Naar het vorige hoofdstuk.

Twintigste hoofdstuk

't Was avond. Tine zat te lezen in de binnengalerij, en Havelaar tekende een borduurpatroon. Kleine Max toverde een legprent in elkaar, en maakte zich driftig omdat hij niet vinden kon: `Het rooie lijf van die mevrouw.'

`Zou 't nu zo goed wezen, Tine?' vroeg Havelaar. `Kijk, ik heb die palm wat groter gemaakt ... 't is nu juist the line of beauty van Hogarth, nietwaar?'

`Ja, Max! Maar die vetergaten staan te dicht op elkander.'

`Zo? En die andere stroken dan? Max, laat me je broekje eens zien! Ei, heb je die strook aan? Ach, ik weet nog waar je die geborduurd hebt, Tine!'

`Ik niet. Waar dan?'

`'t Was in Den Haag, toen Max ziek was en we zo geschrokken waren omdat de dokter zei dat hij een zo ongewoon gevormd hoofd had, en dat er zoveel zorg vereist werd om aandrang naar de hersenen te voorkomen. Juist in die dagen was je bezig aan die strook.'

Tine stond op, en kuste de kleine.

`Ik hèb haar buik, ik hèb haar buik!' riep 't kind vrolijk, en de rooie mevrouw was compleet.

`Wie hoort daar een tontong slaan?' vroeg de moeder.

`Ik,' zei kleine Max.

`En wat beduidt dat?'

`Bedtijd! Maar... ik heb nog niet gegeten.'

`Eerst krijg je eten, dat spreekt vanzelf.'

En ze stond op, en gaf hem zijn eenvoudig maal dat ze uit een goed gesloten kast in haar kamer scheen gehaald te hebben, want men had het knippen van vele sloten gehoord.

`Wat geef je `m daar?' vroeg Havelaar.

`O wees gerust, Max: 't is beschuit uit een blik van Batavia! En ook de suiker is altijd achter slot geweest.'

Havelaars gedachten keerden terug naar 't punt waarop ze waren afgebroken.

`Weet je wel,' ging hij voort, `dat wij de rekening van die dokter nog niet betaald hebben ... o, dat is zeer hard!'

`Lieve Max, we leven hier zo spaarzaam, weldra zullen wij alles kunnen afdoen! Bovendien, je zult wel spoedig resident worden, en dan is alles geregeld in weinig tijd.'

`Dat is nu juist een zaak die me verdrietig maakt,' zei Havelaar. `Ik zou zo heel ongaarne Lebak verlaten ... dit zal ik je uitleggen. Geloof je niet dat we nog meer van onze Max hielden na zijn ziekte? Nu, zo ook zal ik dat arme Lebak liefhebben na de genezing van de kanker waaraan 't lijdt sedert zoveel jaren. De gedachte aan bevordering doet me schrikken: ik kan hier niet gemist worden, Tine! En toch, aan de andere kant, als ik weer bedenk dat we schulden hebben ...'

`Alles zal wel goed gaan, Max! Al moest je nu van hier, dan kan je later Lebak helpen als je gouverneur-generaal bent.'

Daar kwamen woeste strepen om Havelaars borduurpatroon! Er was toorn in dat bloemsel, die vetergaten werden hoekig, scherp, ze beten elkaar...

Tine begreep dat ze iets miszegd had.

`Lieve Max ...' begon ze vriendelijk.

`Vervloekt! Wil je die stumperds zó lang laten hongeren? Kan jij leven van zand?'

`Lieve Max!'

Maar hij sprong op. Er werd niet meer getekend, die avond. Hij ging toornig op en neer in de binnengalerij en eindelijk sprak hij op een toon die ruw en hard zou geklonken hebben aan iedere vreemde, doch door Tine heel anders werd opgevat:

`Vervloekt die lauwheid, die schandelijke lauwheid! Daar zit ik nu sedert een maand te wachten op recht, en intussen wordt er vreselijk geleden door dat arme volk. De regent schijnt er op te rekenen dat niemand hem aandurft! Zie ...'

Hij ging in zijn kantoor, en kwam terug met een brief in de hand, een brief die voor me ligt, lezer!

