Elektronische Woordenlijst
Oudere Taalfasen



achten
(ww., tr.) van mening zijn
- H.L. Spiegel: Numa
aendachtich
(bijv. nw) hemels
- H.L. Spiegel: Numa
aerselings
(bijw) achterwaarts (in de richting van de aars)
- H.L. Spiegel: Numa
affschayt
(zn) bescheid
- H.L. Spiegel: Numa
alree
(bijw) reeds
- G. Gezelle: Ik droome alree
arst
(zn) arts
- H.L. Spiegel: Numa
baaid
(bijv nw) roodbruin
- G. Gezelle: Casselkoeien
bate
(zn) voordeel
- Beatrijs
bedegen
(ww) geworden
- G. Gezelle: Hoe zeere vallen ze af
beeldelijck
(bijv. nw.) zinnebeeldig
- H.L. Spiegel: Numa
begeerlyckhayt
(zn) begeerte
- H.L. Spiegel: Numa
begeven
(ww, tr) opgeven
- H.L. Spiegel: Numa
beheeren
(ww, tr) overheersen
- H.L. Spiegel: Numa
beiden
(ww, intr) talmen
- G. Gezelle: Casselkoeien
benaerstichen
(ww, tr) zich haasten
- H.L. Spiegel: Numa
bequaem
(bijv. nw) geschikt
- H.L. Spiegel: Numa
berayden
(ww, tr) gereedmaken
- H.L. Spiegel: Numa
berd
(zn) tafel
- G. Gezelle: Terug
berechten
(ww, tr) besturen
- H.L. Spiegel: Numa
bescheyden
(bijv. nw) wijs
- H.L. Spiegel: Numa
besinnen
(ww. tr) (geestelijk) liefhebben
- H.L. Spiegel: Numa
besoeken
(ww, tr., besocht) onderzoeken
- H.L. Spiegel: Numa
besorgen
(ww, tr) verzorgen
- H.L. Spiegel: Numa
bestaen
(zn) onderneming
- H.L. Spiegel: Numa
bestellen
(ww, tr) bepalen
- H.L. Spiegel: Numa
bestueren
(ww, tr) aanpakken
- H.L. Spiegel: Numa
beswaer
(zn, mv: beswaeren) bedruktheid
- H.L. Spiegel: Numa
bevroeding
(zn) begrip
- H.L. Spiegel: Numa
bewilligen
(ww) toestaan, vergunnen, dulden.
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
beworp
(zn) ontwerp
- G. Gezelle: Den ouden brevier
bidden
(ww, bitr) smeken
- H.L. Spiegel: Numa
bij
(bijw) nabij
- G. Gezelle: Blijdschap
blochuys
(zn. mv: blochuysen) bolwerk
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
boenen
(ww, tr) schilderen
- G. Gezelle: Casselkoeien
boert
(zn) scherts, grap
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
boertich
(bijv. nw) grappig
- H.L. Spiegel: Numa
bommen
(ww, tr.) trommelen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
borst
(zn) man
- H.L. Spiegel: Numa
bunder
(zn) opprevlaktemaat
- G. Gezelle: Heer Schimmelpenninck
callen
(ww, intr.) praten
- H.L. Spiegel: Numa
caritate
(zn) (goddelijke) liefde
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
deerlijk
(bijv. nw) kommerlijk, versjofeld
- G. Gezelle: Hoe zeere vallen ze af
dewijl
(conj) omdat
- H.L. Spiegel: Numa
dier
(zn) (levend, mv: dieren) wezen, figuur
- H.L. Spiegel: Numa
diertijt
(zn) dure tijd(en)
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
doghet
(zn) goedheid
- Beatrijs
doom
(zn) damp, wasem
- G. Gezelle: In Speculo
dronk
(biv. nw) dronken
- G. Gezelle: Blijdschap
duer
