Naar het vorige hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk.

Achttiende hoofdstuk

't Was namiddag. Havelaar trad uit de kamer, en vond zijn Tine in de voorgalerij, hem wachtende met de thee. Mevrouw Slotering trad haar huis uit en scheen zich naar de Havelaars te willen begeven, maar eensklaps wendde zij zich naar 't hek, en wees daar met vrij hevige gebaren een man terug die even tevoren was binnengetreden. Ze bleef staan tot zij zich verzekerd had dat hij naar buiten was teruggegaan, en keerde daarop langs het grasveld naar Havelaars huis terug.

`Ik wil toch eindelijk eens weten wat dit beduidt!' zei Havelaar, en toen de begroeting voorbij was, vroeg hij op schertsende toon, om haar niet te doen menen dat hij haal een weinig je gezag misgunde, op een erf dat vroeger 't hare was:

`Wel, mevrouw, zeg me toch eens waarom u de mensen die 't erf betreden, zo terugzendt? Als die man van zoëven nu eens iemand was die kippen te koop had, of iets anders wat nodig kon zijn voor de keuken?'

Er vertoonde zich op 't gelaat van mevrouw Slotering een pijnlijke trek die niet ontsnapte aan Havelaars blik. `Ach,' zei zij, `er is zoveel slecht volk!' `Zeker, dat is er overal. Maar als men 't de mensen zo moeilijk maakt, zullen de goeden ook wegblijven. Komaan, mevrouw, vertel me toch eens ronduit waarom ge zo streng opzicht houdt over 't erf?'

Havelaar zag haar aan, en trachtte vergeefs het antwoord te lezen in haar vochtig oog. Hij drong iets sterker op verklaring aan ... de weduwe berstte in tranen uit, en zei dat haar man ten huize van het districtshoofd te Parang-Koedjang vergiftigd was.

`Hij wilde rechtvaardig zijn, meneer Havelaar', ging de arme vrouw voort, `hij wilde een eind maken aan de mishandeling waaronder de bevolking zucht. Hij vermaande en dreigde de hoofden, in vergaderingen en schriftelijk ... ge moet zijn brieven gevonden hebben in 't archief?

Dit was zo. Havelaar had die brieven gelezen, waarvan afschriften voor mij liggen.

`Hij sprak telkens met de resident,' vervolgde de weduwe, `maar altijd vergeefs. Want daar 't van algemene bekendheid was dat de knevelarij plaats had ten behoeve en onder bescherming van de regent, wie de resident niet bij de regering wilde aanklagen, leidden al die gesprekken tot niets dan tot mishandeling van de klagers. Daarom had mijn arme man gezegd dat hij, als er geen verbetering kwam vr 't einde des jaars, zich rechtstreeks wenden zou tot de gouverneur-generaal. Dat was in november. Hij ging kort daarna op een inspectiereis, gebruikte het middagmaal ten huize van de demang van Parang-Koedjang, en werd kort daarop in deerniswaarde toestand thuis gebracht. Hij riep, op de maag wijzende: ``Vuur, vuur!'' en weinige uren later was hij dood, hij die altijd een voorbeeld was geweest van goede gezondheid.'

`Hebt ge de dokter van Serang laten roepen?' vroeg Havelaar.

`Ja, maar hij heeft mijn echtgenoot slechts kort behandeld, omdat deze kort na zijn komst gestorven is. Ik durfde de dokter mijn vermoeden niet meedelen, omdat ik wegens mijn toestand voorzag deze plaats niet spoedig te kunnen verlaten, en bevreesd was voor wraak. Ik heb gehoord dat gij evenals mijn echtgenoot u verzet tegen de misbruiken die hier heersen, en daarom heb ik geen gerust ogenblik. Ik had dit alles voor u willen verbergen om u en mevrouw niet angstig te maken, en bepaalde mij dus tot het bewaken van tuin en erf, opdat geen vreemden toegang zouden hebben tot de keuken.'

Nu werd het Tine duidelijk waarom mevrouw Slotering haar eigen huishouding was blijven voeren, en zelfs geen gebruik had willen maken van de keuken `die toch zo ruim was.'