`Zie, in deze brief durft hij me voorstellen doen over de soort van arbeid die hij wil laten verrichten door de mensen die hij onwettig heeft opgeroepen. Is dit niet de onbeschaamdheid te vèr gedreven? En weet je wie dat zijn? Dat zijn vrouwen met kleine kinderen, met zuigelingen, zwangere vrouwen die van Parang-Koedjang zijn gedreven naar de hoofdplaats om voor hèm te werken! Mannen zijn er niet meer! En ze hebben niets te eten, en ze slapen op de weg, en eten zand! Kan jij zand eten? Moeten ze zand eten tot ik gouverneur-generaal ben? Vervloekt!'

Tine wist zeer goed op wie Max eigenlijk boos was, als hij zo sprak tot haar die hij zo liefhad.

`En,' ging Havelaar voort, `dat loopt alles te mijner verantwoording! Als er op dit ogenblik van die arme wezens ronddwalen daarbuiten ... als zij 't schijnsel zien van onze lampen, zullen zij zeggen: ``Daar woont de ellendeling die ons beschermen zou! Daar zit hij rustig bij vrouw en kind, en tekent borduurpatroontjes, en wij liggen hier als boshonden op de weg te verhongeren met onze kinderen!'' Ja, ik hoor het wel, ik hoor het wel, dat roepen om wraak over mijn hoofd! Hier, Max, hier!' En hij kuste zijn kind met een wildheid die 't verschrikte.

`Mijn kind, als men je zeggen zal dat ik een ellendeling ben die geen moed had om recht te doen ... dat er zoveel moeders zijn gestorven door mijn schuld ... als men je zeggen zal dat het verzuim van je vader de zegen wegstal van je hoofd ... o Max, o Max, getuig dan wat ik leed!' En hij berstte in tranen uit, die Tine afkuste. Zij bracht daarop kleine Max naar zijn bedje -- een stromat -- en toen ze terugkwam, vond ze Havelaar in gesprek met Verbrugge en Duclari die zoëven waren binnengetreden. Het gesprek liep over de verwachte beslissing van de regering.

`Ik begrijp zeer goed dat de resident in een moeilijke toestand is,' zei Duclari. `Hij kan 't gouvernement niet aanraden gevolg te geven aan uw voorstellen, want dan zou er teveel aan de dag komen. Ik ben reeds lang in 't Bantamse, en weet er veel van, meer nog dan u zelf, meneer Havelaar! Ik was reeds als onderofficier in deze streken, en dan komt men zaken te weten die de inlander zo niet durft zeggen aan de ambtenaren. Maar als nu na een openlijk onderzoek dat alles aan de dag komt, zal de gouverneur-generaal de resident ter verantwoording roepen, en hem afvragen hoe 't komt dat hij in twee jaren niet ontdekt heeft, wat u terstond in 't oog is gevallen? Hij moet dus natuurlijk trachten zodanig onderzoek te voorkomen ...'

`Ik heb dit ingezien,' antwoordde Havelaar, `en, wakker gemaakt door zijn poging om de Adipati te bewegen iets tegen mij in te brengen -- hetgeen schijnt aan te tonen dat hij beproeven wil de kwestie te verleggen, door bijvoorbeeld mij te beschuldigen van ... ik weet niet wat -- heb ik me hiertegen gedekt door afschriften van mijn brieven rechtstreeks aan de regering te zenden. In één daarvan komt het verzoek voor, ter verantwoording te worden geroepen wanneer er misschien mocht worden voorgegeven dat ik iets misdaan had. Als nu de resident mij aantast, kan daarop in gewone billijkheid geen beslissing worden genomen zonder dat men mij vooraf heeft gehoord. Dit is men zelfs een misdadiger schuldig, en daar ik niets misdaan heb ...'

`Daar komt de post aan!' riep Verbrugge. Ja, 't was de post! De post, die de volgende brief meebracht van de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië aan de gewezen assistent-resident van Lebak Havelaar.


Kabinet Buitenzorg, 23 maart 1856

No 54

De wijze, waarop door u is te werk gegaan, bij de ontdekking of vooronderstelling van kwade praktijken van de hoofden in de Afdeling Lebak, en de houding daarbij door u tegenover uw chef, de resident van Bantam, aangenomen, hebben in hoge mate mijn ontevredenheid verwekt.

