Naar het vorige hoofdstuk.
Zesde hoofdstuk
De controleur Verbrugge was een goed mens. Als men hem daar zag zitten in
zijn blauw-lakense frak, met geborduurde eike- en oranjetakken op kraag
en mouwopslagen, was 't moeilijk in hem de type te miskennen die voorheerst
onder de Hollanders in Indië ... een mensensoort, in 't voorbijgaan
gezegd, die zeer onderscheiden is van de Hollanders in Holland. Traag zolang
er niets te doen viel, en ver van de beredderingszucht die in Europa voor
ijver geldt, maar ijverig waar bezigheid nodig was ... eenvoudig maar hartelijk
voor wie tot zijn omgeving behoorden ... mededeelzaam, hulpvaardig en gastvrij
... welgemanierd zonder stijfheid ... vatbaar voor goede indrukken ... eerlijk
en oprecht, zonder evenwel lust te voelen de martelaar van deze hoedanigheden
te worden ... in 't kort, hij was een man die, zoals men 't noemt, overal
op zijn plaats zou wezen, zonder dat men echter op 't denkbeeld komen zou
de eeuw naar hem te noemen, wat hij dan ook niet begeerde.
Hij zat in 't midden van de pendopo bij de tafel, die met een wit
kleed bedekt, en met spijzen beladen was. Wel enigszins ongeduldig vroeg
hij van tijd tot tijd, met de woorden der zuster van mevrouw Blauwbaard,
aan de mandoer-oppasser, dat is het hoofd van de politie- en bureaudienaren
der assistent-residentie, of er niets in aantocht was. Dan stond hij eens
op, beproefde vergeefs zijn sporen te doen kletteren op de gestampte kleivloer
van de pendopo, stak voor de twintigste maal zijn sigaar aan, en
ging, als teleurgesteld, weer zitten. Hij sprak weinig.
En toch had hij kùnnen spreken, want hij was niet alleen. Ik bedoel
hiermee nu juist niet dat hij vergezeld was van de twintig of dertig Javanen,
bedienden, mantri's en oppassers die op de grond gehurkt in en buiten
de pendopo zaten, noch van de velen die aanhoudend uit- en inliepen,
noch van 't groot aantal inlanders van verschillende rang, dat daar buiten
de paarden vasthield, of te paard rondreed ... nee, de regent zelf van Lebak,
Raden Adipati Karta Nata Nagara, zat tegenover hem.
Wachten is altijd vervelend. Een kwartier duurt een uur, een uur een halve
dag, enzovoort. Verbrugge had wel wat spraakzamer mogen zijn. De regent
van Lebak was een beschaafd oud man, die over veel wist te spreken met verstand
en oordeel. Men had hem slechts aan te zien om overtuigd te wezen dat het
merendeel der Europeanen die met hem in aanraking kwamen, meer van hem,
dan hij van hen te leren had. Zijn levendige donkere ogen weerspraken door
hun vuur de vermoeidheid der trekken van zijn gelaat en de grijsheid zijner
haren. Wat hij zei, was gewoonlijk lang overdacht -- een eigenaardigheid
trouwens die bij de beschaafde Oosterling algemeen is -- en wanneer men
met hem in gesprek was, gevoelde men dat men zijn woorden te beschouwen
had als brieven, waarvan hij de minuut in zijn archief had, om zonodig daarop
te verwijzen. Dit nu moge onaangenaam schijnen voor wie niet gewoon is aan
de omgang met Javaanse groten, 't is niet moeilijk alle onderwerpen van
gesprek die aanstoot geven kunnen, te vermijden, vooral daar zij van hun
kant nooit op bruuske wijze aan de loop van 't onderhoud een andere richting
geven zullen, omdat dit naar oosterse begrippen in strijd wezen zou met
de goede toon. Wie dus oorzaak heeft het aanroeren van een bepaald punt
te vermijden, behoeft slechts over onbeduidende zaken te spreken, en hij
kan verzekerd zijn dat een Javaans hoofd hem niet, door een onbegeerde wending
in 't gesprek, zal voeren op een terrein dat hij liever niet betrad.
Over de beste wijze van omgang met die hoofden, bestaan overigens verschillende
meningen. Het komt mij voor dat eenvoudige oprechtheid, zonder streven naar
diplomatische voorzichtigheid, de
voorkeur verdient.
Hoe dit zij, Verbrugge begon met een banale opmerking over 't weer en de
regen.
`Ja, meneer de controleur, het is westmoesson.'
Dit nu wist Verbrugge wel: men was in januari. Maar wat
hij over de regen gezegd had, wist de regent ook. Hierop volgde weer enig
zwijgen. De regent wenkte, met een nauw zichtbare beweging van 't hoofd,
een der bedienden die neergehurkt zaten aan de ingang der pendopo. Een kleine
jongen, allerliefst gevat in een blauw-fluwelen buis, witte pantalon, met
gouden lijfband die zijn kostbare sarong vasthield om de lenden, en op 't
hoofd de behagelijke kain kepala waaronder zijn zwarte ogen zo ondeugend
tevoorschijn kwamen, kroop hurkende tot aan de voeten des regents, zette
de gouden doos neer, die de tabak, de kalk, de siri,
de pinang, en de gambir
bevatte, maakte de slamat,door beide handen saamgevoegd
op te heffen tot aan het diep neergebogen voorhoofd, en bood daarop zijn
heer de kostbare doos aan.
