Ik laat nu daar wat Droogstoppel kan onder ogen gehad hebben, doch zeker is 't dat ik de zang van Saïdjah, die in deze uitgaaf voorkomt op bladzijde xx, oorspronkelyk in 't maleis geschreven heb. Waar dat stuk beland is, weet ik niet, en op dit ogenblik zie ik geen kans het in die taal te maken. Waarschynlyk ligt het in een der koffers of pakken papieren die ik na m'n vertek van Lebak, op m'n verdrietige Odyssee hier-en-daar moest achterlaten, en waaromtrent ik de lezer verwys naar Idee 951. Ik denk dat bedoeld stuk voor den dag zal komen na m'n dood, als ik niet meer daar wezen zal om te vragen hoe men er aan gekomen is? Dat er overigens zal gespekuleerd woprden in nagemaakt-postume artikelen, spreekt in onze eeuw van vervalsing vanzelf. En wanneer het te voorzien was dat die sofistikatie zich bepalen zou tot de schryvery, kon men de zaak dragelyk vinden voor 'n dode. Maar de goocheltoeren die men aan de man brengen zal omtrent m'n leven, handelwys, karakter! Reeds nu lees en verneem ik dagelyks voorvallen die my betreffen, gebeurtenissen waarin ik 'n hoofdrol speel, en die myzelf groter verrassing baren dan ze ooit kunnen teweegbrengen by ieder ander. De vertellingen die over my in omloop zyn -- ook de niet-boosaardige -- lopen voor ieder die me werkelyk kent, in 't koddige... neen, in 't idiote! Geenszins nu teradstruktie hiervan, maar alleen om te doen blyken comment on écrit 'lhistoire, hier de opmerking da zeker Bloemlezer, slechts zeven-en-dertig jaar na m'n vertrek 'n paar jaar te verschuiven. Vrage welke stiptheid is er te verwachten in de chronologische rangschikking der dynastieën, en vooral welke wetenschappelyke en morele integriteit in karakterbeschryving? Toch is er lering te trekken uit de hier bedoelde fout. Door 't opmerken van zulke blunders, gewenne zich de lezer aan de vraag: 'man, bloemlezer, weet je wel wat je beweert ons te willen leren? Zo, neen, waar bemoei je je mee?

L.Jz. Coster