Naar het vorige hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk.

Zevende hoofdstuk

De resident van Bantam stelde de regent en de controleur aan de nieuwe assistent-resident voor. Havelaar begroette beide beambten hoffelijk. De controleur -- er is altijd iets pijnlijks in de ontmoeting van een nieuwe chef- zette hij door enige vriendelijke woorden op zijn gemak, als wilde hij terstond reeds een soort van gemeenzaamheid invoeren, die 't verkeer zou gemakkelijk maken. Met de regent was zijn ontmoeting zoals dit behoorde met een persoon die de gouden pajong voert maar die tegelijkertijd zijn `jongere broeder' wezen zou. Met deftige minzaamheid berispte hij hem over zijn te vurige dienstijver, die in zulk een weer hem tot aan de grenzen zijner Afdeling gevoerd had, 'tgeen dan ook de regent, strikt genomen volgens de regelen der etikette, niet had behoeven te doen.

`Waarlijk, meneer de Adipati, ik ben boos op u dat ge u zoveel moeite gegeven hebt om mijnentwil! Ik dacht u eerst te Rangkas-Betoeng aan te treffen.'

`Ik wenste de heer assistent-resident zo spoedig mogelijk te zien om vriendschap te sluiten,' zei de Adipati.

`Zeker, zeker, ik voel me zeer vereerd! Maar ik zie niet gaarne iemand van uw rang en uw jaren zich al te veel inspannen. En te paard nogal!' `Ja, meneer de assistent-resident! Waar de dienst me roept, ben ik nog altijd vlug en sterk.'

`Dit is teveel van uzelf gevergd! Nietwaar, resident?'

`De heer Adipati. Is. Zeer.'

`Goed, maar er is een grens.'

`IJverig,' sleepte de resident achterna.

`Goed, maar er is een grens,' moest Havelaar nog eens zeggen, als om 't vorige terug te slikken. `Als u 't goed vindt, resident, zullen we plaats in de wagen maken. De baboe kan hier blijven, we zullen haar een tandoe zenden van Rangkas-Betoeng. Mijn vrouw neemt Max op de schoot ... nietwaar, Tine? En dan is er plaats genoeg.'

`Het. Is. Mij.'

`Verbrugge, we zullen ook u passage geven, ik zie niet in ...' `Wel!' zei de resident.

`Ik zie niet in waarom ge zonder noodzaak te paard door de modder zoudt klepperen ... er is plaats genoeg voor ons allen. We kunnen dan meteen terstond kennis maken. Nietwaar, Tine, we zullen ons wel schikken? Hier, Max ... kijk eens, Verbrugge, is dat niet een aardig kereltje? Dat is mijn kleine jongen ... dat is Max!'

De resident had met de Adipati in de pendopo plaats genomen. Havelaar riep Verbrugge om hem te vragen wie die schimmel behoorde met rode schabrak? En toen Verbrugge naar de ingang van de pendopo trad, om te zien welk paard hij bedoelde, legde hij deze de hand op de schouder, en vroeg:

`Is de regent altijd zo dienstijverig?'

`'t Is een kras man voor zijn jaren, meneer Havelaar, en u begrijpt dat hij gaarne een goede indruk op u maken zou.'

`Ja, dat begrijp ik. Ik heb veel goeds van hem gehoord ... hij is beschaafd, nietwaar?'

`O ja ...'

`En hij heeft een grote familie?'

Verbrugge zag Havelaar aan, als begreep hij deze overgang niet. Dit was dan ook, voor wie hem niet kende, dikwijls moeilijk. De vlugheid van zijn geest deed hem in gesprekken meermalen enige schakels der redenering overslaan, en hoe geleidelijk ook deze overgang plaats vond in zijn gedachten, was het toch iemand die minder vlug was, of niet gewoon aan zijn vlugheid, niet euvel te duiden wanneer men bij zulk een gelegenheid hem aanstaarde met de onuitgesproken vraag op de lippen: Ben je gek ... of hoe is het?

Zoiets lag er dan ook in de trekken van Verbrugge, en Havelaar moest de vraag herhalen, voor hij antwoordde:

`Ja, hij heeft een zeer uitgebreide familie.'

`En zijn er medjids in aanbouw in de Afdeling?' ging Havelaar voort, alweer op een toon die, geheel in tegenspraak met de woorden zelf, scheen aan te duiden dat er verband bestond tussen die moskeeân en de `grote familie' van de regent.

Verbrugge antwoordde dat er werkelijk veel aan moskeeën gearbeid werd.

`Ja, ja, dit wist ik wel!' riep Havelaar. `En zeg me nu eens, of er veel achterstand is in de betaling van de landrenten?'

`Ja, dat kon wel beter zijn ...'

`Juist, en vooral in het district Parang-Koedjang,' zei Havelaar, als vond hij 't makkelijker zelf te antwoorden. `Hoe hoog is de aanslag van dit jaar?' ging hij voort, en bemerkende dat Verbrugge enigszins weifelde, als om zich op 't antwoord te bezinnen, voorkwam hem Havelaar, die in één adem aldus vervolgde:

`Goed, goed, ik weet het al ... zesentachtigduizend en enige honderden ... vijftienduizend meer dan in 't vorige jaar ... doch maar zesduizend boven `45. We zijn sedert `43 maar achtduizend vooruitgegaan ... en ook de bevolking is zeer schraal ... nu ja, Malthus! In twaalfjaar zijn we maar elf procent gestegen, en dit is nog de vraag, want de tellingen waren vroeger zeer onnauwkeurig ... en nog! Van `50 op `51 is er zelfs een teruggang. Ook de veestapel gaat niet vooruit ... dat is een slecht teken, Verbrugge! Wat drommel, zie dat paard eens springen, ik geloof dat het koldert ... kom eens kijken, Max!'

