Met verwyzing naar 79 en 134, en als bydrage tot de gegrondheid myner verachting voor Publiek, deel ik hier mede dat dit Idee is aangevoerd als blyk van onzedelykheid. Gelyk lot viel te beurt aan enige regels uit het zevende hoofdstuk van den Havelaar. In de Arnhemse Courant van 12 December 1870 wordt den Volke, gedeeltelijk met m'n eigen woorden (447!) meegedeeld dat ik: ''het schone en goede najaag tot in den donkeren avond, waarin meisjes over straat gaan om een weinig eer voor een weinig voedsel te verkopen.'' Even tevoren had de schryver -- de achtenswaardige man noemt zich Q. -- verzekerd dat ik m'n ''tijd doorbreng in het koffiehuis met geborgde sigaretten, bittertjes, partijen biljart, enz. enz.'' Uit welk gedeelte myner werken dit bercih ontleend werd, bleek my niet. Zo ver my bewust is, heeft niemand dien zo goed geinformeerden schryver op z'n plaats gezet. Integendeel. In het onmiddellyk daarop volgende nummer van den Arnhemmer, noemt Dr. Van Vloten -- wat al te liberaal, vind ik -- het artikel van Q. een ''practisch stuk''.

Daar nu die Q. en z'n vrinden niet in staat schynen uit myn werken te besluiten tot de wyze
waarop ik, van m'n kindsheid af, gewoon ben myn tyd door te brengen, voel ik my genoopt tot enigen twyfel of ze wel zeer huishoudelyk hebben omgegaan met hún tyd? enige oefening in lezen schynt nog altyd niet aan de beurt gekomen te zyn.
(1872)
Naar het idee.
Naar de eerste pagina.