`De weg zal moeilijk zijn na zoveel regen,' zei de regent, als om 't lange
wachten verklaarbaar te maken, terwijl hij een betelblad met kalk bestreek.
`In 't Pandeglangse is de weg zo slecht niet,' antwoordde Verbrugge die,
als hij tenminste niets stuitends wilde aanroeren, dit antwoord wel wat
ondoordacht gaf. Want hij had moeten bedenken dat een regent van Lebak niet
gaarne de wegen van Pandeglang hoort roemen, al zijn die dan ook werkelijk
beter dan in 't Lebakse.
De Adipati beging de fout van een te snel antwoord niet. De kleine
maas was reeds al hurkend achterwaarts
teruggekropen tot aan de ingang der pendopo, waar hij onder zijn
makkers plaats nam ... de regent had reeds zijn lippen en weinige tanden
bruinrood geverfd met het speeksel zijner siri, voor hij zei: 'Ja, er is
veel volk in Pandeglang.'
Voor wie de regent en de controleur kende, voor wie de toestand van Lebak
geen geheim was, had het duidelijk kunnen blijken dat het gesprek reeds
een strijd was geworden. Een toespeling namelijk op de betere staat der
wegen in een naburige afdeling, scheen het vervolg te wezen op vergeefse
pogingen om ook in Lebak dusdanige betere wegen te doen aanleggen,
of de bestaande beter te onderhouden. Doch hierin had de regent gelijk,
dat Pandeglang dichter bevolkt was, vooral in verhouding tot de veel
kleinere oppervlakte, en dat dus daar de arbeid aan de grote wegen door
vereende krachten lichter viel dan in 't Lebakse, een afdeling die
op honderden palen oppervlakte slechts zeventigduizend inwoners telde.
`Dat is waar,' zei Verbrugge, `we hebben weinig volk hier, maar...'
De Adipati zag hem aan, als wachtte hij een aanval af. Hij wist dat er na
dat 'maar' iets volgen kon, dat onaangenaam zou te horen zijn voor hem,
die sedert dertig jaren regent van Lebak geweest was. Het scheen
dat Verbrugge op dit ogenblik geen lust had de strijd voort te zetten. Althans
hij brak 't gesprek af, en vroeg weer aan de mandoer-oppasser of
hij niets komen zag?
`Ik zie nog niets van de kant van Pandeglang, meneer de controleur,
maar daarginds aan de andere zijde rijdt iemand te paard ... het is de toean
kommendaan.'
`Welzeker, Dongso,' zei Verbrugge, naar buiten starende, 'dat is
de commandant! Hij jaagt in deze buurt, en is vanmorgen vroeg reeds uitgegaan.
Hé, Duclari ... Duclari!'
`Hij hoort u al, meneer, hij komt hierheen. Zijn jongen rijdt achter hem,
met een kidang achter zich over 't paard.'
'Pegang koedahnja toean kommendaan,' gebood
Verbrugge een van de bedienden die buiten zaten. `Bonjour, Duclari! Ben
je nat? Wat heb je geschoten? Kom binnen!'
Een krachtig man van dertigjarige leeftijd en flinke militaire houding,
-- hoewel van uniform geen spoor was, trad de pendopo in. Het was de eerste
luitenant Duclari, commandant van 't kleine garnizoen te Rangkas- Betoeng.
Verbrugge en hij waren bevriend, en hun gemeenzaamheid was te groter, daar
Duclari sedert enige tijd de woning van Verbrugge betrokken had in afwachting
der voltooiing van een nieuw fort. Hij drukte deze de hand, groette de regent
beleefd, en ging zitten onder de vraag: 'Wel, wat heb je alzo hier?'
'Wil je thee, Duclari?'
'Welnee, ik ben warm genoeg! Heb je geen klapperwater?
Dat is frisser.'
'Dat laat ik je niet geven. Als men warm is, houd ik klapperwater voor heel
nadelig. Je wordt er stijf en jichtig van. Zie eens de koelies die zware
vrachten over de bergen dragen: zij houden zich vlug en lenig door heet
water te drinken, of kopi daoen. Maar gemberthee
is nog beter...'
'Wat? Kopi daoen, thee van koffiebladen? Dat heb ik nog nooit gezien.'
`Omdat je niet op Sumatra gediend hebt. Daar is 't de gewoonte.'
'Laat me dan maar thee geven ... maar niet van koffiebladen, en ook niet
van gember. Ja, je bent op Sumatra geweest ... en de nieuwe assistent- resident
ook, nietwaar?'
Dit gesprek werd in 't Hollands gevoerd, een taal die de regent niet verstond.
