Naar het vorige hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk.

Vijftiende hoofdstuk

Havelaars voorganger, die wel het goede wilde doch tevens de hoge ongenade van de regering enigszins scheen gevreesd te hebben -- de man had veel kinderen, en geen vermogen -- had alzo liever met de resident gesproken over wat hij zelf verregaande misbruiken noemde, dan die ronduit te noemen in een officieel bericht. Hij wist dat een resident niet gaarne een schriftelijk rapport ontvangt, dat in zijn archief blijft liggen en later kan gelden als bewijs dat hij tijdig was opmerkzaam gemaakt op deze of gene verkeerdheid, terwijl een mondelinge mededeling hem zonder gevaar de keus laat tussen 't al of niet gevolg geven aan een klacht. Zulke mondelinge mededelingen hadden gewoonlijk een onderhoud ten gevolge met de regent, die natuurlijk alles ontkende en op bewijzen aandrong. Dan werden de lieden opgeroepen die de stoutheid hadden gehad zich te beklagen, en kruipende voor de voeten van de Adipati, baden zij om verschoning. `Nee, die buffel was hun niet afgenomen om niet, ze geloofden wel dat daarvoor een dubbele prijs zou betaald worden'. `Nee, ze waren niet afgeroepen van hun velden om zonder betaling te arbeiden in de sawahs van de regent, ze wisten zeer goed dat de Adipati hen later ruim zou beloond hebben.' `Ze hadden hun aanklacht ingebracht in een ogenblik van ongegronde wrevel... ze waren waanzinnig geweest, en smeekten dat men hen straffen mocht voor zulke verregaande oneerbiedigheid!'

Dan wist de resident wel wat hij over die intrekking der aanklacht te denken had, maar dat intrekken gaf hem niettemin een schone gelegenheid om de regent te handhaven in ambt en eer, en hemzelf was de onaangename taak bespaard de regering te `bemoeilijken' met een ongunstig bericht. De roekeloze aanklagers werden met rottingslagen gestraft, de regent had gezegepraald, en de resident keerde naar de hoofdplaats terug, met het aangenaam bewustzijn die zaak alweer zo goed `geschipperd' te hebben.

Maar wat moest nu de assistent-resident doen, als de volgende dag weer andere klagers zich bij hem aanmeldden? Of -- en dit geschiedde dikwijls -- als dezelfde klagers terugkeerden en hun intrekking introkken? Moest hij weer die zaak op zijn nota schrijven, om weer daarover te spreken met de resident, om weer dezelfde komedie te zien spelen, alles op 't gevaar af van in het eind door te gaan voor iemand die -- dom en boosaardig dan -- telkens beschuldigingen voorbracht welke gedurig moesten worden afgewezen als ongegrond? Wat moest er worden van de zo nodige vriendschappelijke verhouding tussen 't voornaamste inlandse hoofd en de eerste Europese ambtenaar, als deze gedurig scheen gehoor te geven aan valse aanklachten tegen dat hoofd? En vooral, wat werd er van die arme klagers nadat ze waren weergekeerd in hun dorp, onder de macht van het districts- of dorpshoofd dat ze hadden aangeklaagd als uitvoerder van des regents willekeur? Wat er van die klagers werd? Wie vluchten kon, vluchtte. Dáárom zwierven er zoveel Bantammers in de naburige provinciën! Dáárom waren er zoveel bewoners van Lebak onder de opstandelingen in de Lampongse districten! Dáárom had Havelaar in zijn toespraak aan de hoofden gevraagd: `Wat is dit, dat er zoveel huizen ledig staan in de dorpen, en waarom verkiezen velen de schaduw der bossen elders, boven de koelte der wouden van Banten Kidoel?'

Doch niet ieder kon vluchten. De man wiens lijk 's morgens de rivier afdreef, nadat hij de vorige avond, in 't geheim, schoorvoetend, angstig, verzocht had om gehoor bij de assistent-resident ... hij had geen behoefte meer aan vlucht. Misschien ware het als menslievendheid te achten, hem door ogenblikkelijke dood te onttrekken aan nog enige tijd leven. Hem bleef de mishandeling gespaard die hem wachtte bij terugkeer in zijn dorp, en de rottingslagen die de straf zijn voor al wie een ogenblik menen kon geen beest te wezen, geen onbezield stuk hout of steen. De straf van wie in een aanval van dwaasheid geloofd had dat er Recht in 't land was, en dat de assistent-resident de wil had, en de macht, om dat Recht te handhaven ...