In uw bedoelde handelingen worden evenzeer gemist bezadigd overleg, beleid en voorzichtigheid, zozeer vereist in een ambtenaar met uitvoering van gezag in de binnenlanden bekleed (sic) als begrippen van ondergeschiktheid aan uw onmiddellijke superieur.

Reeds weinige dagen na de aanvaarding uwer betrekking hebt gij kunnen goedvinden, zonder voorafgaande raadpleging van (sic) de resident, het hoofd van het inlands bestuur te Lebak te maken tot het doelwit van bezwarende onderzoekingen.

In die onderzoekingen hebt gij aanleiding gevonden, zonder zelfs uw beschuldigingen tegen dat hoofd door feiten, veel minder bewijzen te staven, tot het doen van voorstellen, die de strekking hadden een inlands ambtenaar van de stempel van de regent van Lebak, een zestigjarige doch nog ijverige landsdienaar, aan naburige aanzienlijke regentengeslachten vermaagschapt, en omtrent wie steeds gunstige getuigenissen waren uitgebracht, aan een hem moreel geheel vernietigende bejegening te onderwerpen.

Daarenboven hebt gij, toen de resident zich ongenegen betoonde aan uw voorstellen geredelijk gevolg te geven, geweigerd aan het billijk verlangen van uw chef te voldoen, om volle opening te geven van hetgeen'u omtrent de handelingen van het inlands bestuur te Lebak bekend was.

Zulke handelingen verdienen alle afkeuring, en doen lichtelijk geloven aan ongeschiktheid voor het bekleden ener betrekking bij het binnenlands bestuur.

Ik heb mij verplicht gezien, u van de verdere vervulling der betrekking van assistent-resident van Lebak te ontheffen.

Uit aanmerking evenwel van gunstige rapporten, vroeger omtrent u ontvangen, heb ik in het voorgevallene geen reden willen vinden, om u het uitzicht op een wederplaatsing bij het binnenlands bestuur te benemen. Ik heb u daarom voorlopig belast met de waarneming der betrekking van assistent-resident van Ngawi

Van uw verdere handelingen in die betrekking zal het geheel afhangen of gij bij het binnenlands bestuur zult kunnen geplaatst blijven.


En daaronder stond de naam van de man, op wiens `ijver, bekwaamheid en goede trouw' de Koning zei te kunnen staat maken, toen hij diens benoeming tot gouverneur-generaal van Nederlands-Indië ondertekende.

`We gaan van hier, beste Tine,' zei Havelaar gelaten, en hij reikte de kabinetsbrief aan Verbrugge, die 't stuk las te zamen met Duclari.

Verbrugge had tranen in de ogen, maar sprak niet. Duclari, een zeer beschaafd mens, berstte in een wilde vloek uit:

`G ... ik heb hier in 't bestuur schelmen en dieven gezien ... ze zijn in ere van hier gegaan, en men schrijft aan u zulk een brief.'

`'t Is niets,' zei Havelaar, `de gouverneur-generaal is een eerlijk man: hij moet bedrogen zijn ... hoewel hij zich tegen dat bedrog had kunnen hoeden door mij eerst te horen. Hij is verstrikt in 't web van de Buitenzorgse ambtenarij. We kennen dat! Maar ik zal tot hem gaan en hem aantonen hoe hier de zaken staan. Hij zal recht doen, ik ben er zeker van!'

`Maar, als ge naar Ngawi gaat ...'

`Juist, ik weet dit! Te Ngawi is de regent verwant aan het Djokjase hof. Ik ken Ngawi want ik was twee jaar lang in de Baglen, dat in de buurt is. Ik zou te Ngawi hetzelfde moeten doen wat ik hier gedaan heb: dat zou nutteloos heen en weer reizen zijn. Bovendien, 't is mij onmogelijk dienst te doen op de proef alsof ik me slecht gedragen had! En eindelijk, ik zie in dat ik om een eind te maken aan al dat geknoei, geen ambtenaar moet wezen. Als ambtenaar staan er tussen de regering en mij teveel personen die belang hebben bij 't loochenen der ellende van de bevolking. Er zijn nog meer redenen die mij beletten naar Ngawi te gaan. Die plaats was met vacant ... ze is voor mij open gemaakt, kijk!'

