Naar het vorige hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk.

Negende hoofdstuk

Ik gaf er veel voor, met juistheid te weten, lezer, hoe lang ik nu een heldin in de lucht zou kunnen laten zweven, voor ge, bij de beschrijving van een kasteel, mijn boek moedeloos uit de hand zoudt leggen, zonder te wachten tot het mens op de grond kwam? Als ik in mijn verhaal zulk een luchtsprong nodig had, zou ik voorzichtigheidshalve nog altijd een eerste verdieping kiezen als uitgangspunt van haar sprong, en een kasteel waarvan weinig te zeggen viel. Wees echter voorlopig gerust: Havelaars huis had geen verdieping, en de heldin van mijn boek -- goede hemel, de lieve trouwe anspruchslose Tine, een heldin! -- is nooit uit een venster gesprongen.

Toen ik 't vorig hoofdstuk sloot met een aanwijzing op wat afwisseling in het volgende, was dit eigenlijk meer een oratorische kunstgreep, en om een slot te maken dat goed `knipte' dan wel omdat ik inderdaad meende dat het volgend hoofdstuk alleen `ter afwisseling' waarde hebben zou. Een schrijver is ijdel als ... een man. Spreek kwaad van zijn moeder of van de kleur zijner haren, zeg dat hij een Amsterdams accent heeft -- wat nooit een Amsterdammer toestemt -- wellicht vergeeft hij u die dingen. Maar ... roer nooit aan de buitenzij van 't kleinste onderdeel ener bijzaak van iets dat er lag naast zijn geschrijf... want dÖt vergeeft hij u niet! Als ge dus mijn boek niet schoon vindt, en ge mocht mij ontmoeten, houdt u dan alsof wij elkander niet kenden.

Nee, zelfs zulk een hoofdstuk `ter afwisseling' komt me door het vergrootglas mijner schrijversijdelheid, hoogst belangrijk en zelfs onmisbaar voor, en als ge het oversloegt, en daarna niet naar behoren waart ingenomen met mijn boek, zou ik niet aarzelen u dat overslaan te verwijten als oorzaak dat ge mijn boek niet kondet beoordelen, want dat ge juist het essentiâle niet gelezen hadt. Z¢ zou ik -- want ik ben man en schrijver -- elk hoofdstuk voor essentieel houden, dat gij hadt overgeslagen met onvergeeflijke lezerslichtzinnigheid.

Ik verbeeld me dat uw vrouw vraagt: `Is er nogal wat aan dat boek?' En ge zegt bijvoorbeeld -- horribile auditu voor mij -- met de woordenrijkheid die eigen is aan gehuwde mannen: `Hm... zó... ik weet nog niet.'

Welnu, barbaar, lees verder! Het belangrijke staat juist voor de deur. En met een bevende lip staar ik u aan, en meet de dikte van de omgeslagen bladen, en ik zoek op uw gelaat naar de weerschijn van 't hoofdstuk `dat zo mooi is ...'

Nee, zeg ik, hij is er nog niet. Straks zal hij opspringen, in vervoering iets omhelzen, zijn vrouw misschien ...

Maar ge leest verder. Het `mooie hoofdstuk' moet voorbij wezen, dunkt me. Ge zijt in 't minst niet opgesprongen, hebt niets omhelsd ...

En al dunner wordt de bundel bladen onder uw rechterduim, en al schraler wordt mijn hoop op die omhelzing ... ja, waarachtig, ik had zelfs staat gemaakt op een traan!

En ge hebt de roman uitgelezen tot `waar ze elkaar krijgen' toe, en ge zegt -- een andere vorm van welsprekendheid in de echtestaat -- geeuwend:

`Zó ... zó! 't Is een boek dat ... hm! Och, ze schrijven zovéél tegenwoordig!'

Maar weet ge dan niet, ondier, tijger, Europeaan, lezer, weet ge dan niet dat ge daar een uur hebt doorgebracht met bijten op mijn geest als op een tandestoker? Met knagen en kauwen op vlees en been van uw geslacht? Menseneter, daarin stak mijn ziel, mijn ziel die ge hebt vermaald als eens gegeten gras! 't Was mijn hart dat ge daar hebt opgeslikt als een versnapering! Want in dat boek had ik dat hart en die ziel neergelegd, en er vielen zoveel tranen op dat handschrift, en mijn bloed week weg uit de âren naarmate ik voortschreef, en ik gaf u dat alles, en dat kocht ge voor weinige stuivers ... en ge zegt: Hm!

