AAN GUIDO GEZELLE

Daar weet geen één de stille troost,
Die door m'n kale kamer bloost,
t En is geen zonlicht van de Oost,
t En is geen lief dat kust en koost...
Het is een oude beeltenis
Van hem, die schoon van eenvoud is
en prachtig droeg z'n droefenis...
Gezelle... m'n goede Gezelle!

Daar, op uw voorhoofd staat geprint
Het lijden van een mensenkind,
En wen m'n blik uw blikken vindt,
Is t of ge een verzeke begint...
Een verzeke dat veel vergoedt,
Een dichteke, dat dromen doet...
Een liedeken voor Vlaanderen zoet,
Gezelle... m'n Vlaamse Gezelle.

Wanneer te sterven ging de zon,
De schemering heur webbe spon,
Wanneer de smart mij overwon
En ik die smart niet dragen kon;
Dan heb ik vaak me neergezet
Dicht bij dat oud-verkleurd portret...
Daar toeven was een schoon gebed,
Gezelle... m'n heilige Gezelle.

O geef me van uw el gezicht
De ziel die in uw ogen ligt;
De ziel, die lijk een blom naar t licht,
Naar God en Vlaandren stond gericht,
en leer het, zanger, leer het mij
Door levensvreugd en stervenstij
Te dichten simpel zoals gij,
Gezelle, m'n meester Gezelle.


Alice NAHON (1896-1933)


Ingezonden door Constant Broos voor het Project Laurens Jz. Coster