(bijv. nw) kostbaar
- H.L. Spiegel: Numa
E
(afkorting) edel(e)
- H.L. Spiegel: Numa
eenvuldichayt
(zn) eenvoud
- H.L. Spiegel: Numa
eer
(bijw) vroeger
- G. Gezelle: Hoe zeere vallen ze af
elckerlijc
(vnw) iedereen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
entwaar
(bijw) ergens, ooit
- G. Gezelle: In Speculo
fa sol
(zn) fatsoen
- H.L. Spiegel: Numa
fatsoen
(zn) model, exemplaar
- G. Gezelle: Heete Pootjes
fraai
(tussenw) braaf
- G. Gezelle: Kerkhofblommen
geblest
(bijv nw) gevlekt
- G. Gezelle: O wilde en onvervalschte pracht
gecken (geckene)
(ww, - met) de draak steken met
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
- H.L. Spiegel: Numa
gecxmaer
(zn) zotternij
- H.L. Spiegel: Numa
gedeelthayt
(zn) verdeeldheid
- H.L. Spiegel: Numa
gemeen
(bijv. nw) gezamenlijk, algemeen
- H.L. Spiegel: Numa
gepinted
(bijv nw) versierd
- G. Gezelle: Lofzang der zonne
gerief
(zn) voorziening, toestand
- G. Gezelle: Tusschen de twee
gers
(zn) gras
- G. Gezelle: Casselkoeien
gesaetich
(bijv nw) kalm
- H.L. Spiegel: Numa
gesicht
(zn.) verschijning
- H.L. Spiegel: Numa
gestalt
(zn) toestand
- H.L. Spiegel: Numa
gevlerkt
(bijv. nw) gevleugeld
- G. Gezelle: Casselkoeien
geweldig
(bijv. nw) machtig
- G. Gezelle: Ego Flos
gissen
(ww.) - op letten op
- H.L. Spiegel: Numa
ghedaghet
(bijv. nw) bejaard
- Beatrijs
ghedane
(zn) uiterlijk
- Beatrijs
goetront
(bijw) voorwaar
- H.L. Spiegel: Numa
goetronthayt
(zn) eenvoud
- H.L. Spiegel: Numa
grimlach
(zn) kwaadaardige lach
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
haelen
(ww) trekken
- H.L. Spiegel: Numa
hartig
(bijv. nw) hartelijk
- H.L. Spiegel: Numa
hebben
(ww., refl.) hem hebben: zich gedragen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
heerlijckhayt
(zn) macht
- H.L. Spiegel: Numa
(zn) verhevenheid
- H.L. Spiegel: Numa
heir
(zn) leger
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt...
hemelvaut
(zn) uitspansel
- G. Gezelle: O wilde en onvervalschte pracht
henentieten
(ww, intr) wegzinken
- G. Gezelle: Casselkoeien
hoochayt
(zn) waardigheid
- H.L. Spiegel: Numa
houwen
(ww. tr.) hakken
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
hooveerde
(zn) praalzucht
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
hovesch
(bijv. nw) voornaam
- Beatrijs
huyden
(bijw) heden
- H.L. Spiegel: Numa
ijfte
(zn) klimop
- G. Gezelle: Het ruwrijmt
immer
(bijw) ooit
- G. Gezelle: Schuldeloos blommeke lief
immers
(bw) tenminste
- H.L. Spiegel: Numa
inbeelding
(zn) voorstelling
- H.L. Spiegel: Numa
klappen
(ww, intr.) praten, spreken
- G. Gezelle: Als de ziele luistert...
knechtich
(bijv. nw) onderdanig
- H.L. Spiegel: Numa
kouten
(ww, intr.) praten, spreken
- G. Gezelle: Als de ziele luistert...