De lezer begrijpt dat ik hier niet spreek van mijn boek.

Zodat ik maar zeggen wil, om met Abraham Blankaart te spreken ...

`Wie is dat, Abraham Blankaart?' vroeg Louise Rosemeyer en Frits vertelde het haar, wat me groot genoegen deed, want dit gaf mij gelegenheid eens op te staan en, voor die avond althans een eind te maken aan de voorlezing. Ge weet dat ik makelaar in koffie ben -- Lauriergracht No 37 -- en dat ik alles over heb voor mijn vak. Ieder zal dus kunnen nagaan, hoe weinig ik tevreden was met het werk van Stern. Ik had op koffie gehoopt, en hij gaf ons ... ja, de hemel weet, wàt!

Met zijn opstel heeft hij ons al drie kransavonden bezig gehouden, en, wat het ergste is, de Rosemeyers vinden het mooi. Zo zeggen ze, tenminste. Als ik een aanmerking maak, beroept hij zich op Louise. `Haar goedkeuring, zegt hij, weegt hem zwaarder dan alle koffie van de wereld,' en bovendien: `Als 't hart me gloeit ...' enz. -- Zie deze tirade op bladzijde zoveel, of liever, zie ze niet. -- Daar sta ik dan, en weet niet wat te doen! Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaans paard. Ook Frits wordt erdoor bedorven. Hij heeft, naar ik bemerk, Stern geholpen, want die Abraham Blankaart is veel te Hollands voor een Duitser. Beiden zijn ze zo pedant, dat ik waarlijk met de zaak verlegen word. Het ergste is, dat ik met Gaafzuiger een overeenkomst heb aangegaan voor het uitgeven van een boek dat over de koffieveilingen moet handelen -- heel Nederland wacht erop -- en daar gaat me nu die Stern een heel andere weg uit! Gister zei hij: `Wees gerust, alle wegen leiden naar Rome. Wacht nu eerst het slot van de inleiding af -- is dat alles nog maar inleiding? -- ik beloof u -- hij zei eigenlijk: ``Ik verspreek u'' -- dat ten slotte de zaak zal neerkomen op koffie, koffie, op niets dan koffie! Denk aan Horatius,' ging hij voort, `heeft hij niet reeds gezegd: omne tulit punctum, qui miscuit... koffie met wat anders? Handelt gijzelf niet evenzo, als ge suiker en melk in uw kopje doet?'

En dan moet ik zwijgen. Niet omdat hij gelijk heeft, maar omdat ik aan de firma Last & Co. verplicht ben zorg te dragen dat de oude Stern niet vervalle in Busselinck & Waterman, die hem slecht zouden bedienen omdat het knoeiers zijn.

Bij u, lezer, stort ik mijn hart uit, en opdat ge na het lezen van Sterns geschrijf -- hebt ge 't werkelijk gelezen? -- uw toorn niet zoudt uitstorten over een onschuldig hoofd -- want ik vraag u, wie zal een makelaar nemen, die hem voor menseneter uitscheldt? -- hecht ik eraan, dat ge overtuigd zijt van mijn onschuld. Ik kan toch die Stern niet uit de firma van mijn boek dringen, nu de zaken eenmaal zóver zijn dat Louise Rosemeyer, als ze uit de kerk komt -- de jongens schijnen haar op te wachten -- vraagt of hij wat vroeg komen zal die avond, om toch recht veel van Max en Tine voor te lezen.

Maar omdat ge het boek hebt gekocht of gehuurd in 't vertrouwen op de deftige titel die wat degelijks belooft, erken ik uw aanspraken op wat goeds voor uw geld, en daarom schrijf ik zelf nu eens weer een paar hoofdstukken. Ge zijt niet in de krans van de Rosemeyers, lezer, en dus gelukkiger dan ik die alles moet aanhoren. U staat het vrij, de hoofdstukken over te slaan, die naar Duitse opgewondenheid rieken, en u alleen bezig te houden met wat geschreven is door mij, die een deftig man ben, en makelaar in koffie.

