Naar het vorige hoofdstuk.

Derde hoofdstuk

Toen ik een dag daarna van de beurs kwam, zei Frits dat er iemand geweest was om mij te spreken. Naar de beschrijving was het de Sjaalman. Hoe hij me gevonden had ... nu ja, 't adreskaartje! Ik dacht erover, mijn kinderen van school te nemen, want het is lastig, nog twintig, dertig jaren later te worden nagezeten door een schoolkameraad die een sjaal draagt in plaats van een jas, en die niet weet hoe laat het is. Ook heb ik Frits verboden naar de Westermarkt te gaan, als er kramen staan.

De volgende dag ontving ik een brief met een groot pak. Ik zal u de brief laten lezen:

Waarde Droogstoppel!

Ik vind dat hij wel had kunnen zeggen: Weledele Heer Droogstoppel, omdat ik makelaar ben.

Ik ben gisteren ten uwent geweest met het doel u een verzoek te doen. Ik geloof dat gij in goede omstandigheden verkeert...

Dit is waar: we zijn met ons dertienen op 't kantoor.

... en ik wenste gebruik te maken van uw krediet, om een zaak tot stand te brengen, die voor mij van groot gewicht is.

Zou men niet denken dat het om een order op de voorjaarsveiling te doen was?

Door velerlei omstandigheden ben ik op 't ogenblik enigszins om geld verlegen.

Enigszins? Hij had geen hemd aan. Dat noemt hij enigszins!

Ik kan mijn lieve vrouw niet alles geven wat tot veraangenaming des levens nodig is, en ook de opvoeding mijner kinderen is, uit een geldelijk oogpunt, niet zoals ik wensen zou.

Veraangenaming des levens? Opvoeding van de kinderen? Meent ge dat hij voor zijn vrouw een loge in de Opera huren wilde, en zijn kinderen op een instituut doen te Genève? 't Was najaar, en vrij koud ... welnu, hij woonde op een vliering, zonder vuur. Toen ik die brief ontving, wist ik dit niet, maar later ben ik bij hem geweest, en thans nog ben ik verstoord over de zotte toon van zijn geschrijf Wat drommel, wie arm is, kan zeggen dat hij arm is! Armen moeten er zijn, dit is nodig in de maatschappij, en 't is Gods wil. Als hij maar geen aalmoes vraagt, en niemand lastig valt, heb ik er volstrekt niets tegen dat hij arm is, maar die opsiering van de zaak komt niet te pas. Luister verder:

Daar op mij de verplichting rust, in de behoeften der mijnen te voorzien, heb ik besloten een talent aan te wenden, dat, naar ik geloof, mij gegeven is. Ik ben dichter..
.

Poeh! Ge weet, lezer, hoe ik en alle verstandige mensen daarover denken.

... en schrijver. Sedert mijn kindsheid drukte ik mijn aandoeningen in verzen uit, en ook later schreef ik dagelijks neer wat er omging in mijn ziel. Ik geloof dat er onder dat alles enige opstellen zijn, die waarde hebben, en ik zoek daarvoor een uitgever. Maar dit is juist het moeilijke. Het publiek kent mij niet, en de uitgevers beoordelen de werken meer naar de gevestigde naam van de schrijver, dan naar de inhoud.

Juist zoals wij de koffie naar de renommee van de merken. Welzeker! Hoe anders?

Als ik dus mag aannemen dat mijn werk niet geheel zonder verdienste is, zou dat toch eerst na de uitgave blijken, en de boekhandelaars vragen de betaling van drukloon, enz. vooruit...

Daar hebben ze groot gelijk in.

... wat mij op dit ogenblik niet gelegen komt. Daar ik evenwel overtuigd ben dat mijn arbeid de kosten dekken zou, en gerust daarop mijn woord durf verpanden, ben ik, aangemoedigd door onze ontmoeting van voorgisteren...

Dat noemt hij aanmoedigen!