kriepen
(ww, intr.) treurig piepen
- G. Gezelle: Winterstilte
krijsen (krijschen)
(ww) hoorbaar schreien
- G. Gezelle: Kerkhofblommen
te kwiste
(bijv. nw) verloren
- G. Gezelle: Hoe zeere vallen ze af
lat
(bijv.nw) lui
- Beatrijs
ter lee
- G. Gezelle: Wat hangt gij daar te praten
leechbaer
(bijv nw) rustig, zonder iets omhanden
- H.L. Spiegel: Numa
leutig
(bijv nw) lustig
- G. Gezelle: 't Er was 'ne keer
lezen
(ww, tr) plukken
- G. Gezelle: Dien avond en die rooze
licht
(bijv. nw) gemakkelijk
- H.L. Spiegel: Numa
liefgetal
(bijv nw) lieftallig
- G. Gezelle: Casselkoeien
lien
(zn, mv) mensen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
lijcwel (lijckwel)
(bijw) toch
- H.L. Spiegel: Numa
lijden (lijen)
(hww) duren
- G. Gezelle: Het ruwrijmt
lijf
(zn) lichaam
- G. Gezelle: Ik droome alree
lijffhayt
(zn.) lichaamsgesteldheid
- H.L. Spiegel: Numa
lijzig
(bijv nw) zacht, licht
- G. Gezelle: 't Er was 'ne keer
loer
(zn) domoor
- H.L. Spiegel: Numa
loff
(zn) loof (van bomen)
- H.L. Spiegel: Numa
luiden
(ww, intr) helder zichtbaar zijn
- G. Gezelle: Casselkoeien
lustig
(bijv nw) prettig
- H.L. Spiegel: Numa
maagschap
(zn) bloedverwantschap
- I. da Costa: Prometheus
- G. Gezelle: Vogelzang
magen
(zn, mv) verwanten
- H.L. Spiegel: Numa
mare
(zn) tijding
- G. Gezelle: Kerkhofblommen
mening
(zn) bedoeling
- H.L. Spiegel: Numa
minnen
(zn) liefde
- Beatrijs
mommen
(ww. intr.) maskers dragen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
muegen
(hww) kunnen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
nae (na)
(vz) naar
- H.L. Spiegel: Numa
nauw
(bijw) nauwelijks
- H.L. Spiegel: Numa
nechtich
(bijv nw) naarstig, ijverig
- H.L. Spiegel: Numa
netten
(ww, tr) bevochtigen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
nevens
(vz) naast
- H.L. Spiegel: Numa
nieuwemaar
(zn) tijding
- G. Gezelle: Kerkhofblommen
nodruft
(zn) wat iemand nodig heeft
- H.L. Spiegel: Numa
nut
(bijv. nw) nuttig
- H.L. Spiegel: Numa
ommer
(bijw.) steeds
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
onbeswaerlijck
(bijv. nw) onbekommerd
- H.L. Spiegel: Numa
onderstand
(zn) levensonderhoud
- G. Gezelle: Lofzang der zonne
ondieft
(bijv. nw) uitstekend
- H.L. Spiegel: Numa
ongevallich
(bijv nw) ongelukkig
- H.L. Spiegel: Numa
onmachtig
(bijv. nw) verlammend
- G. Gezelle: Den ouden brevier
onnen
(ww, tr) geven
- Beatrijs
onrecht
(bijw) onjuist
- H.L. Spiegel: Numa
onspoet
(zn) ongeluk
- H.L. Spiegel: Numa
ontbeyden
(ww, tr./intr.) wachten
- H.L. Spiegel: Numa
ontbinden
(ww., tr.) ontvouwen
- H.L. Spiegel: Numa
ontglimmen
(ww. intr, ontglommen) beginnen vlam te vatten
- I. da Costa: Prometheus
onthorren
(ww., tr.) iemand iets ontnemen
- H.L. Spiegel: Numa
ontijdich
(bijv. nw) verkeerd
- H.L. Spiegel: Numa
onversichtich
(bijv nw) onvoorzien
- H.L. Spiegel: Numa
oorbaar
(bijv. nw) nuttig
- G. Gezelle: Is 't mooglijk...