En hij toonde in de Javasche Courant die met dezelfde post was aangekomen, dat inderdaad bij 'tzelfde besluit der regering waarbij hem het bestuur van Ngawi werd opgedragen, de assistent-resident van die provincie verplaatst werd naar een andere Afdeling die vacant was.

`Weet ge waarom ik juist naar Ngawi moet, en niet naar die vacante Afdeling? Dat zal ik je zeggen! De resident van Madioen, waaronder Ngawi behoort, is de schoonbroer van de vorige resident van Bantam. Ik heb gezegd dat de regent vroeger zulke slechte voorbeelden had gehad ...'

`Ah,' riepen Verbrugge en Duclari tegelijk. Ze begrepen waarom Havelaar juist naar Ngawi verplaatst werd om op de proef te dienen, of hij zich misschien beteren zou!

`En om nòg een reden kan ik niet daarheen gaan,' zei hij. `De tegenwoordige gouverneur-generaal zal spoedig aftreden ... zijn opvolger ken ik, en ik weet dat er van hem niets te wachten valt. Om dus nog tijdig voor dat arme volk iets te verrichten, moet ik de tegenwoordige gouverneur spreken voor zijn vertrek, en als ik nu naar Ngawi ging, zou dat onmogelijk wezen. Tine, hoor eens!'

`Lieve Max?'

`Je hebt moed, nietwaar?'

`Max, je weet dat ik moed heb ... als ik bij je ben!'

`Welnu!' Hij stond op, en schreef 't volgend rekest, naar mijn inzien een voorbeeld van welsprekendheid.


Rangkas-Betoeng, 29 maart 1856

Aan de Gouverneur-Generaal
van Nederlands-IndiEuml;,

Ik had de eer te ontvangen Uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23 dezer, No 54.

Ik zie me genoodzaakt, in antwoord op dat stuk, Uwe Excellentie te verzoeken mij te verlenen een eervol ontslag uit 's lands dienst.

MAX HAVELAAR


Er was te Buitenzorg tot het verlenen van 't gevraagd ontslag niet zo lange tijd nodig als er scheen vereist geweest te zijn voor de beslissing hoe men Havelaars aanklacht kon afwenden. Dit toch had een maand gevorderd, en 't gevraagde ontslag kwam binnen weinig dagen te Lebak aan.

`Goddank,' riep Tine, `dat je eindelijk je zelf kunt zijn!'

Havelaar ontving geen last om 't bestuur zijner Afdeling voorlopig over te geven aan Verbrugge, en meende dus zijn opvolger te moeten afwachten. Deze bleef lang uit omdat hij uit een geheel andere hoek van Java komen moest. Na bijna drie weken wachten schreef de gewezen assistent-resident van Lebak, die echter nog altijd als zodanig was opgetreden, de volgende brief aan de controleur Verbrugge:


No I53 Rangkas-Betoeng, 15 april 1856

Aan de Controleur van Lebak,

Het is u bewust dat ik bij gouvernementsbesluit van de 4de dezer, No 4, op mijn verzoek eervol ben ontslagen uit 's lands dienst.

Misschien ware ik in mijn recht geweest, na de ontvangst van die beschikking mijn betrekking van assistent-resident terstond neer te leggen, daar het een anomalie schijnt een functie te vervullen zonder ambtenaar te wezen.

Ik ontving evenwel geen aanschrijving om mijn betrekking over te geven, en gedeeltelijk uit besef van de verplichting mijn post niet te verlaten zonder behoorlijk afgelost te zijn, gedeeltelijk uit oorzaken van ondergeschikt belang, wachtte ik de komst van mijn opvolger af, in de mening dat die ambtenaar spoedig -- althans deze maand -- zou arriveren. Thans verneem ik van u dat mijn vervanger nog niet zo spoedig kan verwacht worden -- ge hebt, meen ik, die tijding te Serang gehoord -- en tevens dat het de resident verwonderde dat ik, in de zeer bijzondere positie waarin ik verkeer, nog niet heb verzocht het bestuur aan u te mogen overdragen.