Was 't niet inderdaad beter die man te beletten de volgende dag bij de assistent-resident terug te keren -- zoals deze hem 's avonds zeggen liet -- en zijn klacht te smoren in 't gele water van de Tjioedjoeng, dat hem zachtkens zou afvoeren van haar monding, gewoon als ze was overbrengster te wezen van die broederlijke groetgeschenken der haaien in 't binnenland aan de haaien in zee?

En Havelaar wist dit alles! Gevoelt de lezer wat er in zijn gemoed omging bij 't bedenken dat hij tot recht-doen geroepen, en daarvoor verantwoordelijk was aan een hogere macht dan de macht van een regering die wel dat recht voorschreef in haar wetten, maar niet altijd even gaarne daarvan de toepassing zag? Gevoelt men hoe hij werd geslingerd door twijfel, niet aan wt hem te doen stond, maar aan de wijze waarop hij te handelen had?

Hij had aangevangen met zachtheid. Hij had tot de Adipati gesproken als `oudere broeder' en wie menen mocht dat ik, ingenomen met de held mijner geschiedenis, de wijze waarop hij sprak, tracht te verheffen boven mate, hore hoe eens na zodanig onderhoud, de regent zijn patih tot hem zond om voor de welwillendheid zijner woorden dank te zeggen, en hoe nog lang daarna die patih, sprekende met de controleur Verbrugge -- nadat Havelaar had opgehouden assistent-resident van Lebak te zijn, nadat er dus van hem niets meer te hopen of te vrezen was -- hoe die patih bij de herinnering aan zijn woorden getroffen uitriep: `Nog nooit heeft enig heer gesproken als hij!'

Ja, hij wilde helpen, terechtbrengen, redden, niet verderven! Hij had medelijden met de regent. Hij, die wist hoe geldgebrek kan drukken, vooral waar het leidt tot vernedering en smaad, zocht naar gronden van verschoning. De regent was oud, en 't hoofd van een geslacht dat op grote voet leefde in naburige provincin, waar veel koffie geoogst en dus veel emolument genoten werd. Was 't niet grievend voor hem, in levenswijs zo ver te moeten achterstaan bij zijn jongere verwanten? Bovendien meende de man, door dweepzucht beheerst, bij 't klimmen zijner jaren het heil van zijn ziel voor bezoldigde bedevaarten naar Mekka en voor aalmoezen aan gebedzingende leeglopers te kunnen inkopen. De ambtenaren die Havelaar in Lebak waren voorafgegaan, hadden niet altijd goede voorbeelden gegeven. En eindelijk maakte de uitgebreidheid der Lebakse familie van de regent, die geheel te zijnen laste leefde, hem het terugkeren tot de goede weg moeilijk.

Zó zocht Havelaar naar gronden om alle strengheid uit te stellen, en nogeens en nógeens te beproeven wat er kon bereikt worden met zachtheid.

En hij ging verder nog dan zachtheid. Met een edelmoedigheid die aan de fouten herinnerde waardoor hij zo arm gemaakt was, schoot hij de regent gedurig op eigen verantwoordelijkheid geld voor, opdat niet behoefte al te sterk zou dringen tot vergrijp, en hij vergat als gewoonlijk zich zelf z ver dat hij aanbood zich en de zijnen tot het strikt nodige te bekrimpen, om de regent te hulp te komen met het weinige dat hij nog van zijn inkomsten zou kunnen uitsparen.

Indien 't nog nodig schijnen mocht, de zachtmoedigheid te bewijzen waarmee Havelaar zijn moeilijke plicht vervulde, zou dit bewijs kunnen gevonden worden in een mondelinge boodschap die hij de controleur opdroeg, toen deze eens naar Serang zou vertrekken: `Zeg de resident, dat hij, horende van de misbruiken die hier plaats vinden, niet gelove dat ik daaromtrent onverschillig ben. Ik maak daarvan niet terstond officiële melding omdat ik de regent, met wie ik medelijden heb, wens te bewaren voor te grote strengheid, daar ik eerst beproeven wil hem door zachtheid tot zijn plicht te brengen.'