Met bevreemding heb ik uit Sterns geschrijf vernomen -- en uit Sjaalmans pak heeft hij me aangetoond dat het waar was -- dat er in die Afdeling Lebak geen koffie wordt geplant. Dit is zeer verkeerd, en ik zal mijn moeite ruim beloond achten, als de regering door mijn boek op die fout wordt opmerkzaam gemaakt. Uit de papieren van Sjaalman zou blijken, dat de grond in die streken voor de koffiecultuur niet geschikt is. Maar hierin ligt volstrekt geen verschoning, en ik beweer dat men zich schuldig maakt aan onvergeeflijk plichtverzuim omtrent Nederland in het algemeen en de koffiemakelaars in 't bijzonder, ja omtrent de Javanen zelf, door niet, òf die grond te veranderen -- de Javaan heeft toch niets anders te doen -- òf, als men meent dit niet te kunnen, de mensen die dáár wonen, te zenden naar andere streken waar de grond wèl goed is voor koffie.

Ik zeg nooit iets wat ik niet goed overwogen heb, en durf beweren dat ik hier met kennis van zaken spreek, daar ik over dit stuk rijpelijk heb nagedacht, vooral sedert het horen der preek van dominee Wawelaar in de bidstond voor 't bekeren der heidenen.

Dat was woensdagavond. Ge moet weten, lezer, dat ik mijn plichten als vader stipt vervul, en dat de zedelijke opleiding mijner kinderen me zeer na aan het hart ligt. Daar nu Frits sedert enige tijd in toon en manieren iets heeft aangenomen, dat me niet bevalt -- 't komt alles uit dat verwenste pak! -- heb ik hem eens goed onder handen genomen, en gezegd: `Frits, ik ben niet over je tevreden! Ik heb je altijd het goede voorgehouden, en toch wijk je van de rechte weg af Je bent pedant en lastig, en maakt verzen, en je hebt Betsy Rosemeyer een zoen gegeven. De vreze des Heren is 't beginsel van alle wijsheid, je moet dus de Rosemeyers niet zoenen, en niet zo pedant wezen. Zedeloosheid brengt ten verderve, jongen. Lees in de Schrift, en let eens op die Sjaalman. Hij heeft de wegen van de Heer verlaten: nu is hij arm, en woont op een klein kamertje ... ziedaar de gevolgen van onzedelijkheid en slecht gedrag! Hij heeft verkeerde artikels in de IndÇpendance geschreven en de Aglaia laten vallen. Zo gaat het, als men wijs is in zijn eigen ogen. Hij weet nu niet eens hoe laat het is, en zijn jongetje heeft maar een half broekje aan. Bedenk dat je lichaam een tempel Gods is, en dat je vader altijd hard heeft moeten werken voor de kost -- 't is de waarheid! -- sla dus 't oog naar boven, en tracht op te groeien tot een fatsoenlijk makelaar, als ik naar Driebergen ga. En let toch op al die mensen die niet horen willen naar goede raad, die godsdienst en zedelijkheid met voeten trappen, en spiegel je aan die mensen. En stel je niet gelijk met Stern, wiens vader zo rijk is, en die altijd geld genoeg zal hebben, al wil hij geen makelaar worden, en al doet hij nu en dan eens wat verkeerds. Bedenk toch dat al het kwade gestraft wordt: zie maar weer die Sjaalman die geen winterjas heeft, en er uitziet als een komediespeler. Luister toch goed in de kerk, en zit daar niet zo heen en weer te draaien op je bank, alsof 't je verveelde, jongen, want ... wat moet God daarvan denken? De kerk is Zijn heiligdom, zie je? En wacht geen jonge meisjes op als 't uit is, want dit neemt de stichting weg. Maak ook Marie niet aan 't lachen, als ik bij 't ontbijt uit de Schrift lees. Dat komt in een fatsoenlijk huishouden niet te pas. Ook heb je poppetjes getekend op 't legblad van Bastiaans, toen de man weer niet binnen was -- omdat hij telkens de jicht heeft -- dat houdt de mensen op 't kantoor van hun werk, en er staat in Gods woord dat zulke dwaasheden ten verderve leiden. Die Sjaalman deed ook verkeerde dingen toen hij jong was: hij heeft als kind op de Westermarkt een Griek geslagen ... nu is hij lui, pedant en ziekelijk, ziedaar! Maak dus niet zo altijd grappen met Stern, jongen: zijn vader is rijk, moet je denken. Houd je alsof je 't niet zag, als hij gezichten trekt tegen de boekhouder. En als hij buiten 't kantoor met verzen bezig is, zeg hem dan zo eens, dat hij 't hier