... tot het besluit gekomen u te vragen of ge voor mij bij een boekhandelaar zoudt willen borg staan, voor de kosten ener eerste uitgave, al ware het slechts van een klein boekdeeltje. Ik laat de keus van die eerste proeve geheel aan u over. In het pak dat hiernevens gaat, zult ge vele handschriften vinden, en daaruit zien dat ik veel gedacht, gewerkt en bijgewoond heb...

Ik heb nooit gehoord dat hij zaken deed.

... en als de gaaf van wäl zeggen me niet geheel-en-al ontbreekt, is het gewis niet doorgebrek aan indrukken, dat ik niet slagen zou. In afwachting van een vriendelijk antwoord, noem ik mij uw oude schoolmakker...

En zijn naam stond eronder. Maar die verzwijg ik, omdat ik er niet van houd, iemand in opspraak te brengen.

Waarde lezer, ge begrijpt hoe gek ik stond te kijken, toen men mij daar zo opeens wilde verheffen tot makelaar in verzen. Ik ben zeker dat die Sjaalman -- zo zal ik hem maar blijven noemen -- als de man me bij dag had gezien, zich met zulk een verzoek niet tot mij zou gewend hebben. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen. Maar 't was avond, en ik trek het me dus niet aan.

Het spreekt vanzelf dat ik van die gekheid niets weten wilde. Ik zou het pak door Frits hebben laten terugbrengen, maar ik wist zijn adres niet, en hij liet niets van zich horen. Ik dacht dat hij ziek was, of dood, of zoiets.

De vorige week was er krans bij de Rosemeyers, die in suiker doen. Frits was voor het eerst meegegaan. Hij is zestien jaar, en ik vind het goed dat een jongmens in de wereld komt. Anders loopt hij naar de Westermarkt of zulke dingen. De meisjes hadden piano gespeeld en gezongen, en bij 't dessert plaagden ze elkaar met iets dat in de voorkamer scheen gebeurd te zijn, terwijl wij achter aan 't gents whisten waren, iets waarin Frits betrokken scheen. `Ja, ja, Louise,' riep Betsy Rosemeyer, `geschreid heb je! Papa, Frits heeft Louise aan 't schreien gemaakt.'

Mijn vrouw zei hierop dat Frits dan voortaan niet meer mee zou naar de krans. Ze dacht dat hij Louise geknepen had, of zoiets wat niet te pas komt, en ook ik maakte mij gereed er een hartig woordje bij te voegen, toen Louise riep:

`Nee, nee, Frits is heel lief geweest! Ik wou dat hij 't nog eens deed!'

Wàt dàn? Hij had haar niet geknepen, hij had gereciteerd, daar hebt ge 't.

Natuurlijk ziet de vrouw van 't huis gaarne dat er aan het dessert een aardigheidje plaats heeft. Dat vult. Mevrouw Rosemeyer -- de Rosemeyers laten zich mevrouw noemen, omdat ze in suiker doen, en aandeel in een schip hebben -- mevrouw Rosemeyer begreep dat wat Louise aan 't schreien had gemaakt, ook òns vermaken zou, en vroeg een da capo aan Frits, die zo rood zag als een kalkoen. Ik begreep om de wereld niet, wàt hij dan toch opgesneden had, want ik kende zijn repertoire op een haar. Dat was: De godenbruiloft, De boeken van het Oude Testament op rijm, en een episode uit De bruiloft van Kamacho, dat de jongens altijd zo aardig vinden, omdat er iets van een `brillekiek' in komt. Wat er onder dit alles wezen kon dat tranen uitlokte, was mij een raadsel. 't Is waar, zo'n meisje schreit gauw.

`Toe, Frits! Och ja, Frits! Kom, Frits!' Zo ging het, en Frits begon. Daar ik niet houd van dat bestudeerd spannen van des lezers nieuwsgierigheid, zal ik maar terstond zeggen dat ze thuis het pak van Sjaalman hadden opengemaakt, en daaruit hadden Frits en Marie een neuswijsheid el een sentimentaliteit geput, die me later veel last in huis gehaald hebben Toch moet ik erkennen, lezer, dat dit boek ook uit dat pak komt, en ik zal me naderhand hierop behoorlijk verantwoorden, want ik hecht eraan, dat men mij beschouwt als iemand die de waarheid lief heeft, en die goed voor zijn zaken is. Onze firma is Last & Co., Makelaars in koffie, Lauriergracht No 37.