Havelaar bleef dikwijls dagen achtereen uit. Als hij thuis was, vond men hem meestal in de kamer die wij op onze plattegrond vinden voorgesteld door 't zevende vak. Daar zat hij gewoonlijk te schrijven, en ontving de personen die om gehoor lieten vragen. Hij had die plek gekozen omdat hij daar in de nabijheid was van zijn Tine die zich gewoonlijk in de kamer daarnaast ophield. Want zó innig waren zij verbonden dat Max, ook als hij bezig was met enige arbeid die aandacht en inspanning vorderde, gedurig behoefte voelde haar te zien of te horen. Het was dikwijls koddig hoe hij op eenmaal tot haar een woord richtte dat in zijn gedachten over de onderwerpen die hem bezighielden opkwam, en hoe snel zij, zonder te weten wat hij behandelde, de zin van zijn mening wist te vatten, die hij haar dan ook gewoonlijk niet toelichtte, als sprak het vanzelf dat zij wel weten zou wat hij bedoelde. Dikwijls ook, als hij ontevreden was over eigen arbeid of pas ontvangen verdrietig bericht, sprong hij op en zei iets onvriendelijks tot haar... die toch geen schuld had aan zijn ontevredenheid! Maar dit hoorde zij gaarne omdat het een bewijs temeer was hoe Max haar verwarde met zichzelf. En nooit ook was er sprake van berouw over zodanige schijnbare hardheid, of van vergiffenis aan de andere zijde. Dit zou hun geweest zijn, als had iemand vergeving gevraagd aan zich zelf, omdat hij in wrevel zich had geslagen voor zijn eigen hoofd.

Zij kende hem dan ook zo goed, dat ze juist wist wanneer ze dr moest zijn om hem een ogenblik verpozing te verschaffen ... juist, wanneer hij behoefte had aan haar raad, en niet minder juist, wanneer ze hem alleen moest laten.

In die kamer zat Havelaar op zekere morgen toen de controleur bij hem binnentrad, met een zoëven ontvangen brief in de hand.

`Dat is een moeilijke zaak, meneer Havelaar,' zei hij onder 't binnentreden. `Zeer moeilijk!'

Wanneer ik nu zeg dat die brief eenvoudig Havelaars last inhield, om op te helderen waarom er een verandering was gekomen in de prijzen van houtwerken en arbeidsloon, zal de lezer vinden dat de controleur Verbrugge al zeer spoedig iets moeilijk vond. Ik haast me dus hierbij te voegen dat veel anderen evenzeer moeilijkheid zouden gevonden hebben in 't beantwoorden van die eenvoudige vraag.

Voor enige jaren was er te Rangkas-Betoeng een gevangenis gebouwd. Nu is 't van algemene bekendheid dat de beambten in de binnenlanden van Java de kunst verstaan gebouwen op te richten die duizenden waard zijn, zonder meer dan evenzovele honderden daarvoor uit te geven. Men verkrijgt daardoor de roep van bekwaamheid en ijver voor 's lands dienst. Het verschil tussen de uitgegeven gelden en de waarde van het daarvoor verkregene, wordt aangevuld door onbetaalde levering of onbetaalde arbeid. Sedert enige jaren bestaan er voorschriften die dit verbieden. Of ze worden nagekomen, is hier de vraag niet. Evenmin of de regering zelf wil dat ze nagekomen worden met een stiptheid die bezwarend werken zou op de begroting van 't bouwdepartement. Het zal hiermee wel gaan zoals met veel andere voorschriften die er zo menslievend uitzien op 't papier.