Verbrugge bemerkte dat hij de nieuwe assistent-resident weinig zou te leren hebben, en dat er geen kwestie was van overwicht door `lokale anciënniteit' wat de goede jongen dan ook niet begeerd had.

`Maar 't is natuurlijk,' ging Havelaar voort, terwijl hij Max op de arm nam. `In het Tjikandische en Bolangse zijn ze er heel blij om ... en de opstandelingen in de Lampongs ook. Ik beveel me zeer aan voor uw medewerking, meneer Verbrugge! De regent is een man van jaren, en dus moeten we ... zeg eens, is zijn schoonzoon nog altijd districtshoofd? Alles saamgenomen houd ik hem voor een persoon die inschikkelijkheid verdient ... de regent, meen ik. Ik ben zeer blij dat hier alles zo achterlijk en armoedig is, en ... hoop hier lang te blijven.'

Hierop reikte hij aan Verbrugge de hand, en deze, met hem terugkerende naar de tafel waar de resident, de Adipati en mevrouw Havelaar gezeten waren, voelde reeds iets beter dan vijfminuten vroeger, dat `die Havelaar zo gek niet was' als de commandant meende. Verbrugge was volstrekt niet misdeeld van verstand, en hij die de afdeling Lebak kende, nagenoeg zo goed als een zo grote landstreek waar niets gedrukt wordt, door één persoon gekend worden kÖn, begon in te zien dat er toch verband was tussen de schijnbaar niet samenhangende vragen van Havelaar, en tevens dat de nieuwe assistent-resident, hoezeer hij nooit de Afdeling betreden had, iets wist van wat er omging. Wel begreep hij nog altijd die vreugde niet over de armoede in Lebak, maar hij drong zich op, die uitdrukking verkeerd verstaan te hebben. Later evenwel, toen Havelaar hem meermalen hetzelfde zei, zag hij in hoeveel groots en edels er was in die vreugde. Havelaar en Verbrugge namen plaats bij de tafel, en onder 't gebruiken van thee over onbeduidende dingen sprekende, wachtte men tot Dongso de resident kwam berichten dat de verse paarden waren voorgespannen. Men pakte zich zo goed mogelijk in de wagen, en reed heen. Door 't hotsen en stoten viel 't spreken moeilijk. Kleine Max werd rustig gehouden met pisang en zijn moeder die hem op schoot had, wilde volstrekt niet bekennen dat ze vermoeid was, als Havelaar aanbood haar van de zware jongen te ontlasten. In een ogenblik van gedwongen rust in een moddergat, vroeg Verbrugge de resident, of hij met de nieuwe assistent- resident reeds gesproken had over mevrouw Slotering. `Meneer. Havelaar. Heeft. Gezegd.' `Welzeker, Verbrugge, waarom niet? Die dame kan bij ons blijven. Ik zou niet gaarne ...' `Dat. Het. Goed. Was.' sleepte de resident er met veel moeite bij. `Ik zou niet gaarne mijn huis ontzeggen aan een dame in haar omstandigheden! Zoiets spreekt vanzelf... nietwaar, Tine?' Ook Tine meende dat het vanzelf sprak. `U heeft twee huizen te Rangkas-Betoeng,' zei Verbrugge. `Er is ruimte in overvloed voor twee familin.' `Maar, al was dit zo niet ...' `Ik. Durfde. Het. Haar.' `Wel, resident,' riep mevrouw Havelaar, `er is geen twijfel aan!' `Niet. Toezeggen. Want. Het. Is.' `Al waren ze met hun tienen, als ze 't maar voor lief nemen bij ons.' `Een. Grote. Last. En. Zij. Is.' `Maar het reizen in haar positie is onmogelijk, resident!' Een hevige schok van de wagen die ontmodderd werd, zette een uitroepingsteken achter Tine's verklaring dat het reizen onmogelijk was voor mevrouw Slotering. Ieder had het gebruikelijke h! geroepen, dat op zulk een stoot volgt, Max had in de schoot zijner moeder de pisang weergevonden, die hij door de schok verloor, en reeds was men een heel eind nader aan de modderdiepte die straks komen zou, voor de resident besluiten kon zijn zinsnede te voleinden, door er bij te voegen: `Een. Inlandse. Vrouw.' `O, dit is volkomen hetzelfde,' trachtte mevrouw Havelaar verstaanbaar te maken. De resident knikte, als vond hij het goed dat die zaak dus geregeld was, en daar het spreken zo moeilijk viel, brak men 't gesprek af Die mevrouw Slotering was de weduwe van Havelaars voorganger die twee maanden geleden gestorven was. Verbrugge, daarop voorlopig belast met het ambt van assistent-resident, zou 't recht gehad hebben, gedurende die tijd de ruime woning te betrekken, die te Rangkas-Betoeng, zoals in elke afdeling, van landswege voor 't hoofd van het gewestelijk bestuur is opgericht. Hij had dit echter niet gedaan, gedeeltelijk misschien uit vrees dat hij te spoedig opnieuw zou moeten verhuizen, gedeeltelijk om 't gebruik daarvan aan die dame met haar kinderen over te laten. Er ware anders ruimte genoeg geweest, want behalve de vrij grote assistent- residentswoning zelf, stond daarneven op 'tzelfde `erf' nog een ander huis dat vroeger daartoe gediend had, en in weerwil van de enigszins bouwvallige staat, nog altijd zeer geschikt was ter bewoning. Mevrouw Slotering had de resident verzocht haar voorspraak te zijn bij de opvolger van haar echtgenoot, om de vergunning dat oude huis te bewonen tot na haar verlossing, die zij over enige maanden tegemoet zag. Het was dit verzoek dat door Havelaar en zijn vrouw zo geredelijk