Toen reciteerde Frits een ding dat van nonsens aanéénhing. Nee 't hing niet aaneen. Een jong mens schreef aan zijn moeder, dat hij verliefd was geweest, en dat zijn meisje met een ander getrouwd was -- waarin ze groot gelijk had, vind ik -- dat hij echter, in weerwil hiervan, altijd veel van zijn moeder hield. Zijn deze laatste drie regels duidelijk of niet? Vindt ge dat er veel omslag nodig is, om dat te zeggen? Welnu, ik heb een broodje met kaas gegeten, daarna twee peren geschild, en ik was ruim half gereed met het orberen van de derde, voor Frits klaar was me. die vertelling. Maar Louise schreide weer, en de dames zeiden dat het heel mooi was. Toen vertelde Frits, die, geloof ik, meende dat hij een groot stuk had uitgevoerd, dat hij 't ding in dat pak had gevonden val de man die een sjaal droeg, en ik legde aan de heren uit, hoe dat in mijn huis kwam. Maar van de Griekin sprak ik niet, omdat Frits erbij was, en ook zei ik niets van de Kapelsteeg. Ieder vond dat ik heel goed ha gehandeld, me van die man af te helpen. Straks zult ge zien dat er ook andere dingen in dat pak waren van meer solide aard, en daarvan komt een en ander in dit boek, omdat de Koffieveilingen van de Handelmaatschappij ermee in verband staan. Want ik leef voor mijn vak.

Later vroeg mij de uitgever of ik hier niet bijvoegen wilde, wat Frits gereciteerd had. Ik wil 't wel doen, mits men wete dat ik me niet ophoud met zulke dingen. Alles leugens en gekheid! Ik houd mijn aanmerkingen terug, anders wordt mijn boek te dik. Ik wil hier alleen bij zeggen, dat die vertelling zo omstreeks 1843 in de buurt van Padang geschreven is, en dat dit een inferieur merk is. De koffie, meen ik.

Moeder, 'k ben wel ver van 't land
Waar me 't leven werd geschonken,
Waar mijn eerste tranen blonken,
Waar ik opwies aan uw hand ...
Waar uw moedertrouw der ziel
Van den knaap haar zorgen wijdde,
En hem liefdrijk stond terzijde,
En hem ophief als hij viel ...
Schijnbaar scheurde 't lot de banden
Die ons bonden, wreed vaneen ...
'k Sta hier wel aan vreemde stranden
Met mij zelf en God, alleen ...
Maar toch, moeder, wat me griefde,
Wat me vreugd gaf of verdriet,
Moeder, twijfel aan de liefde,
Aan het hart uws zoons toch niet!

't Is nog nauwlijks twee paar jaren
Toen ik 't laatst op gindsen grond
Zwijgend aan den oever stond
Om de toekomst in te staren ...
Toen ik 't schone tot mij riep
Dat ik van de toekomst wachtte,
En het heden stout verachtte,
En mij paradijzen schiep...
Toen, door alle stoornis heen
Die zich opdeed voor mijn schreàn,
't Hart zich koen een uitweg baande,
En zich dromend zalig waande ...

Maar die tijd, sinds 't laatst vaarwel
Hoe gezwind ook ons onttogen,
Onbevatbaar bliksemsnel,
Als een schim voorbijgevlogen ...
O, hij liet in 't voorwaartsgaan,
Diepe, diepe sporen staan!
'k Proefde vreugde en smart metéén,
'k Heb gedacht en 'k heb gestreden,
'k Heb gejuicht en 'k heb gebeden
't Is me als vlogen eeuwen heen!
'k Heb naar levensheil gestreefd,
'k Heb gevonden en verloren,
En, een kind nog kort tevoren,
Jaren in één uur doorleefd!

Maar toch, moeder! wil 't geloven,
Bij den Hemel die mij ziet,
Moeder!, wil het toch geloven,
Neen, uw kind vergat u niet!

