In die advertentie berichtte ik het publiek, dat ik me voortaan niet meer gegriefd voelen zou door de telkens en telkens tegen my ingebrachte beschuldiging dat ik zo arm was. Zó namelyk antwoordde Nederland op den Havelaar. Er is in die wyze van bestryding iets zeer karakteristieks, vooral door ze in verband te brengen met de keus der personen -- indische rykworders -- die belast worden met het herstel der grieven. Reeds elders heb ik de opmerking gemaakt dat men nu juist geen geparveniëerden kastelein van een meisjeswinkel tot Censot der Zeden moest benoemen.

Als bydragen tot het .... zonderlinge der begrippen in ons landje, zodra er sprake is van geld, geef ik hier de volgende mededeling die wel verdient voor 't nageslacht bewaard te blyven.

Een achttal jaren geleden was er te Amsterdam een tentoonstelling van oudheden en curiositeiten. Daaronder bevond zich een ledikant waarop, volgens den catalogus, de Hertog van Alva geslapen had. De vervaardiger van dien catalogus had zich niet kunnen onthouden van de volgende uitboezeming: men yst by 't beschouwen van dit rustbed, waarop de bloedhond...

Lezer, ik geef u te raden wat die bloedhond op dat rustbed heeft uitgevoerd? Of liever: wat onder ál het daarop misschien uitgevoerde, den schryver van die noot byzonder trof, en tevens welke opmerking hem 't geschiktst voorkwam om in Nederlandse harten een gevoelige snaar aan te roeren? Nu, als gyzelf op z'n nederlands denkt, hebt ge kans van juist raden. My ware 't onmogelyk geweest. Ik geloofde m'n ogen niet, toen ik, in plaats van een herinnering aan de geesten der door Alva vermoorden die hem kwamen sarren in z'n droom, de echt-hollandse opmerking las: dat de 'bloedhond' daar had liggen peinzen 'hoe hy zyn talryke schulden betalen zou!' Is 't niet uniek?

De épicier die dit schreef -- daargelaten nu zyn zonderling yzingsmotief -- schynt niet eens begrepen te hebben welk een vererend getuigenis hy aan den 'bloedhond' uitreikte, die dan toch wel beschouwd geen 'geldwolf' blykt geweest te zyn. Dat Alva ons land arm verliet, is waar. Ik noem dit, met het oog op de macht waarover hy beschikte, hoogst achtenswaardig.
(1872)

Naar het idee.
Naar de eerste pagina.