was toegestaan, iets dat geheel in hun aard lag, want gastvrij en hulpvaardig waren zij in de hoogste mate. We hoorden de resident zeggen dat mevrouw Slotering een `inlandse vrouw' was. Dit vereist voor niet-Indische lezers enige opheldering, daar men allicht tot de onjuiste mening geraken zou hier met een eigenlijk- Javaanse te doen te hebben. De Europese maatschappij in Nederlands-Indi is vrij scherp in twee delen gesplitst: de eigenlijke Europeanen, en dezulken die -- hoezeer wettelijk in geheel dezelfde rechtstoestand verkerende -- niet in Europa geboren zijn, en min of meer inlands bloed in de aderen hebben. Ter ere der begrippen van menselijkheid in Indi, haast ik me hier bij te voegen dat, hoe scherp ook de lijn zij die in 't maatschappelijk verkeer wordt getrokken tussen de twee soorten van individuen welke tegenover de inlander gelijkelijk de naam van Hollander dragen, deze afscheiding evenwel geenszins 't barbaars karakter vertoont, dat in Amerika bij de standsplitsing wordt waargenomen. Ik ontken niet dat er nog altijd veel onrechtvaardigs en stuitends in deze verhouding blijft bestaan, en dat het woord liplap mij meermalen in de oren klonk als een bewijs hoe ver de niet-liplap, de blanke, dikwerf van ware beschaving verwijderd is. Het is waar dat de liplap niet dan bij uitzondering in gezelschappen wordt toegelaten, en dat hij gewoonlijk, als ik me hier van een zeer gemeenzame uitdrukking bedienen mag: `niet voor vol wordt aangezien', maar zelden zal men zulke uitsluiting of geringschatting horen voorstellen en verdedigen als een grondbeginsel. Het staat natuurlijk ieder vrij, zijn eigen omgeving en gezelschap te kiezen, en men mag het de eigenlijke Europeaan niet euvel duiden, wanneer hij de omgang met lieden van zijn landaard voortrekt boven 't verkeer met personen die -- hun meer of minder zedelijke en verstandelijke waarde in 't midden gelaten -- zijn indrukken en denkbeelden niet delen, of -- en dit is misschien bij vermeend verschil van beschaving, zeer dikwijls de hoofdzaak -- wier vooroordelen een andere richting hebben genomen dan de zijne. Een liplap -- om de term te bezigen die voor beleefder wordt gehouden, zou ik moeten zeggen een dusgenaamd inlands kind, maar ik vraag vergunning mij te houden aan 't spraakgebruik dat uit alliteratie geboren schijnt, zonder dat ik met die uitdrukking iets beledigends bedoel, en wat betekent het woord dan ook? -- een liplap heeft veel goeds. Ook de Europeaan heeft veel goeds. Beiden hebben veel verkeerds, en ook hierin alzo gelijken zij op elkaar. Maar 't goede en 't verkeerde dat aan beiden eigen is loopt teveel uit elkander, dan dat hun verkering over 't algemeen tot wederzijds genoegen kan strekken. Bovendien -- en hieraan heeft de regering veel schuld -- is de liplap dikwijls slecht onderwezen. De vraag is nu niet hoe de Europeaan wezen zou, als hij zo van de jeugd af ware belemmerd geworden in zijn ontwikkeling, maar zeker is het dat de geringe wetenschappelijke ontwikkeling van de liplap in 't algemeen zijn gelijkstelling met de Europeaan in de weg staat, ook daar waar hij als individu in beschaving, wetenschap of kunst, misschien de voorrang boven een bepaalde Europese persoon verdienen zou. Ook hieraan is weer niets nieuws. Het lag ook bijv. in de staatkunde van Willem de Veroveraar, om de minstbeduidende Normandir te verheffen boven de beschaafdste Sakser, en elke Normandir beriep zich gaarne op 't overwicht der Normandirs in het algemeen, om zijn persoon ook daar te doen gelden, waar hij de minste zou geweest zijn zonder de invloed zijner stamgenoten als bovenliggende partij. Uit zoiets wordt natuurlijk in 't verkeer zekere gedwongenheid geboren, die niet zou weg te nemen zijn dan door wijsgerige onbekrompen inzichten en maatregelen van het bestuur. Dat de Europeaan, die in zulke verhouding aan de winnende kant is, zich in dit kunstmatig overwicht zeer gemakkelijk schikt, spreekt vanzelf. Maar dikwijls is 't koddig, iemand die zijn beschaving en taal grotendeels opdeed in de Rotterdamse Zandstraat, de liplap te horen uitlachen omdat deze een glas water en 't gouvernement, mannelijk, of zon en maan onzijdig maakt. Een liplap moge beschaafd, goed onderwezen zijn, of geleerd -- er zijn er zo! -- zodra de Europeaan, die zich ziek hield om achter te blijven van 't schip waarop hij borden waste, en die zijn aanspraken op beleefdheid baseert op `uwee' en `verexcuseer', aan het hoofd staat van de handelsonderneming die zo `enorm' gewonnen heeft op de indigo in 1800 zoveel ... nee, lang voor hij de toko bezat, waarin hij hammen en jachtgeweren verkoopt -- wanneer zo'n Europeaan opmerkt dat de beschaafdste liplap moeite heeft de h en de g uit elkaar te houden, lacht hij over de domheid van de man die niet weet dat er onderscheid is tussen een gouden hek en een houten gek. Maar om hierover niet te lachen, had hij moeten weten dat in het Arabisch en Maleis de cha en de hha door n karakter worden