Niets kon mij aangenamer zijn dan dit bericht. Want ik behoef u niet te verzekeren dat ik, die verklaard heb niet anders te kunnen dienen dan ik hier deed ... ik die voor deze wijze van dienen ben gestraft met berisping, met een ruïneuze en deshonorante overplaatsing ... met de last om de arme lieden te verraden die op mijn loyauteit vertrouwden -- met de keus alzo tussen oneer en broodgebrek! -- dat ik na dit alles met moeite en zorg elk voorkomend geval te toetsen had aan mijn plicht, en dat de eenvoudigste zaak mij zwaar viel, geplaatst als ik was tussen mijn geweten en de principes van 't gouvernement waaraan ik trouw schuldig ben zolang ik niet ontheven ben van mijn ambt.

Deze moeilijkheid openbaarde zich vooral bij 't antwoord dat ik geven moest aan klagers

Eens toch had ik beloofd niemand te zullen overleveren aan de rancune zijner hoofden! Eenmaal had ik -- onvoorzichtig genoeg! -- mijn woord ten borg gesteld voor de rechtvaardigheid van 't gouvernement.

De arme bevolking kon niet weten dat die belofte en die borgstelling gedesavoueerd waren, en dat ik arm en onmachtig alleen stond met mijn zucht voor recht en menselijkheid.

En men ging met klagen voort!

Het was grievend, na de ontvangst der kabinetsmissive van 23 maart, dáár te zitten als vermeende toevlucht, als machteloze beschermer.

Het was hartverscheurend de klachten aan te horen over mishandeling, uitzuiging, armoede, honger... terwijl ik zelf nu met vrouw en kind honger en armoede tegemoet ga.

En ook 't gouvernement mocht ik niet verraden. Ik mocht tot die arme lieden niet zeggen: `Gaat en lijdt, want het bestuur wil dat gij gekneveld wordt!' Ik mocht mijn onmacht niet erkennen, één als ze was met de schande en de gewetenloosheid der raadgevers van de gouverneur- generaal.

Ziehier wat ik antwoordde:

Terstond kan ik u niet helpen! Doch ik zal naar Batavia gaan, ik zal de Grote Heer spreken over uw ellende. Hij is rechtvaardig, en hij zal u bijstaan. Gaat voorlopig rustig naar huis ... verzet u niet ... verhuist nog niet ... wacht geduldig: ik denk, ik ... hoop dat er recht zal geschieden!

Zó meende ik, beschaamd over de schending mijner toezegging van hulp, mijn denkbeelden in overeenstemming te brengen met mijn plicht omtrent het bestuur dat mij nog deze maand betaalt, en ik zou aldus tot de komst van mijn opvolger zijn voortgegaan, indien niet een bijzonder voorval mij heden in de noodzakelijkheid bracht aan die dubbelzinnige verhouding een eind te maken.

Zeven personen hadden geklaagd. Ik gaf hun bovenstaand antwoord. Zij keerden naar hun woonstede terug. Onderweg ontmoet hen hun dorpshoofd. Hij moet ze verboden hebben hun kampong weer te verlaten, en nam ze -- naar men mij rapporteert -- hun kleren af, om hen te dwingen thuis te blijven. Eén hunner ontsnapt, vervoegt zich weer bij mij, en verklaart: niet naar zijn dorp te durven terugkeren. Wat ik nu die man moet antwoorden, weet ik niet!

Ik kan hem niet beschermen ... ik mag hem mijn onmacht niet bekennen ... ik wil 't aangeklaagde dorpshoofd niet vervolgen, daar zulks de schijn zou meebrengen alsof deze zaak pour le besoin de ma cause door mij was opgerakeld: ik weet niet meer wat te doen ...

Ik belast u, onder nadere goedkeuring des residents van Bantam, van af morgenochtend met het bestuur der Afdeling Lebak.

De assistent-resident van Lebak,

MAX HAVELAAR


Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van Rangkas-Betoeng. Hij weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd hij 't afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hij op de eerste wisselplaats een talrijke menigte vond, die weggeslopen was uit Rangkas- Betoeng, om hem daar te begroeten voor het laatst.

Te Serang stapte de familie bij de heer Slijmering af, die haar met de gewone Indische gastvrijheid ontving.

