor zijn geest, voor zijn verstand, trek ik geen partij. Maar zijn hart? Arme spartelende vliegjes die hij redde als hij geheel alleen was, wilt gij dat hart verdedigen tegen de beschuldiging van koketterie?

Maar ge zijt weggevlogen, en hebt u niet bekommerd om Havelaar, gij die niet weten kon dat hij eenmaal behoefte hebben zou aan uw getuigenis!

Was 't koketterie van Havelaar, toen hij te Natal een hond -- Sappho heette het dier -- nasprong in de riviermonding, omdat hij vreesde dat het nog jonge dier niet goed genoeg zwemmen kon om de haaien te ontwijken die daar zo menigvuldig zijn? Ik vind zulk koketteren met goedhartigheid moeilijker te geloven dan de goedhartigheid zelf.

Ik roep u op, u, de velen die Havelaar gekend hebt -- wanneer ge niet verstijfd zijt door winterkou en dood ... als de geredde vliegen, of verdroogd door de hitte daarginds onder de linie! -- ik roep u op om getuigenis te geven van zijn hart, gij allen die hem hebt gekend! Thans vooral roep ik u op met vertrouwen, omdat ge niet meer nodig hebt te zoeken waar de koord moet worden ingehaakt om hem neer te halen van welke luttele hoogte ook.

Intussen, hoe bont het schijne, zal ik hier plaats geven aan enige regels van zijn hand, die zulke getuigenissen misschien overbodig maken. Max was eens verre, verre weg van vrouw en kind. Hij had haar in IndiŽ moeten achterlaten, en bevond zich in Duitsland. Met de vlugheid die ik hem toeken, doch die ik niet in bescherming neem als men ze mocht willen aantasten, maakte hij zich meester van de taal des lands waar hij enige maanden verkeerd had. Ziehier die regels, die tegelijkertijd de innigheid schetsen van de band die hem aan de zijnen hechtte.

-- Mein Kind, da schl&anml;gt die neunte Stunde, hör!
Der Nachtwind säuselt, und die Luft wird kühl,
Zu kühl für dich vielleicht: dein Stirnchen glüht!
Du hast den ganzen Tag so wild gespielt,
Und bist wohl mude, komm, dein Tikar harret.
-- Ach, Mutter, lass mich noch 'nen Augenblick!
Es is so sanft zu ruhen hier... und dort,
Da drin auf meiner Matte, schlaf ich gleich,
Und weiss nicht einmal was ich tr&aauml;ume! Hier
Kann ich doch gleich dir sagen was ich träume,
Und fragen was mein Träum bedeutet ... hör,
Was war das?

-- 's War ein Klapper der da fiel.
-- Tut das dem Klapper weh?
-- Ich glaube nicht,
Man sagt, die Frucht, der Stein, hat kein Gefuhl.
-- Doch eine Blume, fühlt die auch nicht?
-- Nein, Man sagt, sie fühle nicht.
-- Warum denn, Mutter,
Als gestern ich die Pukul ampat brach
Hast du gesagt: es tut der Blume weh?
-- Mein Kind, die Pukul ampat war so schön
Du zogst die zarten Blättchen roh entzwei,
Das tat mir für die arme Blume leid.
Wenngleich die Blume selbst es nicht gefühlt,
Ich fuhlt' es für die Blume, weil sie schön war.
-- Doch, Mutter, bist du auch schön?
-- Nein, mein Kind,
Ich glaube nicht.
-- Allein du hast Gefühl?
-- Ja, Menschen haben's ... doch nicht alle gleich.
-- Und kann dir etwas weh tun? Tut dir's weh,
Wenn dir im Schoss so schwer mein Köpfchen ruht?
-- Nein, das tut mir nicht weh!
-- Und, Mutter, ich ...
Hab ich Gefühl?
-- Gewiss! Erinn're dich
Wie du, gestrauchelt einst, an einem Stein
Dein Händchen hast verwundet, und geweint.
Auch weintest du, als Saudien dir erzahlte
Dass auf den Hügeln dort, ein Schäflein tief
In eine Schlucht hinunter fiel, und starb.
Da hast du lang geweint ... das war Gefühl.
-- Doch, Mutter, ist Gefühl denn Schmerz?
-- Ja, oft!
Doch ... immer nicht, bisweilen nicht! Du weisst,
Wenn's Schwesterlein dir in die Haare greift,
Und krähend dir 's Gesichtchen nahe drückt,
Dann lachst du freudig, das ist auch Gefühl.
-- Und dann mein Schwesterlein ... es weint so oft,
Ist das vor Schmerz? Hat sie denn auch Gefühl?
-- Vielleicht, mein Kind, wir wissen's aber nicht,
Weil sie, so klein, es noch nicht sagen kann.
-- Doch, Mutter... höre, was war das?
-- Ein Hirsch
Der sich verspätet im Gebüsch, und jetzt
Mit Eile heimwärts kehrt, und Ruhe sucht
Bei andren Hirschen die ihm lieb sind.
-- Mutter,
Hat solch ein Hirsch ein Schwesterlein wie ich?
Und eine Mutter auch;
-- Ich weiss nicht, Kind.
-- Das würde traurig sein, wenn's nicht so wäre! Doch, Mutter, seh'... was schimmert dort im strauch?
Seh' wie es hüpft und tanzt ... ist das ein Funk?
-- 's Ist eine Feuerfliege.
-- Darf ich 's fangen?
-- Du darfst es, doch das Flieglein ist so zart,
Du wirst gewiss es weh tun, und sobald
Du 's mit den Fingern allzu roh berührst,
Ist 's Tierchen krank, und stirbt, und glänzt nicht mehr.
-- Das ware Schade! Nein, ich fang' es nicht!
Seh', da verschwand es ... nein, es kommt hierher...
Ich fang' es doch nicht! Wieder fliegt es fort,
Und freut sich dass ich's nicht gefangen habe!
Da fliegt es ... hoch! Hoch, oben ... was ist das,
Sind das auch Feuerflieglein dort?
-- Das sind
Die Sterne.
-- Ein, und zehn, und tausend!
Wieviel sind denn wohl da?
-- Ich weiss es nicht,
Der Sterne Zahl hat niemand noch gezählt.
-- Sag', Mutter, zählt auch Er die Sterne nicht?
-- Nein, liebes Kind, auch Er nicht.
-- Ist das weit,
Dort oben wo die Sterne sind?
-- Sehr weit!
-- Doch haben diese Sterne auch Gefühl?
Und würden sie, wenn ich sie mit der Hand
Berührte, gleich erkranken, und den Glanz
Verlieren, wie das Flieglein? -- Seh', noch schwebt es! --
Sag', würd' es auch den Sternen weh tun?
-- Nein,
Weh tut's den Sternen nicht! Doch 's ist zu weit
Für deine kleine Hand: du reichst so hoch nicht.
-- Kann Er die Sterne fangen mit der Hand?
-- Auch Er nicht: das kann niemand!
-- Das ist Schade!
Ich gäb' so gern dir einen! Wenn ich gross bin,
Dann will ich so dich lieben dass ich 's kann.

Das Kind schlief ein. Ihm träumte von Gefuhl,
Von Sternen die es fasste mit der Hand ...
Die Mutter schlief nog lange nicht! Doch träumte
Auch sie, und dacht' an den der fern war...

Ja, op 't gevaar af van bont te schijnen, heb ik aan die regels hier plaats gegeven. Ik wens geen gelegenheid te verzuimen om de man te doen kennen die de hoofdrol vervult in mijn verhaal, opdat hij de lezer enig belang inboezeme wanneer later donkere wolken zich samentrekken over zijn hoofd.