Nu moesten er te Rangkas-Betoeng nog veel andere gebouwen worden opgericht, en de ingenieurs die met het ontwerpen van de plannen daartoe belast waren, hadden opgaven gevraagd van de plaatselijke prijzen der arbeidslonen en materialen. Havelaar had de controleur belast met een nauwkeurig onderzoek hieromtrent, en hem aanbevolen de prijzen op te geven naar waarheid, zonder terugzicht op wat vroeger geschiedde. Toen Verbrugge aan deze last had voldaan, bleek er dat die prijzen niet overeen kwamen met de opgaven van enige jaren vroeger. Van dit verschil nu werd de reden gevraagd, en dit vond Verbrugge zo moeilijk. Havelaar, die zeer goed wist wat er achter deze schijnbaar eenvoudige zaak schuilde, antwoordde dat hij zijn denkbeelden over die moeilijkheid schriftelijk zou meedelen, en ik vind onder de voor mij liggende stukken een afschrift van de brief die 't gevolg schijnt van deze toezegging.

Wanneer de lezer klagen mocht dat ik hem ophoud met een correspondentie over de prijzen van houtwerken, waarmee hij schijnbaar niet te maken heeft, moet ik hem verzoeken niet onopgemerkt te laten dat hier eigenlijk sprake is van geheel iets anders, van de toestand namelijk der ambtelijke Indische huishouding, en dat de brief die ik meedeel niet alleen een straal van licht temeer werpt op 't kunstmatig optimismus waarvan ik gesproken heb, maar tevens de moeilijkheden schetst, waarmee iemand te kampen had die zoals Havelaar rechtuit en zonder omzien zijn weg wilde gaan.

No 114 Rangkas-Betoeng, 15 maart 1856

Aan de controleur van Lebak,

Toen ik de brief van de directeur der Openbare Werken van de 16de februari l.l., No 271/354 aan u renvoieerde, heb ik u verzocht het daarbij gevraagde, na overleg met de regent, te beantwoorden met inachtneming van wat ik schreef in mijn missive van 5 dezer No 97.

Die missive bevatte enige algemene wenken omtrent hetgeen als billijk en rechtvaardig te beschouwen is bij 't bepalen der prijzen van materialen, door de bevolking te leveren aan, en op last van, het bestuur.

Bij uw missive van 8 dezer, No 6, hebt ge daaraan -- en naar ik geloof, volgens uw beste weten -- voldaan, zodat ik, vertrouwende op uw lokale kennis en die des regents, die opgaven, zoals ze door u waren gesteld, de resident heb aangeboden.

Daarop volgde een missive van die hoofdambtenaar, van 11 dezer, No 326, waarbij inlichting wordt verzocht omtrent de oorzaak van het verschil tussen de door mij opgegeven prijzen, en die welke in 1853 en 1854 bij het opbouwen ener gevangenis besteed werden.

Ik stelde natuurlijk die brief in uw handen, en gelastte u mondeling, alsnu uw opgave te justificeren, hetgeen u te minder moeilijk moest vallen, daar ge u kondet beroepen op de voorschriften u in mijn schrijven van de se dezer gegeven, en die we mondeling meermalen uitvoerig bespraken.

Tot hiertoe is alles eenvoudig en geleidelijk.

Maar gisteren kwaamt ge te mijnen kantore, met de gerenvoieerde brief des residents in de hand, en begon te spreken over de moeilijkheid der afdoening van het daarin voorkomende. Ik ontwaarde bij u wederom zekere schroom om sommige zaken bij de ware naam te noemen, iets waarop ik u reeds meermalen opmerkzaam maakte, onder andere onlangs in tegenwoordigheid van de resident, iets wat ik ter bekorting halfheid noem, en waartegen ik u reeds dikwijls vriendschappelijk waarschuwde.

Halfheid leidt tot niets. Half-goed is niet goed. Half-waar is onwaar.

Voor vol traktement, voor volle rang, na een duidelijke volledige eed, doe men zijn volle plicht.

Is er soms moed nodig die te volvoeren, men bezitte die.

Ik voor mij zou de moed niet hebben die moed te missen. Want, afgescheiden van de ontevredenheid met zichzelf die een gevolg is van plichtverzuim of lauwheid, baart het zoeken naar gemakkelijker omwegen, de zucht om altijd en overal botsing te ontgaan, de begeerte om te `schipperen' meer zorg, en inderdaad meer gevaar, dan men op de rechte weg ontmoeten zal.