Hetzij Duclari gevoelde dat er iets onbeleefds in lag, hem hierdoor van
't onderhoud uit te sluiten, hetzij-d-i hiermee een andere bedoeling had,
opeenmaal ging hij, zich tot de regent wendende, in 't Maleis voort:
`Weet meneer de Adipati, dat meneer de controleur de nieuwe assistent-
resident kent?'
`Welnee, dàt heb ik niet gezegd, ik heb hem nooit gezien. Hij diende
enige jaren vóór mij op Sumatra. Ik heb je maar gezegd dat
ik daar veel over hem heb horen spreken, anders niet!'
`Nu, dit komt op 'tzelfde neer. Men behoeft iemand juist niet te zien om
hem te kennen. Hoe denkt meneer de Adipati hierover?'
De Adipati had juist nodig een bediende te roepen. Er verliep dus
wat tijd voor hij zeggen kon: `Dat hij met de heer commandant instemde,
maar dat het toch dikwijls nodig was iemand te zien voor men hem beoordelen
kon.'
'Over 't geheel genomen is dit misschien waar,' ging nu Duclari in 't Hollands
voort -- hetzij omdat deze taal hem gemeenzamer was en hij meende genoeg
gedaan te hebben voor de beleefdheid, hetzij omdat hij alleen door Verbrugge
verstaan wilde worden -- `dit moge in 't algemeen waar zijn, maar omtrent
Havelaar heeft men waarachtig geen persoonlijke kennismaking nodig ... hij
is een gek!'
'Dat heb ik niet gezegd, Duclari!'
'Nee, jij hebt dat niet gezegd, maar ik zeg het na al wat je mij van hem
verteld hebt. Ik noem iemand die in 't water springt om een hond te redden
van de haaien, een gek.'
'Nu ja, verstandig is 't zeker niet. Maar...'
'En, hoor eens, dat versje tegen de generaal Vandamme ... 't kwam niet te
pas!'
''t Was geestig ...'
'Tot je dienst! Maar een jong mens mag niet geestig zijn tegen een generaal.'
'Je moet in 't oog houden dat hij nog zeer jong was ... het is veertien
jaar geleden. Hij was toen maar tweeëntwintig jaar oud.'
'En dan de kalkoen die hij stal!'
'Dat deed hij om de generaal te plagen.'
'Juist! Een jongmens mag geen generaal plagen, die bovendien, als civiel
gouverneur, zijn chef was. Dat andere versje vind ik aardig, maar... dat
eeuwige duelleren!'
'Hij deed het gewoonlijk voor een ander. Hij trok altijd partij voor de
zwakste.'.
'Wel, laat ieder voor zichzelf duelleren, als men het dan volstrekt doen
wil! Ik voor mij geloof dat een duel zelden nodig is. Waar 't onvermijdelijk
was, zou ook ik een uitdaging aannemen, en in zekere gevallen zelf uitdagen,
maar om daarvan dagelijks werk te maken ... dankje! Het is te hopen dat
hij veranderd is op dit punt.'
'Welzeker, daar is geen twijfel aan! Hij is nu zoveel ouder, daarbij sedert
lange tijd getrouwd, en assistent-resident. Bovendien, ik heb altijd gehoord
dat zijn hart goed was, en dat hij een warm gevoel had voor recht.'
'Nu, dat zal hem te pas komen in Lebak! Daar is me juist iets voorgekomen,
dat ... zou de regent ons verstaan?'
'Ik geloof 't niet. Maar toon mij iets uit je weitas, dan denkt hij dat
we daarover spreken.'
Duclari nam zijn weitas, haalde daaruit een paar bosduiven, en die vogels
betastende als sprak hij over de jacht, deelde hij Verbrugge mee dat hij
zoëven in 't veld was nagelopen door een Javaan die hem gevraagd had
of hij niet iets doen kon tot verlichting van de druk
waaronder de bevolking zuchtte.
`En,' ging hij voort, `dit is zeer sterk. Verbrugge! Niet dat ik me verwonder
over de zaak zelf. Ik ben lang genoeg in 't Bantamse om te weten wat hier
voorvalt, maar dat de geringe Javaan, gewoonlijk zo omzichtig en terughoudend
waar 't zijn hoofden geldt, zoiets vraagt aan iemand die er niets mee te
maken heeft, dit bevreemdt mij!'
`En wat heb je geantwoord, Duclari?'
`Wel, dat het me niet aanging! Dat hij tot u moest gaan, of tot de nieuwe
assistent-resident, als die zou aangekomen zijn te Rangkas- Betoeng,
en daar zijn klachten uiten.'
'Ini apa toean-toean datang!' riep op eenmaal
de oppasser Dongso. `Ik zie een mantri
die met zijn toedoeng wuift.'
Allen stonden op. Duclari, die niet door zijn tegenwoordigheid in de pendopo
de schijn wilde aannemen als ware ook hij aan de grenzen ter verwelkoming
van de assistent-resident, die wel zijn meerdere doch niet zijn chef, en
bovendien een gek was, steeg te paard, en reed, door zijn bediende gevolgd,
heen.