bij ons zo goed heeft, en dat Marie pantoffels voor hem heeft geborduurd met echte floszij. Vraag hem -- zo eens uit je zelf, weet je? -- of hij gelooft dat zijn vader bij Busselinck & Waterman gaan zal, en zeg hem dat het knoeiers zijn. Zie je, dat is men zijn naaste schuldig -- zo breng je hem op de goede weg, meen ik -- en ... al dat verzenmaken is gekheid. Wees toch braaf en gehoorzaam, Frits, en trek de meid niet aan de rokken, als ze thee brengt op 't kantoor, en maak me niet te schande, want dan stort ze, en Paulus zegt dat nooit een zoon verdriet moet doen aan zijn vader. Ik bezoek twintig jaar de beurs, en durf zeggen dat ik geacht ben bij mijn pilaar. Hoor dus naar mijn vermaningen, Frits, en wees braaf, en haal je hoed, en trek je jas aan, en ga mee naar de bidstond, dat zal je goed doen!' Zó heb ik gesproken, en ik ben overtuigd dat ik indruk op hem gemaakt heb, vooral daar dominee Wawelaar tot onderwerp van zijn rede had gekozen: de liefde Gods, blijkbaar uit Zijn toorn tegen de ongelovigen, naar aanleiding van Samuels berisping aan Saul: I Samuel 15: 33b.
Bij 't aanhoren van die predikatie, dacht ik gedurig hoe hemelsbreed toch het verschil is tussen menselijke en goddelijke wijsheid. Ik zei reeds dat er in het pak van Sjaalman, onder veel vodden, toch ook een en ander was, dat in 't oog viel door degelijkheid van redenering. Maar, och, hoe weinig heeft toch zoiets te beduiden, als men 't vergelijkt bij een taal als van dominee Wawelaar! En niet uit eigen kracht -- want ik ken Wawelaar, en houd hem voor iemand die waarlijk niet hoog vliegt -- nee, door de kracht die van boven komt. Dit onderscheid bleek te duidelijker, omdat hij sommige punten aanroerde, die ook door Sjaalman behandeld waren, want ge hebt gezien dat er in zijn pak veel over Javanen en andere heidenen voorkwam. Frits zegt dat de Javanen geen heidenen zijn, maar ik noem ieder die een verkeerd geloof heeft, een heiden. Want ik houd me aan Jezus Christus, en die gekruist, en dit zal elk fatsoenlijk lezer ook wel doen. Zowel omdat ik uit Wawelaars redevoering mijn mening heb geput omtrent het ongeoorloofde der intrekking van de koffiecultuur te Lebak, waarop ik straks zal terugkomen, als omdat ik als eerlijk man niet wil, dat de lezer volstrekt niets ontvangt voor zijn geld, zal ik hier enige brokstukken uit de preek meedelen, die al bijzonder treffend waren. Hij had kortelijk Gods liefde uit de aangehaalde tekstwoorden bewezen, en was al zeer spoedig overgegaan tot het punt, waarop 't hier eigenlijk aankwam, die bekering namelijk van Javanen, Maleiers, en hoe al dat volk heten moge. Ziehier wat hij daarvan zei: `Z, mijn geliefden, was de heerlijke roeping van Isral -- hij bedoelde het uitroeien der bewoners van Kanan -- en z is de roeping van Nederland! Neen, er zal niet gezegd worden dat het licht dat ons bestraalt, wordt weggezet onder de korenmaat, en niet ook dat wij gierig zijn in het meedelen van het brood des eeuwigen levens! Slaat het oog op de eilanden des Indischen Oceaans, bewoond door miljoenen en miljoenen kinderen des verstoten zoons -- en des terecht verstoten zoons -- van de edele Godgevallige Noach! Dr kruipen zij rond in de walgelijke slangeholen van heidense onkunde, daar buigen zij het zwarte kroesharige hoofd onder het juk van eigenbelangzuchtige priesters! Daar aanbidden zij God onder aanroeping van een valse profeet, die een gruwel is voor de ogen des Heren! En, geliefden, zelfs zijn er die, als ware het niet genoeg een valse profeet te gehoorzamen, zelfs zijn er die een andere God, wat zeg ik, die goden aanbidden, goden van hout of steen, die zij zelf gemaakt hebben naar hun beeld, zwart, afschuwelijk, met platte neuzen en duivelachtig! Ja, geliefden, bijna beletten mij de tranen hier voort te gaan, nog dieper is de verdorvenheid van Chams geslachte! Er zijn er onder hen, die geen God kennen, onder welke naam ook! Die menen dat het voldoende is, de wetten te gehoorzamen der burgerlijke maatschappij! Die een oogstlied, waarin ze hun