uitgedrukt, dat Hieronymus via Geronimo in Jerme overgaat, dat we van huano, guano maken, dat een want een handschoen is, dat kous van hose afstamt, en dat we voor Guild Heaume in 't Hollands Huillem of Willem zeggen. Zoveel eruditie is teveel gevergd van iemand die zijn fortuin maakte `in' de indigo, en z'n beschaving haalde uit het welgelukken van dobbelarij ... of erger! En zulk een Europeaan kan toch niet omgaan met zulk een liplap! Ik begrijp hoe Willem van Guillaume komt, en moet erkennen dat ik, vooral in de Molukken, zeer dikwijls `liplappen' heb leren kennen, die me deden verbaasd staan over de omvang hunner kennis, en die mij op 't denkbeeld brachten dat wij Europeanen, hoeveel hulpmiddelen ons ook ten dienste stonden, dikwijls -- en niet vergelijkenderwijze alleen verre ten achter staan bij de arme paria's, die van de wieg af hadden te strijden met kunstmatig-onbillijke terugzetting en 't zot vooroordeel tegen hun kleur. Maar mevrouw Slotering was eens voor al gevrijwaard voor fouten in 't Hollands, omdat ze nooit anders dan Maleis sprak. We zullen haar later te zien krijgen, als we met Havelaar, Tine en kleine Max theedrinken in de voorgalerij der assistent-residentswoning te Rangkas-Betoeng, waar ons reisgezelschap, na lang hotsen en stoten, eindelijk behouden aankwam. De resident, die slechts was meegekomen om de nieuwe assistent-resident in zijn ambt te bevestigen, gaf de wens te kennen nog diezelfde dag naar Serang terug te keren: `Omdat. Hij.' Havelaar betuigde insgelijks bereid te zijn tot alle spoed ... `Het. Zo. Druk. Had.' ... en de afspraak werd gemaakt, dat men daartoe over een half uur in de grote voorgalerij der woning van de regent zou bijeenkomen. Verbrugge, hierop voorbereid, had reeds voor vele dagen aan de districtshoofden, de patih, de kliwon, de djaksa, de belasting-collecteur, enige mantri's, en voorts aan alle inlandse beambten die deze plechtigheid moesten bijwonen, last gegeven zich op de hoofdplaats te verzamelen. De Adipati nam afscheid, en reed naar zijn huis. Mevrouw Havelaar bezag haar nieuwe woning, en was er zeer mee ingenomen, vooral omdat de tuin groot was, 'tgeen haar zo goed voorkwam voor kleine Max die veel in de lucht moest. De resident en Havelaar waren naar hun kamers gegaan om zich te verkleden, want bij de plechtigheid die er plaats hebben zou, scheen het officieel voorgeschreven kostuum een vereiste te wezen. Rondom het huis stonden honderden mensen, die of te paard de wagen van de resident hadden begeleid, of tot het gevolg der saamgeroepen hoofden behoorden. De politie- en bureau-oppassers liepen bedrijvig heen en weer. Kortom, alles toonde aan dat de eentonigheid op dat vergeten plekje gronds in de Javase Westhoek, voor een ogenblik werd afgebroken door wat leven. Weldra reed de fraaie wagen van de Adipati 't voorplein op. De resident en Havelaar, schitterend van goud en zilver, maar ietwat struikelend over hun degens, stapten erin, en begaven zich naar de woning van de regent, waar ze met muziek van gongs en gamelans ontvangen werden. Ook Verbrugge, die zich van zijn bemodderd kostuum had ontdaan, was reeds daar aangekomen. De mindere hoofden zaten in een grote kring, naar oosterse wijze op matten op de grond, en aan 't eind van de lange galerij stond een tafel, waaraan de resident, de Adipati, de assistent- resident, de controleur en een zestal hoofden plaats namen. Men diende thee met gebak rond, en de eenvoudige plechtigheid begon. De resident stond op, en las het besluit van de gouverneur-generaal voor, waarbij Max Havelaar was aangesteld tot assistent-resident van de afdeling Banten-Kidoel of Zuid-Bantam, zoals Lebak door de inlanders genoemd wordt. Hij nam daarna 't staatsblad waarin de eed stond die tot de aanvaarding van bedieningen in 't algemeen voorgeschreven is, en houdende: `dat men om tot het ambt van *** te worden benoemd of bevorderd, niemand iets beloofd of gegeven heeft, beloven of geven zal; dat men gehouw en getrouw zal zijn aan Zijne Majesteit de Koning der Nederlanden; gehoorzaam aan Zijner Majesteits vertegenwoordiger in de Indische gewesten; dat men stiptelijk zal opvolgen en doen opvolgen de wetten en bepalingen, die gegeven zijn of gegeven zullen worden, en dat men zich in alles zal gedragen gelijk een goed ... (hier: assistent- resident) betaamt.' Hierop volgde natuurlijk het sacramentele: `Zo waarlijk helpe mij God Almachtig. ` Havelaar sprak de voorgelezen woorden na. Als in deze eed begrepen, had eigenlijk moeten worden beschouwd de belofte: De inlandse bevolking te zullen beschermen tegen uitzuiging en onderdrukking. Want, zwerende dat men de bestaande wetten en bepalingen zou handhaven, behoefde men slechts het oog te slaan op de talrijke voorschriften dienaangaande, om in te zien dat eigenlijk een bijzondere eed hieromtrent niet te pas kwam. Maar de wetgever schijnt gemeend te hebben dat overvloed van goed niet schaden kan, althans men vordert van de assistent-residenten een