Ik weet niet of deze noot onder de ogen komen zal van den auteur ener my schriftelyk gedane vraag <<wat ik bedoelde met dit: enz.?>> Oppervlakkig schynt die vraag oiseus. Ze is het echter niet. Niet allen immers zyn in de gelegenheid een cursus in de logica en mathesis by te wonen--wat jammer genoeg is-- en 't zou wel te betreuren zyn, indien denzulken alle oefening in het denken ware afgesneden. Ik antwoord op bedoelde vraag he volgende:

Zéér stipt genomen --al te stipt misschien (486) is er een fout in den aanhef van dit Idee. We zyn denkdieren, kunnen denken, en voelen aandrang tot denken: sumus, ergo cogitamus. Denken is ons instinct, onze behoefte, onze roeping, ons wezen. (Ik verwys hieromtrent naar 838, onder opmerking dat het hier gestelde geenszins in stryd is met de in 882 voorkomende bewering over zinnelykheid, maar de toelichting hiervan gaat m'n tegenwoordig bestek te buiten.)

Ook lopen is ons aangeboren, en toch is er in de wyze van lopen groot verschil. De knaap die achttien jaren lang het gaan beoefende in de praktyk, heeft als recruut behoefte aan onderricht in lopen. De strekking daarvan is hem te leren de gaaf moet veranderd worden in goed lopen.

Misschien had ik dus moeten zeggen: het goed denken moet geleerd worden.

Voor ik nu de hulpmiddelen dáártoe--buiten eigenlyk gezegde logica en mathesis--opgeef, moet ik erkennen dat in geen geval die wetenschappen in zeer algemenen zin genomen, kunnen ontbeerd worden, en juist hieruit blykt de gegrondheid van de vraag: wat ik met myn enz. bedoelde? Ieder wezen immers dat waarneemt, opmerkt, vergelykt, afleidt, ontleedt, meet, weegt, oordeelt en besluit... in één woord: ieder die denkt, gebruikt logica en mathesis. En dit blyft het geval, ook al had hy nooit iets gehoord van de benamingen waarmee men die wekzaamheden van den geest heeft gestempeld tot 'n speciaal-studie. Zo maakt ieder die zich beweegt, onwillekeurig gebruik van gymnastische hulpmiddelen, zonder juist daarby de wetenschap van Vater Jahn of Euler te pas te brengen.

De hulpmiddelen om goed te leren denken --zonder de logica of de mathesis van de school alzo-- zijn van negatieven en van positieven aard.

De zeer noodzakelyke huishoudelykheid met onze geestvermogens moet zich voor een groot deel openbaren in onthouding. Tot Vrye Studie --want op dit veld behoren deze opmerkingen te huis-- is gewis nodig, dat we ons verstand niet nodig, dat we ons verstand niet verdoven door sterken drank, onmatigheid, slaverny onder de zinnen, onnatuurlyken stryd tegen gepaste aanspraken der zinnelykheid, geloof, toegeven in hartstocht.

Onder de positieve middelen noem ik in de eerste plaats: het uitroeien der vervloekte gewoonte van niet-begrypen. (462) Wy moeten ons doordringen van 't besef dat begrypen plicht is, en 't berusten in het tegendeel, een onzedelyke lafhartigheid. Elk mysterie is 'n vyand dien de denkridder Mens uit den zadel behoort te lichten. Of althans hy moet dit beproeven, op straffe van félonie. We zyn geboren kampioenen voor duidelykheid, voor eenvoud, voor harmonie tussen woord en daad., voor Waarheid.

De lieve Natuur zorgt er voor, dat te allen tyde monsters, reuzen en spoken te bestryden blyven. Elk verkjaagd wanbegrip laat vlekken na, die uitgewist moeten worden. Elke verklaarde verborgenheid baart nieuw mysterie. (869).

By 't lezen van elke bladzyde, van elke zinsnede in 't grote boek dat van eeuwigheid tot eeuwigheid wordt geschreven door de feiten, behoren wy gedurig onszelf de vraag voor te leggen die Filippus richtte tot den Kamerling. (Handel. VIII, vs. 30).

By deze algemene opmerkingen, voeg ik de opgave van twee byzondere middelen, die my voorkomen van goede werking te zyn.

Ten eerste: Men behoort zich toe te leggen op juistheid van uitdrukking (10, 13. Het doet my genoegen dat deze beide nummers van m'n Ideeën zo laag zyn.) Gedachte en uitdrukking oefenen wisselwerking op elkander uit. Wie logisch denkt, zal --by benadering altyd-- de juiste uitdrukking vinden voor zyn gedachten, althans hy zal niet berusten in het tegendeel. En omgekeerd, de gewoonte om naar juistheid van uitdrukking te streven, is zowel een krachtige spoorslag tot logisch denken, als 'n doorgaande oedening in die voornaamste mensenplicht.

Het tweede hulpmiddel is, dat men zich zo dikwyls mogelyk tot taak stelle iets te verklaren aan anderen, of zich de vraag voorlegge: hoe zou ik antwoorden, indien men op zulke verklaring aandrong? Hierdoor is men genoodzaakt zyn gedachten op correcter wyze te rangschikken, dan wanneer wy menen met onszelf alleen te doen te hebben. Hoe onwetender wy ons faarby onzen leerling voorstellen, hoe beter. Deze methode verschaft ons niet alleen een helder inzicht in 't behandeld onderwerp, maar ze geeft ons bovendien zeer dikwyls een uitdrukking aan de hand, die wy misschien zonder haar niet zouden gevonden hebben, en die soms de gevonden slotsom stempelt tot puntige spreuk. Alzo, en tevens byvoorbeeld: ut discas doce!

Dat ik niet beweer in deze noot de denk-theorie te hebben afgehandeld, spreekt vanzelf. Ik zal dan ook wel genoodzaakt zyn daarop meermalen terug te komen.

(1872, in 1879 gedrukt als Idee 268a)


Naar het idee.
Naar de eerste pagina.