De Adipati en Verbrugge stelden zich aan de ingang van de pendopo,
en zagen een door vier paarden getrokken reiswagen naderen, die weldra vrij
bemodderd bij 't bamboezen gebouwtje stilhield.
Het zou moeilijk geweest zijn te raden wat er zich alzo in die wagen bevond,
voor Dongso, geholpen door de lopers en een tal van bedienden die
tot het gevolg van de regent behoorden, al de riemen en knoopsels hadden
losgemaakt, die het voertuig hielden ingesloten met een zwart leren foedraal
dat aan de discretie herinnerde waarmee in vroeger jaren leeuwen en tijgers
de stad inkwamen, toen de zoölogische tuinen nog reizende dierenspellen
waren. Leeuwen of tijgers nu waren er in de wagen niet. Men had alles maar
zo zorgvuldig gesloten omdat het westmoesson was, en men dus op regen moest
bedacht zijn. Nu is 't uitstappen uit een reiswagen waarin men lang over
de weg gehotst heeft, niet zo gemakkelijk als iemand die nooit of weinig
gereisd heeft, zich verbeelden zou. Nagenoeg als de arme sauriërs
uit de voorwereld, die door lang wachten ten laatste een integrerend deel
uitmaken van de klei, waarin ze aanvankelijk niet gekomen waren met het
plan om er te blijven, heeft er ook bij reizigers die wat nauw opééngedrukt
en in gedwongen houding te lang in een reiswagen gezeten hebben, iets plaats,
wat ik u voorstel assimilatie te noemen. Men weet eindelijk niet juist meer
waar 't leren kussen van de wagen ophoudt, en waar de ikheid aanvangt; ja,
het denkbeeld is me niet vreemd dat men in zulk een wagen kiespijn of kramp
hebben kan die men voor mot in 't laken aanziet, of omgekeerd.
Er zijn weinig omstandigheden in de stoffelijke wereld die de denkende mens
geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen op verstandelijk gebied,
en zo heb ik mijzelf dikwijls afgevraagd of niet veel dwalingen die onder
ons kracht van wet hebben, veel `scheefheden' die wij voor `recht' houden,
hieruit voortvloeien dat men te lang met hetzelfde gezelschap in dezelfde
reiswagen heeft gezeten. Het been dat ge daar links uitsteken moest, tussen
de hoededoos en 't mandje met kersen ... de knie die ge tegen 't portier
gedrukt hield, om de dame tegenover u niet te doen denken dat ge een aanval
in de zin hadt op crinoline of deugd ... de gelikdoornde voet die zo bang
was voor de hakken van de commis-voyageur naast u ... de hals die ge zo
lang links moest wenden, omdat het drupt aan de rechterzijde ... zie, dat
worden zo alle ten laatste halzen, en knieën, en voeten, die iets verdraaids
bekomen. Ik houd het voor goed van tijd tot tijd eens te wisselen van wagens,
zitplaats en medereizigers. Men kan dan zijn hals eens anders wenden, men
beweegt nu en dan zijn knie, en misschien zit er eens een juffrouw naast
ons met dansschoenen, of een jongetje wiens beentjes de grond niet raken.
Men heeft dan meer kans om recht te zien en recht te lopen zodra men weer
vaste grond onder de voeten krijgt.
Of er ook in de wagen, die nu voor de pendopo stilhield, zich iets
verzette tegen de `oplossing der continuïteit' weet ik niet, maar zeker
is 't dat het lang duurde voor er iets te voorschijn kwam. Er scheen een
strijd van hoffelijkheid gevoerd te worden. Men vernam de woorden: `Als
't u belieft, mevrouw!' en: `Resident!' Hoe dit zij, eindelijk stapte er
een heer uit, die in houding en voorkomen wel iets vertoonde dat denken
deed aan de sauriërs waarvan ik zoëven gesproken heb. Daar wij
hem later zullen weerzien, wil ik u maar terstond zeggen dat zijn onbeweeglijkheid
niet uitsluitend moest geweten worden aan de assimilatie met de reiswagen,
want dat hij, ook als er op mijlen afstands geen voertuig in de buurt was,
een kalmte, een langzaamheid en een voorzichtigheid aan de dag lei die menige
sauriër jaloers maken zou, en die in de ogen van velen de kenmerken
zijn van deftigheid, bezadigdheid en wijsheid. Hij was, zoals de meeste
Europeanen in Indië, zeer bleek, hetgeen echter in die streken geenszins
voor een blijk van minder goede gezondheid wordt gehouden, en hij had fijne
trekken die wel getuigden van verstandelijke ontwikkeling. Alleen was er
iets kouds in zijn blik, iets wat u denken deed aan een logaritmentafel,
en hoewel zijn voorkomen over 't geheel niet onbehaaglijk of terugstotend
was, kon men zich toch niet onthouden van de verdenking dat zijn vrij grote
magere neus zich op dat gelaat verveelde, omdat er zo weinig op voorviel.
