Eerst voor zeer korten tyd ging ik met groten weerzin over tot het besluit myn levensonderhoud in schryven te zoeken, dat me toen door allerlei machinatiën moeilyk genoeg werd gemaakt.
Dat ik zo laat my schikte in die treurige noodzakelykheid, was 'n gevolg van de al te naieve hoop dat er dan toch eens eindelyk recht zou geschieden in de Havelaarszaak.
Elke letter die ik nu overgeef aan de pers, is 'n aanklacht tegen de Nederlandse Natie. Dit moest sedert lang begrepen zyn door ieder die de parabels van Chresos in de Minnebrieven, en van den Goudmaker (527, slot) gelezen heeft.
Waarom vordert men niet ook van den laaghartigen Van Twist, dat hy 't Volk op vertellinkjes onthale, voor men hem een stuk brood reikt? Hy zou er niet toe in staat zyn. Zeer wel. Maar is die onbekwaamheid dan zo'n verdienste, dat ze aanspraak geeft op levensonderhoud zonder den minsten arbeid?
(1872)

Naar het idee.
Naar de eerste pagina.