vreugde uitdrukken over het welslagen van hunne arbeid, beschouwen als voldoende dank aan het Opperwezen dat die oogst rijpen liet! Er leven daar verdoolden, mijne geliefden -- wanneer zulk een gruwelijk bestaan de naam van leven dragen mag! -- daar vindt men wezens die beweren dat het voldoende is, vrouw en kind lief te hebben en van hunne naaste niet te nemen wat hun niet behoort, om 's avonds gerust het hoofd te kunnen nederleggen ter slape! IJst ge niet bij dit tafereel? Krimpt uw hart niet ineen bij het bedenken wat het lot wezen zal van al die dwazen, zodra de bazuine schallen zal, die de doden oproept ter scheiding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen? Hoort ge niet -- ja, gij hoort het, want uit de voorgelezen tekstwoorden hebt gij gezien dat uw God is een machtig God, en een God der gerechte wrake -- ja, gij hoort het gekraak der beenderen en het geknetter der vlammen in het eeuwig Gehenna waar wening is, en tandengeknars! Dr, dr branden zij, en vergaan niet, want eeuwig is de straffe! Dr lekt de vlam met nooit voldane tong aan de gillende slachtoffers van het ongeloof! Dr sterft de worm niet, die hunne harten dr en dr knaagt, zonder ooit die te vernietigen, opdat er steeds een hart te knagen overblijve in de borst van de Godverzaker! Ziet, hoe men het zwarte vel afstroopt van het ongedoopte kind dat, nauwelijks geboren, werd weggeslingerd van de borst der moeder, in de poel der eeuwige verdoemenis ...' Toen viel er een juffrouw flauw. `Maar, geliefden,' ging dominee Wawelaar voort, `God is een God van liefde! Hij wil niet dat de zondaar verloren ga, maar dat hij zalig worde met de genade, in Christus, door het geloof! En daarom is Nederland uitverkoren om van die rampzaligen te redden wat ervan te redden is! Drtoe heeft Hij in Zijn onnaspeurlijke Wijsheid aan een land, klein van omvang, maar groot en sterk door de kennisse Gods, macht gegeven over de bewoners dier gewesten, opdat zij door het heilig nooit volprezen Euangelium worden gered van de straffen der helle! De schepen van Nederland bevaren de grote wateren, en brengen beschaving, godsdienst, Christendom, aan de verdoolde Javaan! Neen, ons gelukkig Nederland begeert niet voor zich alleen de zaligheid: wij willen die ook mededelen aan de ongelukkige schepselen op verre stranden, die daar gebonden liggen in de kluisters van ongeloof, bijgeloof en zedeloosheid! Het beschouwen van de plichten die ten deze op ons rusten, zal het zevende deel mijner rede uitmaken.' Want, wat voorafging was het zesde. Onder de plichten die wij ten aanzien van die arme heidenen te vervullen hebben, werden genoemd: 1. Het geven van ruime bijdragen in geld aan de zendelingsvereniging. 2. Het ondersteunen der bijbelgenootschappen, teneinde deze in staat te stellen, bijbels op Java uit te delen. 3. Het bevorderen van `Oefeningen' te Harderwijk, ten dienste van het koloniaal werfdepot. 4. Het schrijven van preken en godsdienstige gezangen, geschikt om doorsoldaten en matrozen aan de Javanen te worden voorgelezen en voorgezongen. 5. Het oprichten ener vereniging van invloedrijke mannen, wier taak zoude zijn, onze geerbiedigde Koning te smeken: a. Slechts zulke gouverneurs, officieren en beambten te benoemen, die geacht kunnen worden vast te staan in het ware geloof. b. De Javaan te doen vergunnen de kazernes, alsmede de op de reden liggende oorlogs- en koopvaardijschepen te bezoeken, om door 't verkeer met Nederlandse soldaten en matrozen te worden opgeleid tot het Godsrijk. c. Te verbieden, bijbels of godsdienstige traktaatjes in drankhuizen te doen aannemen in betaling. d. Te doen opnemen in de voorwaarden der amfioenpacht op Java, de bepaling: dat er in elk amfioenkit een voorraad bijbels moet aanwezig zijn, in verhouding met het vermoedelijk getal bezoekers van zodanig gesticht, en dat de pachter zich verbinde geen opium te verkopen, zonder dat de koper een godsdienstig traktaatje daarbij neme. e. Te gelasten dat de Javaan door arbeid tot God worde gebracht. 