opwerpen
(ww, tr., opgeworpen) (overdr.) naar voren schuiven
- H.L. Spiegel: Numa
overbrengen
(ww, tr) meemaken
- H.L. Spiegel: Numa
overhalen
(ww, tr) opnoemen
- H.L. Spiegel: Numa
overhooft
(zn) hoogste baas
- H.L. Spiegel: Numa
overleggen
(ww, tr) overwegen
- H.L. Spiegel: Numa
overstallich
(bijv. nw.) overdadig
- H.L. Spiegel: Numa
oyt
(bijw.) altijd
- H.L. Spiegel: Numa
perck
(zn. mv: percken)
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
perduic
(zn) specerijen, kruiden
- H.L. Spiegel: Numa
ponjaard
(zn) korte degen, dolk
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
poos
(zn.) bedrijf (van een toneelstuk)
- H.L. Spiegel: Numa
propoost
(zn) voorstel
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
quaad
(bijv. nw.) slecht
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
radie
(zn, mv: radien) (zonne-)straal
- H.L. Spiegel: Numa
rechten
(ww, tr) berechten
- H.L. Spiegel: Numa
reken
(zn) versregels
- G. Gezelle: Is 't mooglijk...
ries
(bijv. nw) dwaas
- Beatrijs
rijck
(zn) heerschappij
- H.L. Spiegel: Numa
roosten
(ww, tr) roosteren, verzengen
- G. Gezelle: Den ouden brevier
roye
(zn) roe
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
ruwrijmen
(ww) rijmen, zacht vriezen
- G. Gezelle: Het ruwrijmt
schielyck (schielijck)
(bw) plotseling
- H.L. Spiegel: Numa
schier
(bijw) bijna
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
schouwen
(ww., intr.)
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
sin
(zn) verlangen
- H.L. Spiegel: Numa
sliet
(zn) slaapstee
- G. Gezelle: De kriekroode zunne
slim
(bijv nw) scheef
- H.L. Spiegel: Numa
snel
(bijv nw) mooi, flink
- G. Gezelle: Mietje
sorgen
(ww, tr.) bang zijn dat
- H.L. Spiegel: Numa
sparke
(zn) vonk
- G. Gezelle: Mijn hert is als een blomgewas
spoock
(zn) droom
- H.L. Spiegel: Numa
(zn) voorteken
- H.L. Spiegel: Numa
staal
(zn) stengel
- G. Gezelle: Blijdschap
statelijk
(bijv. nw) deftig, groots
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
ste
(zn) stad
- H.L. Spiegel: Numa
stond
(zn) uur
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
stuer
(bijv. nw) onvriendelijk
- H.L. Spiegel: Numa
straf
(bijv. nw) streng
- H.L. Spiegel: Numa
sus
(tussenw.) stil!
- H.L. Spiegel: Numa
swimmen
(ww, intr.) zwemmen
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
teele
(zn) aarden kruik
- G. Gezelle: Mietje
tijng
(zn) nieuws
- H.L. Spiegel: Numa
toen
(voegw) als, waar
- G. Gezelle: Blijdschap
toren
(zn, m) toorn, woede
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
- Beatrijs
tuitje
(zn) lootje
- G. Gezelle: Het ruwrijmt
trouwen
(tussenwerpsel) voorwaar
- H.L. Spiegel: Numa
uytcomen (uytcompst)
(zn) toneel (als onderdeel van een toneelstuk)
f - H.L. Spiegel: Numa
uytrooden
(ww, tr.) uitroeien
- H.L. Spiegel: Numa
vaerdich
(bijv. nw) snel
- H.L. Spiegel: Numa
varen
(ww) beleven, ervaren
- G. Gezelle: In Speculo
varings
(bijw) op korte tijd
- G. Gezelle: Het ruwrijmt
varwe