Gedurende de loop ener zeer belangrijke zaak, die thans bij 't gouvernement in overweging is, en waarin gij eigenlijk ambtshalve behoorde betrokken te zijn, heb ik u stilzwijgend als het ware neutraal gelaten, en slechts lachend van tijd tot tijd daarop gezinspeeld.

Toen, bijvoorbeeld, onlangs uw rapport over de oorzaken van gebrek en hongersnood onder de bevolking bij mij was ingekomen, en ik daarop schreef: `Dit alles moge de waarheid zijn, het is niet al de waarheid, noch de voornaamste waarheid. De hoofdoorzaak zit dieper', stemdet gij dit volmondig toe, en ik maakte geen gebruik van mijn recht, te eisen dat ge dan ook die hoofdwaarheid noemen zoudt.

Ik had tot mijn inschikkelijkheid vele redenen, en onder andere deze, dat ik 't onbillijk vond op eenmaal iets van u te vorderen, wat vele anderen in uw plaats evenmin zouden presteren, u te dwingen zo op eenmaal de routine van achterhoudendheid en mensenvrees vaarwel te zeggen, die niet zozeer uw schuld is als wel die der leiding welke u te beurt viel. Ik wilde eindelijk eerst u een voorbeeld geven hoeveel eenvoudiger en gemakkelijker het is, zijn plicht geheel te doen dan half:

Thans echter, nu ik de eer heb u weer zoveel dagen langer onder mijn bevelen te zien, en nadat ik u herhaaldelijk in de gelegenheid stelde, principes te leren kennen die -- tenzij ik dwaal -- ten laatste zullen zegevieren, wenste ik dat ge die aannaamt, dat gij u de niet ontbrekende, maar in onbruik geraakte kracht eigen maaktet die er nodig schijnt om altijd naar uw beste weten ronduit te zeggen wat er te zeggen valt, en dat ge dus geheel en al varen liet die onmannelijke schroom om flink voor een zaak uit te komen.

Ik verwacht dus nu een eenvoudige maar volledige opgave van wat u voorkomt de oorzaak te wezen van 't prijsverschil tussen nu en 1853 of 1854

Ik hoop ernstig dat gij geen enkele zinsnede van deze brief zult opnemen, als geschreven met de bedoeling om u te krenken. Ik vertrouw dat ge mij genoeg hebt leren kennen om te weten dat ik niet meer of minder zeg dan ik meen, en bovendien geef ik u nog ten overvloede de verzekering dat mijn opmerkingen eigenlijk minder u betreffen, dan de school waarin ge tot Indisch ambtenaar gevormd zijt.

Deze circonstance atténuante zou echter vervallen wanneer ge, langer met mij omgaande en 't gouvernement onder mijn leiding dienende, voortgingt de slender te volgen waartegen ik mij verzet.

Ge hebt opgemerkt dat ik mij van het `Uwedelgestrenge' heb ontslagen: 't verveelde mij. Doe het ook, en laat onze `weledelheid' en waar 't nodig is onze `gestrengheid' elders en vooral ànders blijken, dan uit die vervelende, zinstorende titulatuur.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR

Het antwoord op deze brief bezwaarde sommigen van Havelaars voorgangers, en bewees dat hij niet zo onrecht had, toen hij de `slechte voorbeelden van vroegere tijd' mede opnam onder de redenen die pleiten konden ter verschoning van de regent.

Ik ben in 't meedelen van deze brief de tijd vooruitgelopen, om reeds nu te doen in 't oog vallen, hoe weinig hulp Havelaar van de controleur te verwachten had, zodra geheel andere, meer belangrijke, zaken zouden moeten genoemd worden bij de rechte naam, wanneer reeds deze ambtenaar, die zonder twijfel een braaf mens was, zo moest worden toegesproken om de waarheid te zeggen waar het slechts de opgaven der prijzen van hout, steen, kalk en arbeidsloon gold. Men beseft alzo dat hij niet alleen te strijden had met de macht der personen die voordeel genoten van misdrijf, maar tevens met de beschroomdheid dergenen die -- hoezeer dat misdrijf evenzeer afkeurende als hij -- zich niet geroepen of geschikt achtten daartegen met de vereiste moed op te treden. Misschien ook zal men na 't lezen van die brief, enigszins terugkomen van de minachting voor de slaafse onderworpenheid van de Javaan die in tegenwoordigheid van zijn hoofd de ingebrachte beschuldiging, hoe gegrond ook, lafhartig terugtrekt. Want, als men bedenkt dat er zoveel oorzaak was tot vrees, zelfs voor de Europese beambte, die dan toch geacht kon worden iets minder bloot te staan aan wraak, wat wachtte dan de arme landbewoner, die in een dorp ver van de hoofdplaats geheel en al in de macht zijner aangeklaagde onderdrukkers verviel? Is 't wonder dat die arme mensen, verschrikt over de gevolgen van hun stoutheid, die gevolgen zochten te ontwijken of te verzachten door deemoedige onderwerping?