Havelaar liet de controleur roepen. Intussen richtte hij aan de geneesheer te Serang een verzoek om opgave der verschijnselen bij Sloterings dood. Het antwoord dat hij op deze vraag bekwam, was niet in de geest der vermoedens van de weduwe. Volgens de arts was Slotering gestorven aan een `abces in de lever'. Het is me niet gebleken of zodanige kwaal zich zo kan openbaren op eenmaal, en de dood veroorzaken in weinige uren. Ik geloof hier te moeten achtslaan op de verklaring van mevrouw Slotering dat haar echtgenoot vroeger altijd gezond geweest was. Doch als men geen waarde hecht aan zodanige verklaring -- omdat de opvatting van 't begrip: gezondheid, vooral in de ogen van niet- geneeskundigen, zeer onderwerpelijk is -- blijft toch de gewichtige vraag bestaan, of iemand die heden sterft aan een `abces in de lever' zich gister kon te paard zetten met het doel om een bergachtige landstreek te inspecteren die in sommige richtingen twintig uren breed is? De arts die Slotering behandelde kan een bekwaam geneesheer geweest zijn, en zich niettemin vergist hebben in 't beoordelen van de verschijnselen der ziekte, onvoorbereid als hij was op 't vermoeden van misdaad.

Hoe dit zij, ik kan niet bewijzen dat Havelaars voorganger vergiftigd was, daar men Havelaar de tijd niet heeft gelaten deze zaak tot klaarheid te brengen. Doch wel kan ik bewijzen dat zijn omgeving hem voor vergiftigd hield, en dat men dit vermoeden vastknoopte aan zijn zucht om onrecht te keer te gaan.

De controleur Verbrugge trad de kamer van Havelaar binnen. Deze vroeg kortaf:

`Waaraan is meneer Slotering gestorven?

`Dat weet ik niet.'

`Is hij vergiftigd?'

`Dat weet ik niet, maar...'

`Spreek duidelijk, Verbrugge!'

`Maar hij trachtte de misbruiken te keer te gaan, zoals u, meneer Havelaar, en ... en ...'

`Welnu? Ga voort?

`Ik ben overtuigd dat hij ... zou vergiftigd geworden zijn als hij langer hier was gebleven.'

`Schrijf dat op!'

Verbrugge heeft die woorden opgeschreven. Zijn verklaring ligt voor mij.

`Nog iets. Is 't wáár of is 't niet waar dat er gekneveld wordt in Lebak?'

Verbrugge antwoordde niet. `Antwoord, Verbrugge!'

`Ik durf niet.'

`Schrijf 't op, dat je niet durft!'

Verbrugge heeft het opgeschreven: het ligt voor mij.

`Wèl! Nog iets: je durft niet antwoorden op de laatste vraag, maar je zei me onlangs, toen er sprake was van vergiftiging, dat je de enige steun was van je zusters te Batavia, nietwaar? Ligt dáárin misschien de oorzaak van je vrees, de grond van wat ik altijd halfheid noemde?'

`Ja!'

`Schrijf dat op.'

Verbrugge schreef het op: zijn verklaring ligt voor mij!

`'t Is wèl,' zei Havelaar, `nu weet ik genoeg.' En Verbrugge kon gaan. Havelaar trad naar buiten en speelde met kleine Max die hij met bijzondere innigheid kuste. Toen mevrouw Slotering vertrokken was, zond hij 't kind weg en riep Tine in zijn kamer.

`Lieve Tine, ik heb je een verzoek te doen! Ik wenste dat je met Max naar Batavia ging: ik klaag heden de regent aan.'

En ze viel hem om de hals, en was ongehoorzaam voor het eerst, en riep snikkende:

`Nee Max, nee Max, dat doe ik niet ... dat doe ik niet! Wij eten en drinken te zamen!'

Had Havelaar ongelijk toen hij beweerde dat zij evenmin recht had op neussnuiten als de vrouwen te Arles?

Hij schreef en verzond de brief waarvan ik hier een afschrift geef. Nadat ik enigszins de omstandigheden heb geschetst, waarin dit stuk geschreven werd, geloof ik niet nodig te hebben op kordate plichtsvervulling te wijzen die daarin doorstraalt, evenmin als op de zachtmoedigheid die Havelaar bewoog de regent in bescherming te nemen tegen al te zware straf. Doch niet zo overbodig zal 't wezen, daarbij zijn omzichtigheid te doen opmerken die hem geen woord deed uiten over de pas gedane ontdekking om niet het stellige zijner aanklacht te verzwakken door onzekerheid omtrent een wel belangrijke, maar nog onbewezen beschuldiging. Zijn voornemen was, 't lijk van zijn voorganger te doen opgraven en wetenschappelijk onderzoeken, zodra de regent zou verwijderd zijn en diens aanhang onschadelijk gemaakt. Maar men heeft hem hiertoe de gelegenheid niet gelaten.