6. Het geven van ruime bijdragen aan de zendelinggenootschappen. Ik weet wel dat ik dit laatste punt reeds onder nummer n heb opgegeven, maar hij herhaalde het, en deze overtolligheid komt mij, in het vuur der rede, zeer verklaarbaar voor. Doch, lezer, hebt gij op nummer 5, e gelet? Welnu, juist die voorslag herinnerde mij zo aan de koffieveilingen, en aan de voorgewende onvruchtbaarheid van de grond te Lebak, dat het u nu niet meer zo vreemd zal voorkomen, als ik verzeker dat dit punt sedert woensdagavond geen ogenblik uit mijn gedachten geweest is. Dominee Wawelaar heeft de berichten der zendelingen voorgelezen, niemand kan hem dus een grondige kennis der zaken betwisten. Welnu, als hij, met die rapporten voor zich, en met het oog op God, beweert dat veel arbeids gunstig werken zal op de verovering der Javaanse zielen voor het Godsrijk, dan mag ik toch wel vaststellen niet zo geheel bezijden alle waarheid te spreken, als ik zeg dat er te Lebak zeer goed koffie kan geplant worden. En, sterker nog, dat misschien het Opperwezen juist hierom alleen die grond voor koffiecultuur ongeschikt heeft gemaakt, om door de arbeid die er nodig wezen zal om een andere grond daarheen te verleggen, de bevolking van die streek vatbaar te maken voor de zaligheid. Ik hoop toch dat mijn boek onder de ogen van de Koning komt, en dat er weldra door grotere veilingen blijken moge hoe nauw de kennisse Gods in verband staat met het welbegrepen belang van de gehele burgerij! Zie eens hoe de eenvoudige en nederige Wawelaar, zonder wijsheid naar de mens -- de man heeft nooit een voet op de beurs gezet maar voorgelicht door het Evangelie dat een lamp op zijn pad is, mij, makelaar in koffie, daar op eenmaal een wenk geeft, die voor heel Nederland belangrijk is niet alleen, maar die mij in staat zal stellen, als Frits goed oppast -- hij heeft redelijk stil gezeten in de kerk -- wellicht vijfjaren vroeger naar Driebergen te gaan. Ja, arbeid, arbeid, dat is mijn wachtwoord! Arbeid voor de Javaan, dat is mijn principe! En mijn principes zijn me heilig. Is niet het Evangelie 't hoogste goed? Gaat er iets boven de zaligheid? Is het dus niet onze plicht, die mensen zalig te maken? En wanneer, als hulpmiddel hiertoe, arbeid nodig is -- ikzelf heb twintig jaar de beurs bezocht -- mogen we dan de Javaan arbeid weigeren, waar zijn ziel daaraan zo dringend behoefte heeft om later niet te branden? Zelfzucht zou het wezen, schandelijke zelfzucht, als we niet alle pogingen aanwendden om die arme verdoolde mensen te behoeden voor de verschrikkelijke toekomst die dominee Wawelaar zo welsprekend geschetst heeft. Er is een juffrouw flauw gevallen toen hij van dat zwarte kind sprak ... misschien had ze een jongetje dat er wat donker uitzag. Vrouwen zijn zo! En zou ik niet aandringen op arbeid, ik die zelf van de morgen tot de avond aan de zaken denk? Is niet reeds dit boek -- dat Stern me zo zuur maakt -- een bewijs hoe goed ik het meen met de welvaart van ons vaderland, en hoe ik daarvoor alles veil heb? En als ik zo zwaar moet arbeiden, ik die gedoopt ben -- in de Amstelkerk -- zou men dan van de Javaan niet mogen vorderen dat hij die zijn zaligheid nog verdienen moet, de handen uitsteekt? Als die vereniging -- van nummer 5, e meen ik -- tot stand komt, sluit ik me daarbij aan. En ik zal ook de Rosemeyers hiertoe trachten over te halen, omdat de suikerraffinadeurs er ook belang bij hebben, schoon ik niet geloof dat ze zeer zuiver zijn in hun begrippen -- de Rosemeyers meen ik -- want ze houden een roomse meid. Hoe het zij, ik zal mijn plicht doen. Dit heb ik mezelf beloofd, toen ik met Frits van de bidstond naar huis ging. In mijn huis zal de Here gediend worden, daarvoor zal ik zorgen. En dit met te meer ijver, omdat ik hoe langer hoe meer inzie hoe wijs alles geregeld is, hoe liefderijk de wegen zijn waarlangs wij worden geleid aan Gods hand, en hoe Hij ons behouden wil voor het eeuwige en voor het tijdelijke leven, want die grond te Lebak kan zeer goed geschikt worden gemaakt voor de koffiecultuur.