afzonderlijke eed, waarbij die verplichting omtrent de geringe man nogeens uitdrukkelijk vermeld wordt. Havelaar moest dus andermaal `God Almachtig' tot getuige nemen bij de belofte: dat hij de `Inlandse bevolking beschermen zou tegen onderdrukking, mishandeling en knevelarij. ` Voor een fijne opmerker zou 't de moeite waard zijn geweest, het onderscheid gade te slaan tussen houding en toon van de resident en van Havelaar bij deze gelegenheid. Beiden hadden zij dusdanige plechtigheid meermalen bijgewoond. Het onderscheid dat ik bedoel, lag dus niet in 't meer of min getroffen zijn door het nieuwe en ongewone, doch werd alleen veroorzaakt door 't uiteenlopende der karakters en begrippen van deze beide personen. De resident sprak wel iets sneller dan gewoonlijk, daar hij 't besluit en de eden slechts behoefde vr te lezen, 'tgeen hem de moeite bespaarde naar zijn slotwoorden te zoeken, maar toch geschiedde van zijn kant alles met een deftigheid en een ernst, die de oppervlakkige beschouwer een zeer hoog denkbeeld moesten inboezemen van 't gewicht dat hij aan de zaak hechtte. Havelaar integendeel, toen hij met opgeheven vinger de eden nasprak, had iets in gelaat, stem en houding, alsof hij zeggen wilde: `Dat spreekt vanzelf, ook zonder God Almachtig zou ik dat doen', en wie menskunde bezat, zou meer vertrouwd hebben op zijn ongedwongenheid en schijnbare onverschilligheid, dan op de ambtelijke deftigheid van de resident. Is 't niet inderdaad bespottelijk, te menen dat de man die geroepen is recht te spreken, de man aan wie het wel of wee van duizenden is in handen gegeven, zich zou gebonden achten door een paar uitgesproken klanken, wanneer hij niet, ook zonder die klanken, zich daartoe gedrongen voelt door zijn eigen hart? Wij geloven van Havelaar, dat hij de armen en onderdrukten, waar hij die mocht aantreffen, zou beschermd hebben, al had hij bij `God Almachtig' het tegendeel beloofd. Daarop volgde een toespraak van de resident tot de hoofden, waarop hij hun de assistent-resident als opperhoofd der Afdeling voorstelde, hen uitnodigde hem te gehoorzamen, hun verplichtingen stipt na te komen, en dergelijke gemeenplaatsen meer. De hoofden werden daarop n voor n bij name aan Havelaar voorgesteld. Hij reikte ieder de hand, en de `installatie' was afgelopen. Men gebruikte ten huize van de Adipati 't middagmaal, waartoe ook de commandant Duclari genodigd was. Terstond na afloop daarvan, stapte de resident, die gaarne nog die avond te Serang wilde terug zijn: `Omdat. Hij. Het. Zo. Bijzonder. Druk. Had.' ... weer in zijn reiswagen, en zo keerde Rangkas-Betoeng weldra terug tot een stilte, als te verwachten is van een Javase binnenpost die door slechts weinig Europeanen bewoond werd en daarenboven niet aan de grote weg gelegen was. De kennismaking tussen Duclari en Havelaar was spoedig op een gemakkelijke voet gebracht. De Adipati gaf blijken van ingenomenheid met zijn nieuwe `oudere broeder' en Verbrugge verhaalde later dat ook de resident, die hij op zijn terugreis naar Serang een eindweegs uitgeleide had gedaan, zich zeer gunstig over de familie Havelaar, die op haar doortocht naar Lebak enige dagen te zijnen huize vertoefde, had uitgelaten. Ook zei hij dat Havelaar, bij de regering goed aangetekend staande, hoogstwaarschijnlijk spoedig tot een hoger ambt bevorderd, of althans naar een meer `voordelige' Afdeling verplaatst worden zou. Max en `zijn Tine' waren eerst onlangs van een reis naar Europa teruggekeerd, en gevoelden zich vermoeid van wat ik eens zeer eigenaardig een koffertjesleven heb horen noemen. Zij achtten zich dus gelukkig, na veel omzwervens eindelijk weer eens een plek te bewonen waar zij zouden thuisbehoren. Vr hun reis naar Europa, was Havelaar assistent-resident van Amboina geweest, waar hij met veel moeilijkheden had te strijden gehad, omdat de bevolking van dat eiland in een gistende en oproerige toestand verkeerde tengevolge van de vele verkeerde maatregelen die in de laatste tijd genomen waren. Niet zonder veerkracht had hij deze geest van verzet weten te onderdrukken, doch uit verdriet over de weinige hulp die men hem hierin van hogerhand verleende, en uit ergernis over 't ellendig bestuur dat sedert eeuwen de heerlijke streken der Molukken ontvolkt en bederft ... De belangstellende lezer trachte te lezen te krijgen wat over dit onderwerp reeds in 1825 door de baron Van der Capellen geschreven werd, en kan de publikatin van deze mensenvriend vinden in het Indische Staatsblad van dat jaar. De toestand is er sedert die tijd niet beter op geworden! Hoe dit zij, Havelaar deed te Amboina wat hij mocht en kon, maar uit ergernis over gebrek aan medewerking van hen die in de eerste plaats geroepen waren zijn pogingen te steunen, was hij ziek geworden, en dit had hem bewogen naar Europa te vertrekken. Strikt genomen had hij bij wederplaatsing aanspraak gehad op beter keuze dan de arme geenszins welvarende Afdeling Lebak, daar zijn werkkring te Amboina van