In de afschriften van officiële stukken -- afschriften die overigens letterlijk overeenstemmen met het oorspronkelijke -- geloof ik de dwaze titulatuur te mogen vervangen door eenvoudige voornaamwoorden. Van de goede smaak mijner lezers verwacht ik dat zij in deze verandering genoegen nemen.


No 88 Geheim Rangkas-Betoeng, 24 februari 1856

Spoed

Aan de Resident van Bantam,

Sedert ik voor een maand mijn betrekking alhier aanvaardde, heb ik mij hoofdzakelijk beziggehouden met het onderzoek naar de wijze waarop de inlandse hoofden zich kwijten van hun verplichtingen jegens de bevolking op het stuk van herendiensten, poendoetan en dergelijke.

Zeer spoedig ontdekte ik dat de regent op eigen autoriteit, en te zijnen behoeve, mensen liet opkomen, vèr boven het hem wettig toekomend aantal pantjèns en kemits.

Ik weifelde tussen de keus om terstond officieel te rapporteren, en de zucht om door zachtheid, of later zelfs door bedreigingen, die inlandse hoofdambtenaar daarvan terug te brengen, ten einde het tweeledig doel te bereiken om dat misbruik te doen ophouden en tegelijkertijd die oude dienaar van het gouvernement niet terstond al te streng te behandelen, vooral uit aanmerking van de slechte voorbeelden die, naar ik geloof, hem dikwijls gegeven zijn, en in verband met de bijzondere omstandigheid dat hij bezoek verwachtte van twee verwanten, de regenten van Bandoeng en van Tjiandjoer, althans van de laatste -- die, naar ik meen, reeds met groot gevolg op weg is -- en hij dus meer dan anders in de verzoeking was -- en met het oog op de benarde staat zijner geldmiddelen, als het ware in de noodzakelijkheid -- om door onwettige middelen te voorzien in de nodige toebereidselen voor dat bezoek.

Dit alles leidde mij tot zachtheid omtrent hetgeen reeds geschied was, doch geenszins tot toegevendheid voor den vervolge.

Ik drong aan op dadelijke staking van elke onwettigheid.

Van die voorlopige proeve om de regent door zachtheid tot zijn plicht te brengen, heb ik u ondershands doen kennis dragen. Mij is echter gebleken dat hij met brutale onbeschaamdheid alles in de wind slaat, en ik gevoel mij krachtens mijn ambtseed verplicht u mee te delen:

dat ik de regent van Lebak, Raden Adipati Karta Nata Nagara, beschuldig van misbruik van gezag, door het onwettig beschikken over de arbeid zijner onderhorigen, en verdenk van knevelarij, door het vorderen van opbrengsten in natura, zonder, of tegen willekeurig vastgestelde, onvoldoende, betaling;

dat ik voorts de demang van Parang-Koedjang -- zijn schoonzoon -- verdenk van medeplichtigheid aan de genoemde feiten.

Om beide zaken behoorlijk te kunnen instrueren, neem ik de vrijheid u voor te stellen, mij te gelasten:

1. de Regent van Lebak voornoemd, met de meeste spoed naar Serang op te zenden, en zorg te dragen dat hij noch voorzijn vertrek, noch gedurende de reis in de gelegenheid zij, door omkoping of op andere wijze te influenceren op de getuigenissen die ik zal moeten inwinnen;

2. de demang van Parang-Koedjang voorlopig in arrest te nemen;

3. gelijke maatregel toe te passen op zodanige personen van mindere rang, als, behorende tot de familie van de regent, geacht kunnen worden invloed uit te oefenen op de zuiverheid van het in te stellen onderzoek;

4. dat onderzoek terstond te doen plaats hebben, en van de uitslag te dienen van omstandig bericht.

Ik neem de vrijheid u voorts in overweging te geven, de komst des regents van Tjiandjoer te contramanderen.

