INLEIDING bij de IDEEËN

IDEE 1

   Wees door de Natuur bedeeld met zucht naar kennis... maak van 't streven naar waarheid uw hoofddoel, uw enig doel... offer alles op aan dat streven... verwaarloos alle belangen om dat éne belang... betaal de geringe kans op slagen met uw rust, met uwe gezondheid, met uw welvaart, met alles wat een mens offeren kán...  verlaat vrouw en kind, zeggende: Vrouwe, wat heb ik met u te doen? Kind, wat heb ik met u te doen? Ik zoek de waarheid... ziedaar myne vrouw, ziedaar het kind van m'n hart.
   Trek naar de woestyn... sla u een kemelhuid om de lenden... omgord u met lederen riem... voed u met sprinkhanen en wilde honing.
   Denk, peins, overweeg... twyfel... overweeg nogmaals, en weder, en nogeens... altyd door, altyd op-nieuw.
   Rek uw begrip tot de uiterste grens der mogelykheid van kennen, kunnen, weten en begrypen.
   Schroef uw denkvermogen op tot de hoogste mate van bevatting.
   Span uwe gedachten voor de logge vracht van alle onopgeloste vraagstukken... zweep ze voort met de kracht van uwe wil, tot raders en zelen kraken...
   Hebt ge dit alles gedaan?
   Als ge dit zult gedaan hebben tot uwe ziel vermoeid is, tot uw vlees zich afscheid van 't gebeente...
   Als ge dan eindelyk meent iets te hebben geleerd, iets te weten, iets te begrypen...
   Keer dan terug uit de woestyn. Volg de inspraak van uw hart dat aandryft tot meedeling, en zeg: 'Broeders, ik geloof deze zaak is alzo.'

   Dan zal er afscheiding zyn tussen wie u horen.
   Een gedeelte zal roepen: 'Deze mens is slecht.'
   Dit zeggen zy die nadachten over de onderwerpen welke u bezighielden, maar die niet nadachten als gy in de woestyn. Zy noemen u slecht, wyl ze vrezen dat het volk offer zal schatten boven gebrek aan offer, en inspanning zal nemen tot maatstaf om 't slagen te meten.
   Antwoord denzulken door te wyzen op uw versleten kleed van kemelvel.

   En een ander gedeelte zal bestaan uit hen die nooit hoorden van de dingen die ge overdacht, uit lieden die zich bezighielden met niets, al de tyd die gy sleet in zo zware arbeid.
   En weder zullen dezen zich verdelen.
   Het eerste deel zal zeggen: ' M'nheer, net m'n idee.'
   Toon denzulken uw kleed van kemelvel, dat ge versleet in de woestyn.
   Maar 't ander deel zal zeggen: 'Meneer, dat ben ik niet met je eens.'
   Wys hen op 't versleten kemelvel dat uw kleed was in de woestyn.

   Dan zal het  volk roepen: 'Wie is deze die een versleten kleed geeft als bewys?'
   Antwoord daarop: 'Broeders, ik bid u in myn kleed geen bewys te zoeken voor wat ik zeide, maar een aansporing te overdenken wat ik gezegd heb.'



 
 

VOETNOOT

INLEIDING
Vgl. noot by 't slot van 763