groter gewicht was, en hij daar, zonder resident boven zich, geheel op zichzelf gestaan had. Bovendien was er, reeds voor hij naar Amboina vertrok, sprake van geweest hem tot resident te verheffen, en het bevreemdde dus sommigen dat hem thans het bestuur ener Afdeling werd opgedragen, die aan cultuur-emolumenten zo weinig opbracht, dewijl velen het belang ener bediening naar de daaraan verbonden inkomsten afmeten. Hijzelf echter beklaagde zich hierover volstrekt niet, want zijn eerzucht was geenszins van dien aard, dat hij bedelen zou om hogere rang of meer gewin. En dit laatste ware hem toch goed te stade gekomen! Want op zijn reizen in Europa had hij het weinige uitgegeven, dat hij in vorige jaren had overgegaard. Zelfs had hij daar schulden achtergelaten, en hij was dus, in n woord, arm. Doch nooit had hij zijn ambt beschouwd als een geldwinning, en bij zijn benoeming naar Lebak nam hij zich met tevredenheid voor, het achterstallige door zuinigheid in te halen, in welk voornemen zijn vrouw, die zo eenvoudig was in smaak en behoeften, hem met groot genoegen ondersteunen zou. Maar zuinigheid viel Havelaar moeilijk. Hij voor zich zelf kon zich tot het strikt nodige bepalen. Ja, zonder de minste inspanning kon hij binnen de grens daarvan blijven, doch waar anderen hulp behoefden, was hem 't helpen, het geven, een ware hartstocht. Hij zelf zag dit zwak in, beredeneerde met al 't gezond verstand dat hem gegeven was, hoe onrecht hij deed, iemand te ondersteunen, waar hij zelf meer aanspraak zou gehad hebben op zijn eigen hulp ... gevoelde dit onrecht nog levendiger, wanneer ook `zijn Tine' en Max, die hij beiden zo lief had, te lijden hadden onder de gevolgen zijner vrijgevigheid ... hij verweet zich zijn goedhartigheid als zwakte, als ijdelheid, als zucht om voor een verklede prins door te gaan ... hij beloofde zich beterschap, en toch ... telkens als deze of gene zich aan hem wist voor te doen als 't slachtoffer van tegenspoed, vergat hij alles om te helpen. En dit in weerwil der bittere ondervinding van de gevolgen dezer door overdrijving tot fout geworden deugd. Acht dagen voor de geboorte van zijn kleine Max, bezat hij 't nodige niet om 't ijzeren wiegje te kopen waarin zijn lieveling rusten zou, en weinig tijds tevoren nog had hij de weinige versierselen zijner vrouw opgeofferd, om iemand bij te staan, die gewis in beter omstandigheden verkeerde dan hijzelf. Maar dit alles lag al weer ver achter hen toen zij waren aangekomen te Lebak! Met vrolijke kalmte hadden zij bezit genomen van het huis, `waar ze nu toch enige tijd hoopten te blijven'. Met een eigenaardig genot hadden zij te Batavia de meubelen besteld, die alles zo comfortable en gezellig maken zouden. Zij toonden elkaar de plekken waar ze zouden ontbijten, waar kleine Max spelen zou, waar de bibliotheek zou staan, waar hij 's avonds haar zou voorlezen wat hij die dag geschreven had, want hij was altijd bezig met het ontwikkelen zijner denkbeelden op 't papier ... en: `Eens zou dat gedrukt worden', meende Tine, `en dan zou men zien wie haar Max was!' Maar nooit had hij iets ter perse laten leggen van wat er in zijn hoofd omging, omdat zekere schroom hem bezielde, die wel iets zweemde naar eerbaarheid. Hij zelf althans wist deze tegenzin niet beter te beschrijven, dan door aan wie hem aanspoorden tot publiciteit, te vragen: `Zoudt gij uw dochter op straat laten lopen zonder hemd?' Dit was dan weer een van de vele boutades, die zijn omgeving deden zeggen dat `die Havelaar toch een zonderling mens was,' en ik beweer het tegendeel niet. Maar als men de moeite nam zijn ongewone wijze van spreken te vertalen, zou men in die vreemde vraag over het toilet van een meisje, wellicht de tekst gevonden hebben voor een verhandeling over de kuisheid van de geest, die schuw is voor de blikken van de lompe voorbijganger, en zich terugtrekt in een hulsel van maagdelijke schroomvalligheid. Ja, ze zouden gelukkig zijn te Rangkas-Betoeng, Havelaar en zijn Tine! De enige zorg die hen drukte, waren de schulden die zij in Europa hadden achtergelaten, verhoogd met de nog onbetaalde kosten der terugreis naar Indi, en met de uitgaven voor 't meubelen hunner woning. Maar nood was er niet. Ze zouden immers leven van de helft, van een derde zijner inkomsten? Misschien ook, ja waarschijnlijk, zou hij spoedig resident worden, en dan werd alles makkelijk geregeld in weinig tijd ... `Hoewel 't mij erg spijten zou, Tine, Lebak te verlaten, want er is hier veel te doen. Je moet heel zuinig wezen, beste, dan kunnen wij misschien alles afdoen, ook zonder bevordering ... en dan hoop ik lang hier te blijven, heel lang!' Een aansporing tot zuinigheid nu, behoefde hij tot haar niet te richten. Zij had er waarlijk geen schuld aan, dat spaarzaamheid nodig was geworden, doch ze had zich zo vereenzelvigd met haar Max, dat ze die aansporing geenszins opvatte als een verwijt, wat het dan ook niet was. Want Havelaar wist zeer goed dat hij alleen gefaald