En 't was niet alleen de controleur Verbrugge, die zijn plicht deed met een schuwheid als voegen zou aan plichtsverzuim. Ook de djaksa, 't inlands hoofd dat bij de Landraad het ambt van publieke aanklager vervult, trad liefst 's avonds, ongezien en zonder gevolg, in Havelaars woning. Hij, die diefstal moest tegengaan, die 't was opgedragen de sluipende dief te betrappen, hij sloop, als ware hij zelf de dief die betrapping vreesde, met zachte tred het huis aan de achterzijde in, na zich eerst te hebben overtuigd dat geen gezelschap daar was, dat later hem zou kunnen verraden als schuldig aan plichtsbetrachting.

Was 't wonder dat Havelaars ziel bedroefd was, en dat Tine meer dan ooit nodig had zijn kamer binnen te treden om hem op te beuren, als ze zag hoe hij daar zat met de hand onder 't hoofd?

En toch was voor hem 't grootste bezwaar niet gelegen in de schroomvalligheid van wie hem ter zijde stonden, noch in de medeplichtige lafhartigheid van wie zijn hulp hadden ingeroepen. Nee, geheel alleen desnoods zou hij recht doen, met of zonder hulp van anderen dan, ja, tegen allen, al ware 't ook tegen hen zelf die behoefte hadden aan dat recht! Want hij wist hoe hij invloed had op het volk, en hoe -- als eenmaal de arme onderdrukten, opgeroepen om luid en voor 't gerecht te herhalen wat ze hem 's avonds en 's nachts hadden toegefluisterd in eenzaamheid -- hij wist hoe hij de macht had op hun gemoederen te werken, en hoe de kracht zijner woorden sterker zijn zou dan de angst voor wraak van districtshoofd of regent. De vrees dat zijn beschermelingen zouden afvallen van hun eigen zaak weerhield hem dus niet. Maar 't kostte hem zoveel die oude Adipati aan te klagen: dt was de reden van zijn tweestrijd! Want ook aan de andere kant mocht hij niet toegeven in deze weerzin, daar de gehele bevolking, afgescheiden nog van haar goed recht, evenzeer aanspraak had op medelijden.

Vrees voor eigen leed had geen deel in zijn twijfel. Want al wist hij hoe ongaarne in 't algemeen de regering een regent ziet aanklagen, en hoeveel gemakkelijker 't sommigen valt de Europese beambte brodeloos te maken dan een inlands hoofd te straffen, hij had een bijzondere reden om te geloven dat er juist op dit ogenblik bij de beoordeling van zulke zaak andere grondstellingen dan de gewone zouden voorheersen. Het is waar dat hij, ook zonder deze mening, evenzeer zijn plicht zou gedaan hebben, te liever zelfs als hij 't gevaar voor zich en de zijnen groter had geacht dan ooit. We zeiden reeds dat moeilijkheid hem aantrok, en hoe hij dorstte naar opoffering. Doch hij meende dat de aanlokkelijkheid van een zelfoffer hier niet bestond, en vreesde -- als hij in 't eind zou moeten overgaan tot ernstige strijd tegen 't onrecht -- zich te moeten spenen van 't ridderlijk genoegen die strijd te hebben aangevangen als de zwakste.