's Avonds kwam er veel bezoek bij de resident. Men zei zo betekenisvol mogelijk, gekomen te zijn om Havelaar te begroeten, en Max ontving menige welsprekende handdruk ...

Maar hij moest naar Batavia om de gouverneur-generaal te spreken ... Dáár aangekomen, liet hij om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd omdat er een fijtzweer was aan de voet van Zijne Excellentie. Havelaar wachtte tot die fijtzweer genezen was. Toen liet hij andermaal verzoeken gehoord te worden.

Zijne Excellentie `had het zo druk dat zij zelfs aan de directeur- generaal van financiën een audiëntie had moeten weigeren' en kon dus ook Havelaar niet ontvangen.

Havelaar wachtte tot Zijne Excellentie zou heengeworsteld zijn door die drukte. Intussen voelde hij iets als naijver op de personen die aan Zijne Excellentie waren toegevoegd in de arbeid. Want hij werkte gaarne snel en veel, en gewoonlijk smolten zulke `drukten' weg onder zijn hand. Hiervan echter was nu natuurlijk geen sprake. Havelaars arbeid was zwaarder dan arbeid: hij wachtte!

Hij wachtte. Eindelijk liet hij opnieuw verzoeken om gehoord te worden. Men gaf hem ten antwoord `dat Zijne Excellentie hem niet kon ontvangen, wijl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand vertrek.'

Max beval zich aan in de gunst van Zijne Excellentie om één half uur gehoor, zodra er een kleine ruimte wezen zou tussen twee `drukten'.

Eindelijk vernam hij dat Zijne Excellentie de volgende dag vertrekken zou! Dit was hem een donderslag. Nog altijd hield hij zich krampachtig vast aan 't geloof dat de aftredende landvoogd eerlijk man, en ... bedrogen was. Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om de rechtvaardigheid zijner zaak te bewijzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.

Ik vind onder Havelaars papieren de minuut van een brief die hij aan de aftredende gouverneur-generaal schijnt geschreven te hebben op de laatste avond voor diens vertrek naar 't moederland. Op de rand staat met potlood aangetekend: `Niet juist', waaruit ik opmaak dat sommige zinsneden bij 't afschrijven veranderd zijn. Ik doe dit opmerken, om niet uit het gemis aan letterlijke overeenstemming van dit stuk, twijfel te doen geboren worden aan de echtheid der andere officiële stukken die ik meedeelde, en die alle door een vreemde hand voor eensluidend afschrift zijn getekend. Misschien heeft de man aan wie deze brief gericht was, lust de volkomen juiste tekst daarvan publiek te maken. Men zou door vergelijking kunnen zien hoever Havelaar is afgeweken van zijn minuut. Zakelijk correct was de inhoud aldus:


Batavia, 23 mei 1856

Excellentie! Mijn ambtshalve bij missive van 28 februari gedaan verzoek om aangaande de Lebakse zaken te worden gehoord, is zonder gevolg gebleven.

Evenzo heeft Uwe Excellentie niet gelieven te voldoen aan mijn herhaalde verzoeken om audiëntie.

Uwe Excellentie heeft dus een ambtenaar die gunstig bij het gouvernement bekend stond -- dit zijn Uwer Excellentie's eigen woorden! -- iemand die zeventien jaren het land in deze gewesten diende, iemand die niet alleen niets misdeed, maar zelfs met ongekende zelfverloochening het goede beoogde en voor eer en plicht alles veil had ... zó iemand heeft Uwe Excellentie gesteld beneden de misdadiger. Want die hoort men tenminste.

Dat men Uwe Excellentie omtrent mij misleid heeft, begrijp ik. Maar dat Uwe Excellentie niet de gelegenheid heeft aangegrepen om die misleiding te ontgaan, begrijp ik niet.

Morgen gaat Uwe Excellentie van hier, en ik mag haar niet laten vertrekken zonder nog eenmaal gezegd te hebben dat ik mijn PLICHT heb gedaan, GEHEEL EN AL MIJN PLICHT, met beleid, met bezadigdheid, met menslievendheid, met zachtheid en met moed.

De gronden waarop gebaseerd is de afkeuring in Uwer Excellentie's kabinetsmissive van 23 maart, zijn geheel en al verdicht en logenachtig.