had door zijn te ver gedreven vrijgevigheid, en dat haarfout -- ls er dan een fout bestond aan haar zijde -- alleen hierin had gelegen, dat ze uit liefde voor Max altijd alles had goedgekeurd wat hij deed. Ja, zij had het goed gevonden, toen hij die beide arme vrouwen uit de Nieuwstraat, die nooit Amsterdam hadden verlaten, en nooit waren `uitgeweest' rondleidde op de Haarlemmer kermis, onder 't koddig voorwendsel dat de Koning hem belast had met: `Het amuseren van oude vrouwtjes die zich zo goed gedragen hadden'. Zij vond het goed dat hij de weeskinderen uit alle gestichten te Amsterdam op koek en amandelmelk onthaalde, en ze overlaadde met speelgoed. Zij begreep volkomen dat hij de logementsrekening van de familie arme zangers betaalde, die terug wilden naar hun land, maar niet gaarne de have achterlieten, waartoe de harp behoorde, en de viool, en de bas, die zij zo nodig hadden voor hun schamel bedrijf. Zij kon het niet afkeuren dat hij 't meisje tot haar bracht, dat 's avonds op de straat hem had aangesproken ... dat hij haar te eten gaf en herbergde, en 't l te goedkoop `Ga heen, en zondig niet meer!' niet uitsprak, voor hij haar dat `niet zondigen' had mogelijk gemaakt. Zij vond het zeer schoon in haar Max, dat hij 't klavier liet terugbrengen in de voorkamer van de huisvader, die hij had horen zeggen hoe leed het hem deed, dat de meisjes verstoken waren van muziek `na dat bankroet'. Zij begreep zeer goed dat haar Max de slavenfamilie vrijkocht te Menado, die zo bitter bedroefd was te moeten stijgen op de tafel des afslagers. Zij vond het natuurlijk dat Max paarden weergaf aan de Alfoeren in de Minahassa, wier paarden waren doodgereden door de officieren van de Bayonnaise. Zij had er niets tegen dat hij te Menado en te Amboina de schipbreukelingen der Amerikaanse whalers bij zich riep en verzorgde, en zich te grand seigneur achtte om een herbergiersrekening voor te leggen aan 't Amerikaanse gouvernement. Zij begreep volkomen waarom de officieren van bijna elk aangekomen oorlogsschip grotendeels bij Max logeerden, en dat zijn huis hun geliefd pied--terre was. Was hij niet hr Max? Was het niet te klein, te nietig, was 't niet ongerijmd, hem die zo vorstelijk dacht, te willen binden aan de regels van spaarzaamheid en huishoudelijkheid die voor anderen gelden? En bovendien, al mocht er dan soms voor 't ogenblik iets onevenredigs wezen tussen inkomsten en uitgaven, was Max, hr Max, niet bestemd voor een schitterende loopbaan? Moest hij niet weldra in omstandigheden verkeren, die hem zouden in staat stellen zonder overschrijding zijner inkomsten de vrije loop te laten aan zijn groothartige neigingen? Moest hr Max niet gouverneur-generaal worden van dat lieve Indi, of... een koning? Was 't niet vreemd zelfs, dat hij niet reeds koning ws? Als er een fout bij haar kon gevonden worden, dan was haar ingenomenheid met Havelaar schuld daaraan, en zo ooit, dan zou 't hier gelden: dat men veel vergeven moet aan wie veel heeft lief gehad! Doch men had haar niets te vergeven. Zonder nu te delen in de overdreven begrippen die zij van haar Max koesterde, mag men toch aannemen dat hij een goede loopbaan voor zich had, en wanneer dit gegrond uitzicht zich had verwezenlijkt, zouden inderdaad de onaangename gevolgen zijner vrijgevigheid weldra uit de weg te ruimen geweest zijn. Maar nog een reden van geheel andere aard verontschuldigde haar en zijn schijnbare zorgeloosheid. Ze had zeer jong haar beide ouders verloren, en was bij haar familie opgevoed. Toen ze huwde, deelde men haar mee dat zij een klein vermogen bezat, 'tgeen dan ook werd uitbetaald, doch Havelaar ontdekte uit enkele brieven van vroeger tijd, en uit enige losse aantekeningen die zij in een van haar moeder afkomstige cassette bewaarde, dat haar familie zo van vaders- als van moederszijde zeer rijk was geweest, zonder dat hem evenwel duidelijk worden kon, waar, waardoor of wanneer die rijkdom was verloren gegaan. Zij zelf, die nooit belang gesteld had in zaken van geldelijke aard, wist weinig of niets te antwoorden, toen Havelaar bij haar aandrong op enige inlichtingen aangaande de vorige bezittingen van haar verwanten. Haar grootvader, de baron Van W., was met Willem de Vijfde naar Engeland uitgeweken en ritmeester geweest bij 't leger des hertogs van York. Hij scheen met de uitgeweken leden der stadhouderlijke familie een vrolijk leven geleid te hebben, wat dan ook door velen werd opgegeven als oorzaak van de ondergang zijner fortuin. Later, bij Waterloo, sneuvelde hij in een charge onder de huzaren van Boreel. Aandoenlijk was het, de brieven te lezen van haar vader -- toen een jongeling van achttienjaren, die als luitenant bij dat korps in dezelfde charge een sabelhouw op 't hoofd bekwam, aan welks gevolgen hij acht jaren later krankzinnig sterven zou -- brieven aan zijn moeder, waarin hij zich beklaagde hoe hij vruchteloos op het slagveld naar 't lijk zijns vader had gezocht. Wat haar afkomst van moederszijde