Droogstoppel voelde berouw dat-i de onnozele Sjaalman z'n recht op eigen werk niet ontfutseld had. Waarschynlyk kwam me by 't schetsen van de huichelende schelm, deze trek nodig voor. En zie, ik wist niet dat ik hier -- in zeer beperkte zin altoos -- profeet was. Juist op de manier die Droogstoppel hier betreurt niet gevolgd te hebben, is de beschikking over 't boek Havelaar in andere handen overgegaan. De my aangeboden en eigenlyk opgedrongen ondersteuning die strekken zou om me zes maanden rust te verschaffen na m'n ellendig omzwerven, en om de uitslag van m'n pleidooi af te wachten, is gebruikt om de Havelaar zó te behandelen dat het pleidooi z'n kracht verloor. En dit geschiedde opzettelyk. In een aan my gerichte Brief verklaart de heer Van Lennep: dat hy 't populair worden van m'n arbeid wilde tegengaan, hy die met zoveel vertoon van vurige sympatie my verzocht had de uitgaaf daarvan aan hem op te dragen! Toch ben ik aan de rechtvaardigheid verplicht de lezer te waarschuwen tegen zekere vereenzelviging van de heer Van.L. met de afzichtelyke Droogstoppel. Toen Van.L. begon zich met de Havelaarszaak in te laten, was-i oprecht. Maar gaande-weg begon hy berouw te voelen, en z'n zwakheid nam zó de overhand dat-i weldra liever my verraadde -- 't moet hem zéér gedaan hebben, want slecht was-i niet! -- dan in zyn kring door te gaan voor de beschermer ener zaak, die, zeer ten onrechte, werd uitgekreten voor iets revolutionnairs. `Men zie over dit alles, blz. xx van Vrye-arbeid, uitgaaf 1873, en de Noot op Idee 289.

L.Jz. Coster