Ik kan dit bewijzen, en dit ware reeds geschied, als Uwe Excellentie mij één half uur gehoor had willen schenken. Als Uwe Excellentie één half uur tijd had kunnen vinden om recht te doen!

Dit is zo niet geweest! Een deftig gezin is daardoor tot de bedelstaf gebracht ...

Hierover evenwel klaag ik niet.

Maar Uwe Excellentie heeft gesanctioneerd: HET STELSEL VAN MISBRUIK VAN GEZAG, VAN ROOF EN MOORD, WAARONDER DE ARME JAVAAN GEBUKT GAAT, en dáárover klaag ik. Dàt schreit ten hemel!

Er kleeft bloed aan de overgegaarde penningen van uw dus ontvangen Indisch traktement, Excellentie!

Nog éénmaal vraag ik om een ogenblik gehoor, zij het deze nacht, zij het morgenvroeg! En alweer vraag ik dit niet voor mij, maar voor de zaak die ik voorsta, de zaak van rechtvaardigheid en menselijkheid, die tevens de zaak is van welbegrepen politiek.

Als Uwe Excellentie het met haar geweten kan overeenbrengen, van hier te vertrekken zonder mij te horen, het mijne zal gerust zijn bij de overtuiging al het mogelijke te hebben aangewend om de treurige, bloedige gebeurtenissen te voorkomen, die weldra 't gevolg zullen wezen van de eigenwillige onkunde waarin de regering wordt gelaten ten opzichte van hetgeen er omgaat onder de bevolking.

MAX HAVELAAR


Havelaar wachtte die avond. Hij wachtte de ganse nacht.

Hij had gehoopt dat misschien verstoordheid over de toon van zijn brief bewerken zou, wat hij vergeefs getracht had te bereiken door zachtheid en geduld. Zijn hoop was ijdel! De gouverneur-generaal vertrok zonder Havelaar te hebben gehoord. Er was weer een Excellentie ter ruste gegaan in 't moederland!

Havelaar doolde arm en verlaten rond. Hij zocht ...

Genoeg, mijn goede Stern! Ik, Multatuli, neem de pen op. Ge zijt niet geroepen Havelaars levensgeschiedenis te schrijven. Ik heb u in 't leven geroepen ... ik liet u komen van Hamburg ... ik leerde u redelijk goed Hollands schrijven, in zeer korte tijd ... ik liet u Louise Rosemeyer kussen, die in suiker doet ... het is genoeg, Stern, ge kunt gaan!

Die Sjaalman en zijn vrouw...

Halt, ellendig produkt van vuile geldzucht en godslasterlijke femelarij! Ik heb u geschapen ... ge zijt opgegroeid tot een monster onder mijn pen ... ik walg van mijn eigen maaksel: stik in koffie en verdwijn!

Ja, ik, Multatuli, `die veel gedragen heb' neem de pen op. Ik vraag geen verschoning voor de vorm van mijn boek. Die vorm kwam mij geschikt voor ter bereiking van mijn doel.

Dit doel is tweeledig:

Ik wilde in de eerste plaats het aanzijn geven aan iets dat als heilige poesaka zal kunnen bewaard worden door kleine Max en zijn zusje, als hun ouders zullen zijn omgekomen van ellende.

Ik wilde aan die kinderen een adelbrief geven van mijn hand. En in de tweede plaats: ik wil gelezen worden.

Ja, ik wil gelezen worden! Ik wil gelezen worden door staatslieden, die verplicht zijn te letten op de tekenen des tijds ... door letterkundigen, die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zoveel kwaad spreekt ... door handelaren, die belang hebben bij de koffieveilingen... door kameniers, die me huren voor weinige centen ... door gouverneurs-generaal in ruste ... door ministers in bezigheid ... door de lakeien van die Excellentiën ... door bidpredikers, die more majorum zullen zeggen dat ik de Almachtige God aantast, waar ik slechts opsta tegen 't godje dat zij maakten naar hun beeld ... door duizenden en tienduizenden van exemplaren uit het Droogstoppelras, die -- voortgaande hun zaakjes op de bekende wijze te behartigen -- 't hardst zullen meeschreeuwen over de mooiigheid van m'n geschrijf... door de leden der volksvertegenwoordiging, die weten moeten wat er omgaat in 't grote Rijk over zee, dat behoort tot het Rijk van Nederland ...