(bijv nw) (van koe) onvruchtbaar geworden en daardoor niet (meer) in staat melk te geven
- G. Gezelle: Heer Schimmelpenninck
verbeiden
(ww, tr, verbeidde) wachten, vertoeven, doorbrengen
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
verclaeren
(ww, tr) vertellen
- H.L. Spiegel: Numa
verdrach
(zn.) ophouden
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
verkiesing
(zn) keuze
- H.L. Spiegel: Numa
verlies
(zn) ongeluk
- Beatrijs
vermanen
(ww, bitr.) smeken
- H.L. Spiegel: Numa
versieren
(ww) bedenken, fantaseren
- H.L. Spiegel: Numa
versocht
(bijv. nw) ervaren, geleerd
- H.L. Spiegel: Numa
versuft
(bijv. nw.) onzinnig
- H.L. Spiegel: Numa
verergeren
(ww, tr) bederven
- H.L. Spiegel: Numa
vergoden
(ww, intr., vergoodt) god worden
- H.L. Spiegel: Numa
verknagen
(ww, refl.) verontrusten (zich), kwellen (zich)
- I. da Costa: Prometheus
verstaen
(ww, tr) begrijpen
- H.L. Spiegel: Numa
vervoegen
(ww, tr) zich voegen bij
- G. Gezelle: Hoe zeere vallen ze af
verw
(zn) kleur
- G. Gezelle: Casselkoeien
verwensen (verwenschen)
(ww, tr) omtoveren
- G. Gezelle: Het ruwrijmt
verzettig
(bijv nw) ontspannend
- G. Gezelle: Lofzang der zonne
vijand
(zn) duivel
- G. Gezelle: Den ouden brevier
vier
(zn) vuur
- G. Gezelle: Den ouden brevier
vieren
(ww, intr) zich losmaken
- H.L. Spiegel: Numa
villicht (veelligt)
(bijw.) misschien, wellicht
- H.L. Spiegel: Numa
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
vloey
(zn., mv: vloeyen) (water)vloed
- Anna Bijns: Wie leeft so oudt ...
voegen
(ww, tr) beschikken
- H.L. Spiegel: Numa
voet
(zn) basis
- H.L. Spiegel: Numa
vol
(bijv nw) volledig
- G. Gezelle: In Speculo
voorspoock
(zn.) voorspellende droom, voorteken
- H.L. Spiegel: Numa
vouwe
(zn) plooi, lijn
- G. Gezelle: Den ouden brevier
vrind
(zn) bloedverwant
- H.L. Spiegel: Numa
vroet
(bijv.nw) wijs
- H.L. Spiegel: Numa
vromorgen
(bijw. (?)) vroeg in de ochtend
- H.L. Spiegel: Numa
vuchtmenging
(zn.) de verhouding tussen de verschillende (lichaams-)sappen
- H.L. Spiegel: Numa
waeren
(ww, tr.) weerhouden
- H.L. Spiegel: Numa
wassen
(ww, intr.) groeien
- H.L. Spiegel: Numa
wedervaren
(ww., wedervoer) overkomen
- H.L. Spiegel: Numa
weersoordich
(bijv. nw) koppig
- H.L. Spiegel: Numa
werk
(zn) drukte
- G. Gezelle: Wat hangt gij daar te praten
wijchelaer
(zn., mv: wijchelaers) waarzeggers
- H.L. Spiegel: Numa
wimpelpronk
(zn) scheepsjongen, die toeziet op de scheepsvlag
- E.J. Potgieter: Marten Harpensz.
wompelen
(ww, tr) sluieren
- G. Gezelle: De kriekroode zunne
wonderen
(ww, tr) verwonderd zijn
- G. Gezelle: Wat hangt gij daar te praten
zaan
(bijw) weldra
- G. Gezelle: Ego Flos
zat
(bijv nw) verzadigd, diep
- G. Gezelle: De kriekroode zunne
zeere
(bijv. nw) vlug
- G. Gezelle: Hoe zeere vallen ze af
zetelen
(ww) tronen
- G. Gezelle: Den ouden brevier
zoetjes
(bijw) zachtjes, langzaam, voorzichtig
- G. Gezelle: Mietje
zweping
(zn) gording
- G. Gezelle: Terug
zuchten
(ww, intr) hevig verlangen
- G. Gezelle: In Speculo