aangaat, herinnerde zij zich dat haar grootvader op zeer aanzienlijke voet geleefd had, en uit sommige papieren bleek dat deze in het bezit was geweest van de posterijen in Zwitserland, op de wijze zoals thans nog in een groot gedeelte van Duitsland en Itali, die tak van inkomst de apanage uitmaakt der vorsten van Turn en Taxis. Dit deed een groot vermogen veronderstellen, maar ook hiervan was door geheel onbekende oorzaken niets, of zeer weinig althans, overgegaan op het tweede geslacht. Havelaar vernam 't weinige dat daarvan te vernemen was, eerst na zijn huwelijk, en bij zijn nasporingen wekte het zijn verwondering dat de cassette waarvan ik zoven sprak -- en die zij met de inhoud uit een gevoel van piteit bewaarde, zonder te gissen dat daarin misschien stukken waren, die belang hadden uit een geldelijk oogpunt -- op onbegrijpelijke wijze was verloren gegaan. Hoe onbaatzuchtig ook, hij bouwde op deze en vele andere omstandigheden de mening dat hierachter een roman intime verscholen lag, en men mag 't hem niet euvel duiden dat hij, die voor zijn dure inborst veel behoefde, met vreugde die roman een blij einde had zien nemen. Hoe 't nu wezen moge met het bestaan van die roman, en of er al dan niet spoliatie had plaats gehad, zeker is 't dat er in Havelaars verbeelding iets geboren werd, wat men een rve aux millions zou kunnen noemen. Doch alweer was 't eigenaardig dat hij die zo nauwkeurig en scherp het recht van een ander -- hoe diep ook begraven onder stoffige akten en dikwebbige chicanes -- zou hebben nagespoord en verdedigd, dat hij hier waar zijn eigen belang in 't spel was, met slordigheid het ogenblik verwaarloosde, waarin misschien de zaak had moeten worden aangevat. Hij scheen iets als schaamte te gevoelen omdat het hier zijn eigen voordeel gold, en ik geloof zeker wanneer `zijn Tine' gehuwd ware geweest met een ander, met iemand die zich tot hem had gewend met het verzoek de spinrag te verbreken, waarin haar voorouderlijk fortuin was blijven hangen, dat hij geslaagd zou zijn `de interessante wees' in 't bezit te stellen van het vermogen dat haar behoorde. Maar nu was die interessante wees zijn vrouw, haar vermogen was het zijne, hij vond er dus iets koopmansachtigs in, iets derogerends, in haar naam te vragen: `Zijt ge mij niet nog iets schuldig?' En toch kon hij die miljoenendroom niet van zich schudden, al ware het dan ook slechts om een verontschuldiging bij de hand te hebben, bij het dikwijls voorkomend zelfverwijt dat hij te veel geld uitgaf Eerst kort voor het terugkeren naar Java, toen hij reeds veel geleden had onder de druk van geldgebrek, toen hij zijn fier hoofd had moeten buigen onder de furca caudina van menige schuldeiser, had hij zijn traagheid of zijn schroom kunnen overwinnen om werk te maken van de miljoenen die hij meende nog te goed te hebben. En men antwoordde hem met een oude rekening-courant ... een argument, zoals men weet, waartegen niets valt in te brengen. Maar ze zouden zo spaarzaam wezen te Lebak! En waarom ook niet? Er dwalen in zo'n onbeschaafd land, op de late avond geen meisjes over straat, die een weinig eer te verkopen hebben voor een weinig voedsel. Er zwerven daar zo geen mensen rond, die van problematische beroepen leven. Daar valt het niet voor, dat een gezin opeens te gronde gaat door wisseling van fortuin ... en van zodanige aard toch waren gewoonlijk de klippen waarop de goede voornemens van Havelaar strandden. Het getal Europeanen in die Afdeling was zo gering dat het niet in aanmerking komen kon, en de Javaan te Lebak te arm, om -- bij welke lotswisseling ook -- belangwekkend te worden door nog groter armoede. Dit alles overdacht Tine zo niet -- hiertoe toch had zij zich, juister dan zij uit liefde voor Max doen wilde, rekenschap moeten geven van de oorzaken hunner min gunstige omstandigheden -- maar er lag in hun nieuwe omgeving iets dat kalmte ademde, en afwezen van alle aanleidingen -- met meer of min vals-romaneske tint dan -- die vroeger Havelaar zo dikwijls hadden doen zeggen: `Nietwaar, Tine, dt is nu toch een geval waaraan ik me niet onttrekken kan?' En waarop zij altijd geantwoord had: `Welnee, Max, draan kan je je niet onttrekken!' We zullen zien hoe 't eenvoudige, schijnbaar onbewogen Lebak Havelaar meer kostte dan alle vorige uitspattingen van zijn hart te zamen genomen. Maar dit wisten zij niet! Zij zagen de toekomst met vertrouwen tegemoet, en voelden zich zo gelukkig in hun liefde en in 't bezit van hun kind ... `Wat al rozen in de tuin,' riep Tine, `en ziedaar ook rampeh en tjempaka, en zoveel melati, en zie eens die schone lelin ...' En, kinderen als ze waren, vermaakten zij zich met hun nieuwe huis. En toen 's avonds Duclari en Verbrugge, na een bezoek bij Havelaar, terugkeerden naar hun gemeenschappelijke woning, spraken zij veel over de kinderlijke vrolijkheid van de nieuw aangekomen familie. Havelaar begaf zich naar zijn kantoor, en bleef daar de nacht door, tot de volgende morgen.