Ten slotte heb ik de eer -- ten overvloede voor u, die de Afdeling Lebak beter kent dan mij nog mogelijk is -- de verzekering te geven dat uit een politiek oogpunt de streng rechtvaardige behandeling dezer zaak geen het minste bezwaar heeft, en dat ik eer voor gevaar zou beducht zijn als ze niet tot klaarheid gebracht werd. Want ik ben geïnformeerd dat de geringe man die, naar een getuige mij zeide, poessing is van de vexatie, reeds lang naar redding uitziet.

Ik heb de kracht tot de moeilijke plicht die ik door het schrijven van deze brief volbreng, gedeeltelijk geput uit de hoop dat het mij vergund zal wezen te zijner tijd een en ander bij te brengen ter verschoning van de oude regent, met wiens positie, hoezeer door eigen schuld veroorzaakt, ik evenwel diep medelijden gevoel.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR


De volgende dag antwoordde hem ... de resident van Bantam. O nee, de heer Slijmering, particulier!

Dit antwoord is een kostbare bijdrage tot de kennis van de wijze waarop het bestuur in Nederlands-Indi wordt uitgeoefend. De heer Slijmering beklaagde zich `dat Havelaar hem van de zaak die voorkwam in de brief No. 88, niet eerst mondeling had kennis gegeven.' Natuurlijk omdat er dan meer kans ware geweest op `schipperen `. En voorts: `dat Havelaar hem stoorde in zijn drukke bezigheden!'

De man was zeker bezig met een jaarverslag over rustige rust! Ik heb die brief voor mij liggen en vertrouw mijn ogen niet. Ik herlees de brief van de assistent-resident van Lebak ... ik plaats hm en de resident van Bantam, Havelaar en Slijmering naast elkander ...