'k Minde een meisje. Heel mijn leven
Scheen mij door die liefde schoon.
'k Zag in haar een erekroon,
Als een eindloon van mijn streven,
Mij door God ten doel gegeven.
Zalig door de reine schat
Die Zijn zorg mij toegewogen,
Die Zijn gunst geschonken had,
Dankte ik met een traan in de ogen.
Liefde was met godsdienst één ...
En 't gemoed dat opgetogen,
Dankend opsteeg tot den Hogen,
Dankte en bad voor haar alleen!

Zorgen baarde mij die liefde,
Onrust kwelde mij het hart,
En ondraaglijk was de smart
Die mij 't week gemoed doorgriefde.
'k Heb slechts angst en leed gegaard,
Waar ik 't hoogst genot verwachtte,
En voor 't heil waarnaar ik trachtte,
Was me gif en wee bewaard ...

'k Vond genot in 't lijdend zwijgen!
'k Stond standvastig hopend daar,
Onspoed deed de prijs mij stijgen:
'k Droeg en leed zo graag voor haar!
'k Telde ramp noch onspoedsslagen,
Vreugde schiep ik in verdriet,
Alles, alles wilde ik dragen ...
Roofde 't lot mij haar slechts niet!

En dàt beeld, mij 't schoonste op aarde,
Dat ik omdroeg in 't gemoed
Als een onwaardeerbaar goed,
En zo trouw in 't hart bewaarde ...
Vreemd was 't eenmaal aan mijn zinnen!
En al houdt die liefde stand
Tot de laatste snik van 't leven
Me in een beter vaderland
Eindlijk haar zal wedergeven ...
'k Had begonnen haar te minnen!

Wat is min die eens begon,
Bij de liefde mèt het leven
't Kind door God in 't hart gedreven
Toen het nog niet staamlen kon?
Toen het aan de moederborst,
Nauw den moederschoot onttogen,
't Eerste vocht vond voor den dorst,
't Eerste licht in moederogen?
Neen, geen band die vaster bindt,
Vaster harten houdt omsloten,
Dan de band, door God gesloten
Tussen 't moederhart en 't kind!

En een hart, dat zó zich hechtte
Aan het schoon dat even blonk,
Dat me niets dan doornen schonk,
En geen enkel bloempje vlechtte ...
Zou datzelfde hart de trouw
Van het moederhart vergeten?
En de liefde van de vrouw
Die mijn eerste kinderkreten
Opving in 't bezorgd gemoed?
Die mij, als ik weende, suste,
Traantjes van de wangen kuste,
Die mij voedde met haar bloed?

Moeder! wil het niet geloven,
Bij den hemel die mij ziet,
Moeder! wil het niet geloven,
Neen, uw kind vergat u niet!

'k Ben hier vèr van wat het leven
Ginds ons zoets en schoons kan geven,
En 't genot van de eerste jeugd,
Vaak geroemd en hoog geprezen,
Kan wel hier mijn deel niet wezen:
't Eenzaam harte kent geen vreugd.
Steil en doomig zijn mijn paden,
Onspoed drukt me diep terneer,
En de last mij opgeladen
Knelt me, en doet het hart me zeer...
Laat het slechts mijn tranen tuigen,
Als zo menig moedloos uur
Me in den boezem der Natuur,
't Hoofd zo treurig neer doet buigen ...

Vaak, als mij de moed ontzonk,
Is de zucht me schier ontvloden:
`Vader! schenk me bij de doden,
Wat het leven mij niet schonk!
Vader! geef me aan gene zijde,
Als de mond des doods mij kust,
Vader! geef me aan gene zijde
Wat ik hier niet smaakte ... Rust!'

Maar, bestervend op mijn lippen,
Steeg de bee niet tot den Heer...
'k Boog wel bei mijn knieën neer,
'k Voelde wel een zucht me ontglippen,
Maar het was: `Nog niet, o Heer!
Geef mij eerst mijn moeder weer!'


Naar het volgende hoofdstuk.