Sirie. Pinang. Gambier. Slamat. De eerste drie woorden duiden de bestanddelen aan die, met tabak en kalk, de voor de Javaan onmisbare bétel-pruim vormen. In sommige gewesten van Insulinde ontmoette ik personen die niet pruimden, maar op Java zelden of nooit, de vrouwen niet uitgezonderd. Het bruine sap van de tabak, iets roder gekleurd nog dan de gambier, verft aller lippen en tanden. Fraai staat dit niet, doch 't wordt voor zeer mondzuiverend gehouden. Het gebruik van sirie -- met toebehoren dan -- is zo algemeen, dat het europees begrip: drinkpenning, in Indië wordt uitgedrukt door 't woord wang sirih, d.i. sirie-geld.

De Sirie is 't blad van een rank, niet veel zwaarder dan onze erwtenplanten, en die zó op 'n peperboompje gelykt, dat de onkundige de beide gewassen niet gemakkelyk van elkaar onderscheiden kan. Ik geloof dan ook dat ze tot dezelfde botanische familie behoren, al mocht het zyn dat vakgeleerden die graag wat vreemds verkondigen -- een leeuw is 'n kat, en de walvis mag geen vis heten! -- in die overeenkomst reden vinden om sirie en peper heel ver van elkaar te zetten.

Het verwondert me dat er in de tandheelkunde zo weinig gebruik van de sirie gemaakt wordt. Me dunkt dat de zuiverende samentrekkende werking van dat blad -- en de smaak is niet onaangenaam -- daartoe aanleiding geven zou. Ik meen dat men aan de gambier wèl 'n plaatsje toekent in de europese pharmakopee, maar weet niet of dit almede 't geval is met de pinang of areka. Dit is 'n noot, uiterlyk niet zeer ongelyk aan de muskaat. Doch de boom waaraan ze groeit, behoort tot de palmsoorten.

Het woord slamat betekent: groet, en in dit geval het zeer eigenaardig kompliment -- samenvouwing -- dat in de tekst beschreven wordt. Vrage: is er verband tussen 't maleise slamat, selamat en 't woordeke Sela dat zo vaak in de psalmen voorkomt?

L.Jz. Coster