Die Sjaalman is een gemene schooier! Ge moet weten, lezer, dat Bastiaans weer dikwijls niet op 't kantoor komt, omdat hij de jicht heeft. Daar ik nu een gewetenszaak maak van het wegwerpen der fondsen van de firma -- Last & Co. -- want in principes ben ik onwrikbaar, kwam ik eergister op 't denkbeeld dat Sjaalman toch een tamelijk goede hand schrijft, en daar hij er zo armoedig uitziet, en dus voor matig loon wel zou te krijgen zijn, begreep ik aan de firma verplicht te wezen, op de goedkoopste wijze in de vervanging van Bastiaans te voorzien. Ik ging dus naar de Lange Leidsedwarsstraat. De vrouw van de winkel was voor, doch scheen me niet te herkennen, schoon ik haar onlangs heel duidelijk had gezegd dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie, van de Lauriergracht. Er is altijd iets stuitends in dat niet herkennen, maar omdat het nu wat minder koud is, en ik de vorige keer mijn jas met bont aanhad, schrijf ik het daaraan toe, en trek 't mij niet aan ... de belediging, meen ik. Ik zei dus nogeens, dat ik meneer Droogstoppel was, makelaar in koffie van de Lauriergracht, en verzocht haar te gaan zien of die Sjaalman thuis was, omdat ik niet weer zoals onlangs wilde te doen hebben met zijn vrouw, die altijd ontevreden is. Maar die uitdraagster weigerde naar boven te gaan. `Ze kon niet de hele dag trappen klimmen voor dat bedelvolk,' zei zij, `ik moest maar zelf gaan zien.' En daar volgde weer een beschrijving van de trappen en portalen, die ik volstrekt niet nodig had, want ik herken altijd een plaats waar ik eens geweest ben, omdat ik altijd zo op alles acht geef Dit heb ik mij aangewend in de zaken. Ik klom dus de trappen op, en klopte aan de bekende deur, die terugweek. Ik trad binnen, en daar ik niemand in de kamer vond, zag ik eens rond. Nu, vee, te zien was er niet. Er hing een half broekje met geborduurde strook over een stoel ... wat hoeven zulke mensen geborduurde broekjes te dragen? In een hoek stond een niet zeer zware reiskoffer, die ik in gedachte aan het hengsel vatte, en op de schoorsteenmantel lagen enige boeken die ik eens inzag. Een wonderlijke verzameling! Een paar delen van Byron, Horatius, Bastiat, Béranger, en ... raad eens? Een bijbel, een complete bijbel, met de apocriefe boeken erin! Dàt had ik bij Sjaalman niet verwacht. En er scheen in gelezen te zijn ook, want ik vond veel aantekeningen op losse stukken papier, die betrekking hadden op de Schrift -- hij zegt dat Eva tweemaal ter wereld kwam ... de man is gek! -- nu, alles was van dezelfde hand als de stukken in dat verwenste pak. Vooral 't boek van Job scheen hij ijverig bestudeerd te hebben, want daar gaapten de bladen. ik denk dat hij de hand des Heren begint te voelen, en daarom door lectuur in de heilige boeken zich wil verzoenen met God. Ik heb er niets tegen. Maar, zo, al wachtende, viel mijn oog op een dames-werkdoosje, dat op tafel stond. Zonder erg bezag ik dat. Er waren een paar halfafgewerkte kinderkousjes in, en een tal van zotte verzen. Ook een brief aan Sjaalmans vrouw, zoals uit het opschrift bleek. De brief was geopend, en zag eruit alsof men hem in drift had samengeknepen. Nu is mijn vast principe, nooit iets te lezen dat niet aan mij gericht is, omdat ik dit niet fatsoenlijk vind. Ik doe het dan ook nooit als ik er geen belang bij heb. Maar nu kreeg ik een ingeving dat het mijn plicht was, die brief eens in te zien, omdat de inhoud mij misschien zou voorlichten omtrent de menslievende bedoeling die me tot Sjaalman voerde. Ik dacht eraan, hoe toch de Heer altijd nabij de Zijnen is, daar Hij me hier onverwachts in de gelegenheid stelde, iets meer van die man te weten te komen, en me dus behoedde voor 't gevaar een weldaad te bewijzen aan een onzedelijk persoon. Ik let nauwkeurig op zulke vingerwijzigingen van de Heer, en dit heeft me dikwijls veel nut in de zaken gedaan. Tot mijn grote verwondering zag ik, dat die vrouw van Sjaalman van deftige familie was, althans de brief was getekend door een bloedverwant, wiens naam in Nederland aanzienlijk is, en ik was inderdaad opgetogen over de schone inhoud van dat schrijven. Het scheen iemand te zijn, die ijverig werkt voor de Heer, want hij schreef `dat de vrouw van Sjaalman zich moest laten scheiden van zulk een ellendeling, die haar armoe liet lijden, die zijn brood niet kon verdienen, die bovendien een schurk was, omdat hij schulden had ... dat de schrijver van de brief met haar toestand begaan was, hoewel zij zich dat lot had op de hals gehaald door eigen schuld, daar ze de Heer had verlaten, en Sjaalman aanhing ... dat ze tot de Heer moest terugkeren, en dat dan de hele familie misschien de handen zou innslaan, om haar naaiwerk te bezorgen. Maar vóór alles moest ze scheiden van die Sjaalman, die een ware schande was voor de familie.'

Kortom, in de kerk zelf was niet meer stichting te halen dan er in die brief stond.

Ik wist genoeg, en was dankbaar dat ik op zo wonderbare wijze was gewaarschuwd. Zonder deze waarschuwing toch ware ik zeker weer 't slachtoffer geworden van mijn goede hart. Ik besloot dus nogmaals om Bastiaans maar te houden tot ik een geschikte vervanger vind, want ik zet niet gaarne iemand op straat, en we kunnen op 't ogenblik geen bediende missen, omdat er zoveel bij ons omgaat.