Met beleefdheid bood hij zijn hand aan een dame, om haar bij het uitstijgen
behulpzaam te zijn, en nadat deze van een heer die nog in de wagen zat,
een kind had aangenomen, een klein blond jongetje van een jaar of drie,
traden zij de pendopo in. Daarop volgde die heer zelf, en wie op Java bekend
was, zou het als een bijzonderheid in 't oog gevallen zijn, dat hij bij
't portier wachtte om 't uitstijgen gemakkelijk te maken aan een oude Javaanse
baboe. Een drietal bedienden hadden zichzelf
verlost uit het wasleren kastje, dat achter de wagen was vastgeplakt als
een jonge oester op de rug van zijn mama.
De heer die het eerst was uitgestegen, had de regent en de controleur Verbrugge
de hand geboden, die zij met eerbied aannamen, en in hun gehele houding
was te bespeuren dat zij gevoelden zich in de tegenwoordigheid te bevinden
van een gewichtig persoon. Het was de resident van Bantam, de grote
landstreek waarvan Lebak een Afdeling, een regentschap, of, zoals
men officieel zegt, een assistent-residentie is.
Bij 't lezen van verdichte verhalen, heb ik mij meermalen geërgerd
over de weinige eerbied der schrijvers voor de smaak van 't publiek, en
vooral was dit het geval, waar zij blijk gaven iets te willen voortbrengen
dat koddig of burlesk heten moest, om nu niet van humor te spreken, een
eigenaardigheid die bijna doorgaande allerjammerlijkst wordt verward met
het komieke. Men voert een persoon sprekende in, die de taal niet verstaat
of slecht uitspreekt, men laat een Fransman zeggen: `Ka kauw na de krote
krak' of `Krietje kooit keen kare kroente kraak wek.' Bij gebrek aan een
Fransman, neemt men iemand die stamelt, of men `schept' een persoon die
zijn stokpaardje maakt van een paar telkens weerkerende woorden. Ik heb
een allerzotste vaudeville zien `réusseren' omdat daarin iemand voorkwam,
die gedurig zei: `Mijn naam is Meyer' Mij komen zulke geestigheden
wat goedkoop voor, en, om de waarheid te zeggen, ik ben boos op u als ge
zoiets grappig vindt.
Maar nu heb ik zelf u iets dergelijks voor te stellen. Ik moet van tijd
tot tijd iemand ten tonele voeren -- ik zal 't zo weinig mogelijk doen --
die inderdaad een manier van spreken had, welke mij doet vrezen verdacht
te worden van een mislukte poging om u te doen lachen, en hierom moet ik
u uitdrukkelijk verzekeren dat het niet mijn schuld is, als de hoogstdeftige
resident van Bantam, van wie hier de rede is, iets zo eigenaardigs vertoonde
in zijn wijze van spreken, dat het me moeilijk valt dat weer te geven, zonder
de schijn op me te laden dat ik effect van geestigheid zoek in een tic.
Hij sprak namelijk op een toon, alsof achter elk woord een punt stond, of
zelfs een lang rustteken, en ik kan de ruimte tussen zijn woorden niet beter
vergelijken dan bij de stilte die er volgt op het `amen' na een lang gebed
in de kerk, hetwelk zoals ieder weet, een sein is dat men de tijd heeft
tot verzitten, hoesten of neussnuiten. Wat hij zei, was gewoonlijk goed
overdacht, en wanneer hij zich die ontijdige rustpunten had kunnen afwennen,
zouden zijn zinsneden, uit een redekunstig oogpunt althans, meestal een
gezond aanzien gehad hebben. Maar al dat afbrokkelen, dat stoterige en hobbelige,
maakte het aanhoren lastig. Men viel er dan ook dikwijls over. Want gewoonlijk,
als men begonnen was te antwoorden in de goedige mening dat de zin uit was,
en dat hij de aanvulling van 't ontbrekende aan de scherpzinnigheid van
zijn toehoorder overliet, kwamen de nog ontbrekende woorden als trainards
van een geslagen leger achteraan, en deden u gevoelen dat ge hem in de rede
waart gevallen, wat altijd onaangenaam is. Het publiek der hoofdplaats Serang,
voorzover men niet in dienst stond van 't gouvernement -- een verhouding
die de meesten iets omzichtigs geeft noemde zijn gesprekken `slijmerig'.
Ik vind dit woord niet zeer smaakvol, doch moet erkennen dat het de hoofdeigenschap
van des residents welsprekendheid vrij juist uitdrukte.