Ja, dit vreesde hij. Hij meende dat er aan 't hoofd van de regering een gouverneur-generaal stond die zijn bondgenoot wezen zou, en 't was een eigenaardigheid temeer in zijn karakter, dat deze mening hem van strenge maatregelen terughield, langer juist dan iets anders hem zou weerhouden hebben, omdat het hem stuitte het Onrecht aan te grijpen op een ogenblik dat hij 't Recht voor sterker hield dan gewoonlijk. Ik zei immers reeds in de proeve der beschrijving van zijn inborst, dat hij naef was bij al zijn scherpte?

Laat ons trachten op te helderen hoe Havelaar tot die mening gekomen

Zeer weinig Europese lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van de hoogte waarop een gouverneur-generaal staan moet als mens, om niet beneden de hoogte zijner bediening te blijven, en 't gelde dan ook niet als een te streng oordeel wanneer ik de mening aankleef dat zeer weinigen, geen misschien, aan zó zware eis hebben kunnen beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen die daartoe nodig zijn, vestige men slechts 't oog op de duizelingwekkende hoogte waarop zo eensklaps de man wordt geplaatst, die gisteren nog eenvoudig burger -- heden macht heeft over miljoenen onderdanen. Hij die voor weinig tijd nog verscholen was onder zijn omgeving, zonder daarboven uit te steken in rang of gezag, voelt zich op eenmaal, onverwachts meestal, opgeheven boven een menigte, oneindig groter dan de kleine kring die hem vroeger toch geheel voor 't oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan de duizeling van iemand die onverwachts een afgrond voor zich ziet, of aan de blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zijn de zenuwen van gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zij overigens van buitengewone sterkte.

Indien alzo reeds in zich zelf de benoeming tot gouverneur-generaal veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van dezulke die uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van personen die reeds voor die benoeming leden aan veel gebreken? En al stellen we voor een ogenblik dat de Koning altijd goed is voorgelicht, als hij zijn hoge naam tekent onder de akte waarin hij zegt overtuigd te wezen van de `goede trouw, de ijver en de bekwaamheden' des benoemden stedehouders, al nemen wij aan dat de nieuwe onderkoning ijverig, trouw en bekwaam is, dan nog blijft het de vraag of die ijver, en vooral of die bekwaamheid, bij hem bestaat in een mate, hoog genoeg verheven boven middelmatigheid, om aan de eisen van zijn roeping te voldoen.

Want de vraag kan niet zijn of de man die te 's-Gravenhage voor 't eerst als gouverneur-generaal het kabinet des Konings verlaat, op dt ogenblik de bekwaamheid bezit die nodig zal wezen voor zijn nieuwe ambt ... dit is onmogelijk! Met de betuiging van vertrouwen op zijn bekwaamheid kan slechts de mening bedoeld zijn dat hij in een geheel nieuwe werkkring, op een gegeven ogenblik, bij ingeving als 't ware, weten zal wat hij te 's-Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere woorden: dat hij een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genien zijn zeldzaam, zelfs onder personen die in gunste staan bij koningen.

Daar ik van genieën spreek, gevoelt men dat ik wil overslaan wat er zou te zeggen vallen van zo menige landvoogd. Ook zou 't me stuiten in mijn boek bladzijden in te voegen die 't ernstige doel van dit werk zouden blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de bijzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorbij, maar als algemene ziektegeschiedenis van de gouverneurs-generaal, meen ik te mogen opgeven: Eerste stadium. Duizeling. Wierook-dronkenschap. Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van `oud-gasten'. Tweede stadium. Afmatting. Vrees. Moedeloosheid. Neiging tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op de Raad van Indi. Afhankelijkheid van de Algemene Secretarie. Heimwee naar een Hollandse buitenplaats.

Tussen deze beide stadiën in, en als overgang -- misschien zelfs als oorzaak van die overgang -- liggen dysenterische buikaandoeningen.

Ik vertrouw dat velen in Indië me dankbaar zullen wezen voor deze diagnose. Ze is nuttig toe te passen, want men kan voor zeker houden dat de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een mug, later -- na de buikziekte! -- zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of, om duidelijker te spreken, dat een beambte die `geschenken aanneemt, niet met het doel zich te verrijken' -- bijvoorbeeld een bos pisang ter waarde van enige duiten -- met smaad en schande zal worden weggejaagd in de eerste periode der ziekte, maar dat iemand die 't geduld heeft het laatste tijdperk af te wachten, zeer gerust en zonder enige vrees voor straf, zich zal kunnen meester maken van de tuin waar de pisang groeide, met de tuinen die daarnaast liggen erbij ... van de huizen die in de omtrek staan ... van wat er in die huizen is ... en van nog een en ander meer, ad libitum.