Ja, ik zal gelezen worden!

Als dit doel bereikt wordt, zal ik tevreden zijn. Want het was me niet te doen om goed te schrijven ... ik wilde zo schrijven dat het gehoord werd. En, evenals iemand die roept: `Houdt de dief!' zich weinig bekommert over de stijl zijner geïmproviseerde toespraak aan 't publiek, is 't ook mij geheel om 't even hoe men de wijze zal beoordelen waarop ik mijn `Houdt de dief!' heb uitgeschreeuwd.

`Het boek is bont ... er is geen geleidelijkheid in ... jacht op effect ... de stijl is slecht ... de schrijver is onbedreven ... geen talent ... geen methode ...'

Goed, goed, alles goed! Maar... DE JAVAAN WORDT MISHANDELD!

Want wederlegging der HOOFDSTREKKING van mijn werk is onmogelijk!

Hoe luider overigens de afkeuring van mijn boek, hoe liever 't mij wezen zal, want des te groter wordt de kans gehoord te worden. En dit wil ik!

Doch gij, die ik stoor in uw `drukten' of in uw `rust', gij ministers en gouverneurs-generaal, rekent niet te zeer op de onbedrevenheid mijner pen. Ze zou zich kunnen oefenen, en met enige inspanning misschien geraken tot een bekwaamheid die ten laatste zelfs de waarheid zou doen geloven door 't volk! Dan zou ik aan dat volk een plaats vragen in de Vertegenwoordiging, al ware 't alleen om te protesteren tegen certificaten van rechtschapenheid, die door Indische specialiteiten vice versa worden uitgereikt, misschien om op 't vreemd denkbeeld te brengen dat men zelf waarde hecht aan die hoedanigheid ...

Om te protesteren tegen de eindeloze expeditiën en heldendaden tegen arme ellendige schepsels, die men vooraf door mishandeling dwong tot opstand.

Om te protesteren tegen de schandelijke lafhartigheid van circulaires die de eer der natie schandvlekken door 't inroepen van publieke liefdadigheid voor de slachtoffers van chronische zeeroof.

't Is waar, die opstandelingen waren uitgehongerde geraamten, en die zeerovers zijn weerbare mannen!

En als men mij die plaats weigerde ... als men mij bij voortduring niet geloofde ...

Dan zou ik mijn boek vertalen in de weinige talen die ik ken, en in de vele talen die ik leren kan, om te vragen aan Europa, wat ik vruchteloos zou hebben gezocht in Nederland.

En er zouden in alle hoofdsteden liederen worden gezongen met refreinen als dit: Er ligt een roofstaat aan de zee, tussen Oostfriesland en de Schelde!

En wanneer ook dit niet baatte?

Dan zou ik mijn boek vertalen in 't Maleis, Javaans, Soendaas, Alfoers, Boeginees, Bataks...

En ik zou klewangwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van de arme martelaren wie ik hulp heb toegezegd, ik, Multatuli.

Redding en hulp, op wettelijke weg, waar het kan ... op wettige weg van geweld, waar het moet.

En dit zou zeer nadelig werken op de Koffieveilingen van de Nederlandsche Handel-Maatschappij'!

Want ik ben geen vliegenreddende dichter, geen zachtmoedige dromer, zoals de getrapte Havelaar, die zijn plicht deed met de moed van een leeuw, en honger lijdt met het geduld van een marmot in de winter.

Dit boek is een inleiding ...

Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig zal wezen ...

God geve dat het niet nodig zij!

Nee, 't zal niet nodig zijn! Want aan U draag ik mijn boek op, Willem de Derde, Koning, Groothertog, Prins ... meer dan Prins, Groothertog en Koning ... KEIZER van 't prachtig rijk van INSULINDE dat zich daar slingert om de evenaar, als een gordel van smaragd ...

Aan U durf ik met vertrouwen vragen of 't Uw keizerlijke wil is:

Dat Havelaar wordt bespat met de modder van Slijmeringen en Droogstoppels?

En dat daarginds Uw meer dan dertig miljoenen onderdanen worden MISHANDELD EN UITGEZOGEN IN UW NAAM?