Ik heb van Max Havelaar en zijn vrouw -- want dit waren de beide personen
die na de resident met hun kind en de baboe uit de wagen gekomen waren --
nog niets gezegd, en misschien ware het voldoende, de kenschetsing van hun
voorkomen en karakter aan de loop der gebeurtenissen en des lezers eigen
verbeelding over te laten. Daar ik evenwel nu eenmaal aan 't beschrijven
ben, wil ik u zeggen dat mevrouw Havelaar niet schoon was, dat zij echter
in blik en spraak iets zeer lieftalligs bezat, en door de gemakkelijke ongedwongenheid
van haar manieren het onmiskenbaar teken gaf, dat zij in de wereld was geweest,
en in de hogere klassen der maatschappij thuisbehoorde. Zij had niet dat
stijve el onbehaaglijke van 't burgerlijk fatsoen dat, om voor `gedistingeerd'
door te gaan, zich en anderen meent te moeten plagen met gàne, en
ze hechtte dan ook niet aan veel uiterlijks wat voor sommige andere vrouwen
waarde schijnt te hebben. Ook in haar kleding was zij een voorbeeld van
eenvoudigheid. Een wit baadjoe van moesselien, met blauwe cordelière
-- ik geloof dat men in Europa zulk een kledingstuk peignoir noemen zou
-- was haar reiskleed. Om de hals had zij een dun zijden koordje, waaraan
twee kleine medaljons, die ge echter niet te zien kreegt, daar ze verscholen
waren in de plooien voor haar borst. Overigens, de haren à la
chinoise, en een kransje melati in de kondeh
... ziedaar al haar toilet.
Ik zei dat ze niet schoon was, en toch wilde ik niet gaarne dat ge haar
voor het tegendeel hieldt. Ik hoop dat ge haar schoon vinden zult, zodra
ik gelegenheid zal hebben haar voor te stellen, gloeiend van verontwaardiging
over wat zij de `miskenning van 't genie' noemde, als haar aangebeden Max
in 't spel was, of wanneer haar een denkbeeld bezielde, dat in verband stond
met het welzijn van haar kind. Te dikwijls reeds is er gezegd dat het gelaat
de spiegel der ziel is, om nog prijs te stellen op de portretwaarde van
een onbeweeglijk gezicht, dat niets heeft af te spiegelen omdat er geen
ziel in weerschijnt. Welnu, zij had een schone ziel, en wel moest
men blind zijn, om niet ook haar gelaat voor schoon te houden als die ziel
daarop te lezen stond.
Havelaar was een man van vijfendertig jaren. Hij was slank, en vlug in zijn
bewegingen. Buiten zijn korte en beweeglijke bovenlip, en zijn grote flauw-blauwe
ogen die, als hij in kalme stemming was, iets dromerigs hadden, maar vuur
schoten als een groot denkbeeld hem beheerste, viel er in zijn voorkomen
niets bijzonders op te merken. Zijn blonde haren hingen sluik langs de slapen,
en ik begrijp zeer goed dat weinigen, hem voor 't eerst ziende, op het denkbeeld
komen zouden iemand voor zich te hebben, die wat hoofd en hart beide aangaat
tot de zeldzaamheden behoorde. Hij was een `vat vol tegenstrijdigheids'.
Scherp als een vlijm, en zacht als een meisje, voelde hijzelf altijd het
eerst de wonde die zijn bittere woorden geslagen hadden, en hij leed daaronder
meer dan de gekwetste. Hij was vlug van begrip, vatte terstond het hoogste,
het ingewikkeldste, speelde gaarne met de oplossing van moeilijke vragen,
had daarvoor alle moeite, alle studie, alle inspanning veil ... en dikwijls
toch begreep hij de eenvoudigste zaak niet, die een kind hem had kunnen
uitleggen. Vol liefde voor waarheid en recht, verwaarloosde hij menigmaal
zijn eenvoudigste naastbijliggende verplichtingen, om een onrecht te herstellen
dat hoger of verder of dieper lag, en dat door de vermoedelijk grotere inspanning
van de strijd hem meer aanlokte. Hij was ridderlijk en moedig, maar verspilde,
als die andere Don Quichot, zijn dapperheid dikwijls op een windmolen. Hij
gloeide van onverzadelijke eerzucht die hem alle gewone onderscheiding in
't maatschappelijk leven, als nietig deed voorkomen, en toch stelde hij
zijn grootst geluk in een kalm huiselijk vergeten leven. Dichter in de hoogste
zin van 't woord, droomde hij zich zonnestelsels bij een vonk, bevolkte
die met schepsels van zijn maaksel, voelde zich heer van een wereld die
hijzelf had in 't leven geroepen ... en kon toch zeer goed terstond daarop
zonder de minste dromerij een gesprek voeren over de prijs van de rijst,
de regels der taal, of de economische voordelen ener Egyptische hoenderbroeierij.
Geen wetenschap was hem geheel vreemd. Hem ahnde wat hij niet wist,
en hij bezat in hoge mate de gaaf om 't weinige dat hij wist -- ieder weet
weinig, en hij, misschien meer wetende dan sommige anderen, maakte op deze
regel geen uitzondering -- om dat weinige aan te wenden op een wijs die
de maat zijner kennis vermenigvuldigde. Hij was stipt en ordelijk, en daarbij
buitengewoon geduldig, doch juist omdat stiptheid, orde en geduld hem moeilijk
vielen, daar zijn geest iets wilds had. Hij was langzaam en omzichtig in
't beoordelen van zaken, hoewel dit niet zo scheen aan wie hem zo haastig
zijn slotsommen hoorden uiten. Zijn indrukken waren te levendig, dan dat
men ze voor duurzaam houden durfde, en toch bewees hij dikwijls dat ze duurzaam
waren. Al wat groot en verheven was, lokte hem aan, en tegelijkertijd was
hij onnozel en naïef als een kind. Hij was eerlijk, vooral waar eerlijkheid
in 't grootmoedige overging, en zou honderden die hij schuldig was, onbetaald
laten omdat hij duizenden had weggeschonken. Hij was geestig en onderhoudend
wanneer hij gevoelde dat zijn geest begrepen werd, maar anders stug en teruggetrokken.