De lezer zal wel nieuwsgierig zijn, te weten hoe ik 't gemaakt heb op de laatste krans, en of ik de triolet heb gevonden. Ik ben niet op de krans geweest. Er zijn wonderlijke dingen voorgevallen: ik ben naar Driebergen geweest, met mijn vrouw en Marie. Mijn schoonvader, de oude Last, de zoon van de eerste Last -- toen de Meyers er nog in waren, maar die zijn er lang uit -- had al zo dikwijls gezegd, dat hij mijn vrouw en Marie eens wilde zien. Nu was 't vrij goed weer, en mijn vrees voor de liefdesgeschiedenis waarmee Stern gedreigd had, bracht mij opeens weer die uitnodiging in de gedachten. Ik sprak erover met onze boekhouder, die een man is van veel ondervinding, en me na rijp beraad in overweging gaf, mij op mijn plan te beslapen. Dit nam ik terstond voor, want ik ben snel in de uitvoering van mijn besluiten. De volgende dag reeds zag ik in, hoe wijs die raad geweest was, want de nacht had mij op het denkbeeld gebracht, dat ik niet beter kon doen dan de beslissing uit te stellen tot vrijdag. Kortom, na rijpelijk alles te hebben overwogen er was veel vr, maar ook veel tegen -- zijn we gegaan, zaterdagmiddag, en maandagmorgen teruggekeerd. Ik zou dit alles niet zo uitvoerig verhalen, als 't niet in nauw verband stond met mijn boek. Ten eerste hecht ik eraan, dat ge zoudt weten, waarom ik niet protesteer tegen de zotternijen die Stern de laatste zondag zeker weer heeft uitgekraamd. -- Wat is dat voor een vertelling, van iemand die wat horen zou als hij dood was? Marie sprak er van. Ze had het van de Rosemeyertjes, die in suiker doen. -- Ten tweede, omdat ik nu opnieuw de zekere overtuiging heb opgedaan, dat al die vertellingen over ellende en onrust in de Oost, klinkklare leugens zijn. Zo ziet men, hoe 't reizen iemand in de gelegenheid stelt, de zaken goed te doorgronden.

Zaterdagavond namelijk, had mijn schoonvader een uitnodiging aangenomen bij een heer die vroeger in de Oost resident was, en nu op een groot buiten woont. Dáár zijn we geweest, en waarlijk, ik kan de lieve ontvangst niet genoeg roemen. Hij had zijn rijtuig gezonden om ons af te halen, en de koetsier had een rood vest aan. Nu was 't nog wel wat te guur om de buitenplaats te bezien, die prachtig moet wezen in de zomer, maar in 't huis zelf verlangde men naar niets meer, want er was volop van alles wat vermaak geeft: een biljartzaal, een bibliotheekzaal, een overdekte ijzeren glasgalerij als broeikas, en de kakatoea zat op een kruk van zilver. Ik had nooit zoiets gezien, en maakte terstond de opmerking, hoe toch altijd goed gedrag beloond wordt. Die man had terdege op zijn zaken gepast, want hij had wel drie ridderorden. Hij bezat een heerlijke buitenplaats, en bovendien een huis te Amsterdam. Aan 't souper was alles getruffeld, en ook de bedienden aan tafel hadden rode vesten aan, net als de koetsier.

Daar ik veel belang stel in Indische zaken -- om de koffie -- bracht ik dáárop het gesprek, en zag al heel spoedig waaraan ik me te houden had. Die resident heeft me gezegd, dat hij 't in de Oost altijd heel goed heeft gehad, en dat er dus geen woord waar is aan al die vertellingen over ontevredenheid onder de bevolking. Ik bracht het gesprek op Sjaalman. Hij kende hem, en wel van een zeer ongunstige zijde. Hij verzekerde mij, dat men zeer goed had gedaan die man weg te jagen, want hij was een zeer ontevreden persoon, die altijd op alles aanmerking maakte, terwijl er bovendien veel viel af te keuren in zijn eigen gedrag. Hij schaakte namelijk telkens meisjes, en bracht die dan bij zijn eigen vrouw, en hij betaalde zijn schulden niet, wat toch zeer onfatsoenlijk is. Daar ik nu uit de brief die ik gelezen had, zo juist wist hoe gegrond al die beschuldigingen waren, deed het me groot genoegen, te zien dat ik de zaken zo goed beoordeeld had, en was ik zeer tevreden met mijzelf. Ik ben hiervoor dan ook bekend bij mijn pilaar ... dat ik altijd zo juist oordeel, meen ik.

Die resident en zijn vrouw waren lieve, gulle mensen. Ze verhaalden ons veel van hun levenswijze in de Oost. Het moet daar toch wel aangenaam wezen. Zij zeiden dat hun buitenplaats bij Driebergen niet half zo groot was als hun `erf', zoals ze dat noemden, in de binnenlanden van Java, en dat daartoe wel honderd mensen nodig waren tot onderhoud. Maar en dit is wel een bewijs hoe bemind ze waren -- dat deden die mensen geheel om niet, en alleen uit genegenheid. Ook verhaalden zij, dat bij hun vertrek de verkoop hunner meubelen wel tienmaal meer dan de waarde had opgebracht, omdat de inlandse hoofden zo graag een aandenken kopen van een resident die goed voor hen geweest is. Ik zei dit later aan Stern, die beweerde dat het door dwang geschiedde, en dat hij dit uit Sjaalmans pak bewijzen kon. Maar ik heb hem gezegd, dat die Sjaalman een lasteraar is, dat hij meisjes heeft geschaakt -- evenals die jonge Duitser bij Busselinck & Waterman -- en dat ik volstrekt geen waarde hecht aan zijn oordeel, want dat ik nu van een resident zelf had gehoord hoe de zaken stonden, en dus van meneer Sjaalman niets te leren had.