Ieder doe met deze pathologisch-wijsgerige opmerking zijn voordeel, en houde mijn raad geheim, ter voorkoming van te grote mededinging...

Vervloekt, dat verontwaardiging en droefheid zo vaak zich moeten kleden in 't lappenpak van de satire! Vervloekt, dat een traan, om begrepen te worden, moet verzeld gaan van gegrijns! Of is 't de schuld mijner onbedrevenheid, dat ik geen woorden vind om de diepte te peilen van de wonde die er kankert aan ons staatsbestuur, zonder mijn stijl te zoeken bij Figaro of Polichinelle?

Stijl ...ja! Daar liggen stukken voor mij, waarin stijl is. Stijl die aantoonde dat er een mens in de buurt was, een mens wie het de moeite waard geweest ware, de hand te reiken! En wat heeft die stijl de arme Havelaar gebaat? Hij vertaalde zijn tranen niet in gegrijns, hij spotte niet, hij zocht niet te treffen door bontheid van kleur of door de grappen van de uitroeper voor de kermistent ... wat heeft het hem gebaat?

Kon ik schrijven zoals hij, ik zou ànders schrijven dan hij.

Stijl? Hebt ge gehoord hoe hij sprak tot de hoofden? Wat heeft het hem gebaat?

Kon ik spreken zoals hij, ik zou ànders spreken dan hij.

Weg met gemoedelijke taal, weg met zachtheid, rondborstigheid, duidelijkheid, eenvoud, gevoel! Weg met al wat herinnert aan Horatius' justum ac tenacem! Trompetten hier, en scherp gekletter van bekkenslag, en gesis van vuurpijlen, en gekras van valse snaren, en hier en daar een waar woord, dat het mee insluipe als verboden waar, onder bedekking van zoveel getrommel en zoveel gefluit?

Stijl? Hij had stijl! Hij had teveel ziel om zijn gedachten te verdrinken in de `ik heb de eers' en de `edelgestrengheden' en de `eerbiedig-in-overweging-gevingen' die de wellust uitmaken van de kleine wereld waarin hij zich bewoog. Als hij schreef, doordrong u iets bij 't lezen, dat u begrijpen deed hoe er wolken dreven bij dat onweer, en dat ge niet het gerammel hoorde van een blikken toneeldonder. Als hij vuur sloeg uit zijn denkbeelden, voelde men de hitte van dat vuur, tenzij men geboren kommies was, of gouverneur-generaal, of schrijver van 't walgelijkste verslag over `rustige rust'. En wat heeft het hem gebaat?

Als ik dus wil worden gehoord -- en verstaan vooral! -- moet ik ànders schrijven dan hij. Maar hoe dan?

Zie, lezer, ik zoek naar 't antwoord op dat hoe, en daarom heeft mijn boek een zo bont aanzien. Het is een staalkaart: bepaal uw keuze. Later zal ik u geel of blauw of rood geven naar uw wens.

Havelaar had de gouverneurs-ziekte reeds zo dikwijls waargenomen bij zovéél lijders -- en vaak in anima vili, want er zijn analogische residents-, controleurs- en surnumerairsziekten, die tot de eerste in verhouding staan als mazelen tot pokken, en eindelijk: hijzelf had aan die ziekte geleden! -- reeds z dikwijls had hij dat alles waargenomen, dat hij de verschijnselen daarvan vrijwel kende. Hij had de tegenwoordige gouverneur-generaal in 't begin van de ongesteldheid minder duizelig gevonden dan de meeste anderen, en hij besloot hieruit dat ook de verdere loop der ziekte een andere richting nemen zou.

Het was om deze reden dat hij vreesde de sterkste te zullen zijn, wanneer hij in 't eind zou moeten optreden als verdediger van het goed recht der inwoners van Lebak.