Hartelijk voor zijn vrienden, maakte hij -- wat te snel soms zijn vriend
van al wat leed. Hij was gevoelig voor liefde en aanhankelijkheid ... trouw
aan zijn gegeven woord ... zwak in kleinigheden, maar standvastig tot hoofdigheid
toe, waar 't hem de moeite waard scheen karakter te tonen ... nederig en
welwillend voor wie zijn geestelijk overwicht erkenden, doch lastig wanneer
men poogde zich daartegen te verzetten ... rondborstig uit trots, en bij
vlagen achterhoudend, waar hij vreesde dat men zijn oprechtheid zou aanzien
voor onverstand ... evenzeer vatbaar voor zinnelijk als voor geestelijk
genot ... beschroomd en slecht bespraakt waar hij meende niet begrepen te
worden, maar welsprekend als hij gevoelde dat zijn woorden op willige bodem
vielen ... traag als hij niet werd aangespoord door enige prikkel die voortkwam
uit zijn eigen ziel, maar ijverig, vurig, en doortastend waar dit wel het
geval was ... voorts vriendelijk, beschaafd in zijn manieren, en onberispelijk
van gedrag: ziedaar nagenoeg Havelaar!
Ik zeg: nagenoeg. Want indien reeds alle bepalingen moeilijk zijn, geldt
dit vooral van de beschrijving van een persoon die zeer ver van de dagelijkse
grondvorm afwijkt. Het zal dan ook wel hierom wezen, dat romandichters hun
helden gewoonlijk tot duivels of engelen maken. Zwart of wit laat zich gemakkelijk
schilderen, maar moeilijker is 't juist weergeven van schakeringen die daartussen
liggen, wanneer men aan waarheid gebonden is en dus noch te donker noch
te licht mag kleuren. Ik gevoel dat de schets die ik van Havelaar trachtte
te geven, hoogst onvolkomen is. De bouwstoffen die voor me liggen, zijn
van zo uiteenlopende aard, dat ze mij door overmaat van rijkdom in mijn
oordeel belemmeren, en ik zal dus wellicht daarop, onder het ontwikkelen
der gebeurtenissen die ik wens mee te delen, ter aanvulling terugkomen.
Dit is zeker, hij was een ongewoon mens, en wel de moeite van 't bestuderen
waardig. Ik bemerk nu reeds dat ik verzuimd heb als een zijner hoofdtrekken
op te geven, dat hij de belachelijke en de ernstige zijde der dingen met
dezelfde snelheid en tegelijkertijd opvatte, aan welke eigenschap zijn wijze
van spreken, zonder dat hijzelf dit wist, een soort van humor ontleende,
die zijn toehoorders gedurig in twijfel bracht, of ze getroffen waren door
't diep gevoel dat in zijn woorden heerste, of dat ze te lachen hadden over
de koddigheid die op eenmaal de ernst daarvan afbrak.
Opmerkelijk was 't dat zijn voorkomen, en zelfs zijn aandoeningen, zo weinig
sporen droegen van zijn doorgebracht leven. Het roemen op ondervinding is
een belachelijke gemeenplaats geworden. Er zijn lieden .die vijftig of zestig
jaren lang meedreven met het stroompje, waarin ze beweren te zwemmen, en
die van al die tijd weinig anders zouden kunnen verhalen dan dat ze verhuisd
zijn van de A-gracht naar de B-straat. Niets is gewoner dan op ervaring
te horen bogen, juist door hen die hun grijze haren zo gemakkelijk verkregen.
Anderen weer menen hun aanspraken op ondervinding te mogen gronden op werkelijk
ondergane lotwisseling, zonder dat echter uit iets blijkt dat ze door die
veranderingen werden aangegrepen in hun zieleleven. Ik kan me voorstellen
dat het bijwonen, of ondergaan zelfs, van gewichtige gebeurtenissen weinig
of geen invloed heeft op zeker soort van gemoederen, die niet zijn toegerust
met de vatbaarheid om indrukken op te vangen en te verwerken. Wie hieraan
twijfelt, vrage zich af of men ondervinding zou mogen toekennen aan al de
bewoners van Frankrijk, die veertig of vijftig jaren oud waren in 1815?