Er waren daar nog meer mensen uit de Oost, onder anderen een heer die heel rijk was, en nog altijd veel geld verdiende aan thee, die de Javanen voor hem moeten maken voor weinig geld, en die de regering van hem koopt voor hoge prijs, om de werkzaamheid van die Javanen aan te moedigen. Ook die heer was zeer boos op al de ontevreden mensen, die gedurig spreken en schrijven tegen de regering. Hij kon 't bestuur van de kolonin niet genoeg roemen, want hij zei overtuigd te wezen dat er veel verloren werd op de thee die men van hem kocht, en dat het dus een ware edelmoedigheid was, bij voortduring een zo hoge prijs te betalen voor een artikel dat eigenlijk weinig waarde heeft, en dat hijzelf dan ook niet lustte, want hij dronk altijd Chinese thee. Ook zei hij dat de gouverneur-generaal die de zogenaamde theecontracten had verlengd, in weerwil van de berekening dat er door 't land zoveel verloren wordt op die zaken, zulk een bekwaam braaf mens was, en vooral zulk een trouw vriend voor wie hem vroeger gekend hadden. Want die gouverneur-generaal had zich volstrekt niet gestoord aan de praatjes over 't verlies op de thee, en hem, toen er sprake was van de intrekking dier contracten, ik geloof in 1846, een grote dienst gedaan door te bepalen dat men maar altijd zou voortgaan met het kopen van zijn thee. `Ja,' riep hij uit, `het hart bloedt me als ik zulke edele mensen hoor lasteren! Als hij er niet geweest was, liep ik nu te voet met vrouw en kinderen.' Toen liet hij zijn barouchette voorkomen, en die zag er zó keurig uit, en de paarden staken zó goed in 't vlees, dat ik best begrijpen kan, hoe men gloeit van dankbaarheid voor zulk een gouverneur-generaal. Het doet in de ziel goed, het oog te vestigen op zo liefelijke aandoeningen, vooral wanneer men die vergelijkt met dat verwenste morren en klagen van wezens als zo'n Sjaalman.

De volgende dag bracht die resident ons een bezoek terug, en ook die heer voor wie de Javanen thee maken. 't Zijn beste mensen, en toch deftig van belang! Beiden tegelijk vroegen zij met welke trein we dachten aan te komen te Amsterdam? Wij begrepen niet wat dit betekenen moest, maar later werd het ons duidelijk, want toen we maandagmorgen daar aankwamen, waren er aan de station twee bedienden, n met een rood vest, en n met een geel vest, die tegelijk ons zeiden met de telegraaf last te hebben bekomen, ons af te halen met rijtuig. Mijn vrouw was confuus, en ik dacht eraan, wat Busselinck & Waterman zouden gezegd hebben, als ze dat gezien hadden ... dat er twee rijtuigen tegelijk voor ons waren, meen ik. Maar 't was niet gemakkelijk een keus te doen, want ik kon niet besluiten een der partijen te krenken, door 't afwijzen van een zo lieve attentie. Goede raad was duur. Maar ik heb mij uit die hoogstmoeilijke omstandigheid alweer gered. Ik heb mijn vrouw en Marie in 't rode rijtuig gezet -- in de wagen van 't rooie vest, meen ik -- en ik ben in 't gele gaan zitten ... in 't gele rijtuig, meen ik. Wat die paarden liepen! Op de Weesperstraat, waar 't altijd zo vuil is, vloog de modder rechts en links huizenhoog, en, alsof weer 't spel sprak, daar liep die schooierige Sjaalman, in gebogen houding, met gebukt hoofd, en ik zag hoe hij met de mouw van zijn kaal jasje, zijn bleek gelaat trachtte te reinigen van de spatten. Ik ben zelden prettiger uit geweest, en mijn vrouw vond het ook.