D.w.z. iets onmogelyks. Een onsterfelyk wezen kan geen begin hebben. Al wat begonnen is, moet eenmaal eindigen. De tegen deze waarheid soms aangevoerde stelling, dat misschien ons eeuwig vóórbestaan een onbewuste existentie was, behoeft niet beantwoord te worden. Wie zó redeneert, zal zich te zyner tyd met 'n even onbewuste onsterfelykheid moeten tevree stellen, een onbewust genoegen dat ik niemand ontnemen wil, mits men 't my niet opdringe als iets wezenlyks.

Het verdient opmerking dat de goede Jezus meer te lyden had van de Farizeeërs dan van de Sadduceeërs die niet aan de opstanding geloofden. De onsterfelykheidsleer schynt alzo niet onvoorwaardelyk moraliserend te werken.

(1872)

Dit blykt trouwens uit den toestand onzer gehele maatschappy die gelovig en...infaam slecht is.

(Toevoeging van 1879)


Naar het idee.
Naar de eerste pagina.