En zij allen waren toch personen die 't belangrijk drama dat in 1789 aanving,
hadden zien opvoeren niet alleen, maar die zelfs in meer of min gewichtige
rol, dat drama hadden meegespeeld. En, omgekeerd, hoe velen ondergaan een
reeks van aandoeningen, zonder dat de uiterlijke omstandigheden hiertoe
schenen aanleiding te geven. Men denke aan de Crusoe-romans, aan Silvio
Pellico's gevangenschap, aan 't allerliefste Picciola van Saintine, aan
de strijd in de borst ener `oude vrijster' die haar gehele leven door, één
liefde koesterde, zonder ooit door een enkel woord te verraden wat er omging
in haar hart, aan de aandoeningen van de mensenvriend die, zonder uiterlijk
in de loop der gebeurtenissen betrokken te zijn, vurig belangstelt in 't
welzijn van medeburger of medemens. Men stelle zich voor, hoe hij beurtelings
hoopt en vreest, hoe hij elke verandering gadeslaat, zich opwindt voor een
schoon denkbeeld, en gloeit van verontwaardiging, als hij het ziet wegdringen
en vertrappen door de velen die, voor een ogenblik althans, sterker waren
dan schone denkbeelden. Men denke aan de wijsgeer die vanuit zijn cel aan
't volk tracht te leren wat waarheid is, als hij bemerken moet dat zijn
stem overschreeuwd wordt door piëtistische huichelarij of gewinzoekende
kwakzalvers. Men stelle zich Socrates voor -- niet als hij de gifbeker ledigt,
want ik bedoel hier de ondervinding van 't gemoed, en niet die welke rechtstreeks
door uiterlijke omstandigheden veroorzaakt wordt -- hoe bitter bedroefd
zijn ziel moet geweest zijn, toen hij, die 't goede en ware zocht, zich
hoorde noemen `een bederver der jeugd en een verachter der goden'.
Of beter nog: men denke aan Jezus, waar hij zo treurig staart op Jeruzalem,
en zich beklaagt `dat het niet gewild heeft'.
Zulk een kreet van smart -- voor gifbeker of kruishout -- vloeit niet uit
een ongedeerd hart. Daar moet geleden zijn, daar is ondervonden!
Deze tirade is me ontsnapt ... ze staat er nu eenmaal, en blijve. Havelaar
had veel ondervonden. Wilt ge iets dat opweegt tegen de verhuizing van de
A-gracht! Hij had schipbreuk geleden, meer dan eens. Hij had brand, oproer,
sluikmoord, oorlog, duellen, weelde, armoede, honger, cholera, liefde en
`liefden' in zijn dagboek staan. Hij had vele landen bezocht, en omgang
gehad met lieden van allerlei ras en stand, zeden, vooroordelen, godsdienst
en gelaatskleur.
Wat dus de levensomstandigheden aangaat, kon hij veel ondervonden
hebben. En dat hij werkelijk veel ondervonden hàd, dat hij 't leven
niet was doorgegaan zonder de indrukken op te vangen die 't hem zo ruimschoots
aanbood, daarvoor moge ons de vlugheid van zijn geest borg wezen, en de
ontvankelijkheid van zijn gemoed.
Dit nu wekte verwondering van allen die wisten of gissen konden hoeveel
hij had bijgewoond en geleden, dat hiervan zo weinig op zijn gelaat te lezen
was. Wel sprak er uit zijn trekken iets als vermoeienis, doch dit deed eer
denken aan vroegrijpe jeugd dan aan naderende ouderdom. En naderende ouderdom
had het toch moeten zijn, want in Indië is de man van vijfendertig
jaar niet jong meer.
Ook zijn aandoeningen, zei ik, warenjong gebleven. Hij kon spelen met een
kind, en als een kind, en meermalen klaagde hij dat `kleine Max' nog te
jong was om vliegers op te laten, omdat hij, `de grote Max', daarvan zoveel
hield. Met jongens sprong hij `haasje-over' en hij tekende heel gaarne een
patroon voor 't borduurwerk van de meisjes. Zelfs nam hij dezen meermalen
de naald uit de hand, en vermaakte zich met dat werk, ofschoon hij dikwijls
zei dat ze wel wat beters konden doen dan dat `machinale steken tellen'.
Bij jongelieden van achttien jaren was hij een jong student, die gaarne
zijn Patriam canimus meezong, of Gaudeamus igitur ... ja,
ik ben niet geheel zeker, dat hij niet nog zeer kort geleden, toen hij met
verlof te Amsterdam was, een uithangbord heeft afgebroken, dat hem niet
behaagde omdat er een neger op geschilderd was, geboeid aan de voeten van
een Europeaan met een lange pijp in de mond, en waaronder natuurlijk te
lezen stond: De rokende jonge koopman.
De baboe die hij uit de wagen had geholpen, geleek op alle baboes
in Indië, als ze oud zijn. Wanneer ge deze soort van bedienden kent,
behoef ik u niet te zeggen hoe zij er uitzag. En als gij ze niet kent, kan
ik het u niet zeggen. Dit alleen onderscheidde haar van andere kindermeiden
in Indië, dat ze zeer weinig te doen had. Want mevrouw Havelaar was
een voorbeeld van zorg voor haar kind, en wat er voor of met de kleine Max
te doen viel, deed zij zelf, tot grote verwondering van veel andere dames,
die niet goedkeurden dat men zich maakte tot `slavin van zijn kinderen'.
Naar het volgende hoofdstuk.