Pieter Nieuwland (1764-1794)

Orion

   Wie heft, met statelijke pracht
   Bij de achtbre stilte van den nacht,
Uit doceaan het hoofd naar boven?
   Wie blijft in t aanzien van Diaan,
Die vruchtloos poogt dien gloed te doven,
   Met onverzwakten luiter staan?

   Zijt gij t, Orion! voor wiens licht
   Der kleiner zonnen flikkring zwicht
Als t licht der maan voor Febus glansen?
   Rijs, grote Orion! rijs omhoog!
Zijt welkom, held aan onze transen!
   Verruk, verruk ons starend oog!

   Wat sterreglans, die eerbied baart,
   Praalt op uw gordel, knods en zwaard,
Bezaaid met titelende vieren!
   k Zie Betelgeuzes roden gloed
Uw schouder, naast Bellatrix, sieren
   En Rigel flonkren op uw voet.

   Ik zie, daar u de stier ontvlugt,
   Voor de opgeheven vuist beducht
DenNoordschen beer van verre grimmen.
   De bloedige Aldebaran zelf
Ontwijk uw knods, bij t statig klimmen,
   En ruimtl u plaats aan t stergewelf.

   Zo drijft ge, in t schoon Elysisch woud,
   Daar zich der helden schare onthoudt,
Voor u de woeste dieren henen!
   Zo hebt ge, in s waerelds morgenstond,
Met al uw luister vroeg verschenen,
   Auroras teder hart gewond.

   Dit zag de wreevle Jagtgodin;
   Haar wrok ontvlamde om deze min,
Zij deed u door haar schichten sneven.
   Jupijn verijdelde dien nijd,
Door hem aan hoger trans verheven,
   Blinkt gij daar eeuwig, haar ten spijt.

   Rond u schittren zon bij zon,
   Daar Sirius en Procyon
Met diep ontzag uw schren verzellen.
   Wie noemt in klaken, zwak van toon,
Die heiren, door geen oog te tellen?
   Wie schetst hun godlijk, eeuwig schoon?

    Gij, geleister van mijn held,
   Die, als gij onze zon verzelt,
Uw naam verleent aan onze dagen!
    Heldre hondster! zou uw licht
De voorbo zij van felle plagen?
   Ons siddren doen op uw gezicht?

   Neen! t bijgeloof verzon dien waan.
   Mij lacht uw glans beminlijk aan,
Vorstin der hoge sterrenchoren!
   k Voel, daar mijn eerbied op u staart,
Gedachten in mijn ziel geboren,
   Wir vlugt mij opvoert boven de aard.

   Is elk dier lichten, die gij ziet,
   Zelf t kleenste, dat uw oog ontvliedt,
Stervling! slechts voor u in wezen?
   Is, bij t gezicht van t stergewelf,
Geen denkbeeld ooit in u gerezen
   Dan t nietig denkbeeld van u zelv?

   Vermeetle! draait voor u alleen
   De gansche schepping om u heen?
Is ze u alleen ten dienst gegeven?
   U, die uit nietig stof geteeld,
Het broosch genot van t vlugtig leven
   Met vlieg en mier en made deelt!

   Zijt gij op de aarde zo gering;
   Die aarde, trotsche sterveling,
Is een dier duizendduizend bollen
   Die om de zelfde grote zon
In afgeperkte baanen rollen,
   Licht scheppen uit de zelfde bron.

   Elk, elk gevoelt haar heerschappij.
   Die streeft bestendig haar op zij,
Daar deze uit afgelegen streken
   Haar eens in vijftig eeuwen groet,
Of ligt, haar wijd gebied ontweken,
   Slechts eens bestraald wordt door haar gloed.

   Elk lichtjen, dat gij tintlen ziet,
   Zelf t kleenste, dat uw oog ontvliedt,
Is zulk een bron van licht, omgeven
   Van waerlden, die zonder tal
Als stofkens door elkander zweven,
   En veilig zijn voor schok en val!

   Verbeelding! is u niets te hoog,
   Zo leer mij gindschen heldren boog,
Den goddelijken Melkweg, kennen.
   Voer, langs dat breed en glansrijk spoor,
Mijn tragen geest, op vlugge pennen,
   Den wijden kreits der schepping door.

   Die baan, wier zacht en lieflijk licht
   Slechts wolkjens vormt voor t scherpst gezicht,
Is een gestel van sterrenheemlen,
   Wier eindloos flaauwe tinteling
Van verre schint dooreen te weemlen,
   Zijn samensmelt tot nen kring.

   Hebt gij de grenspaal nu ontdekt?
   Weet gij, hoe ver de schepping strekt,
Stervling, eindig van vermogen
   Zo sla nog eens, uit dat verschiet,
Op held Orions beedl uwe oogen,
   En zink, verzink dan in uw niet!

   Orion! uw volmaakte glans
   Voert mij omhoog van trans in trans,
Ontrukt mijn geest van t aardsche duister!
   Mijn oog beschouwt u uuren lang,
En telkens vindt het nieuwen luister,
   En nieuwe wondren voor mijn zang!

   Is t waar? of faalt mijn zwak gezicht,
   Dat ginds een kring van bleker licht
Meent in uw prachtig zwaard te ontdekken?
   Een dunne vlek, wier flaauwe schijn
Zich telkens poogt aan t oog te onttrekken?
   Wat mag dat glinstrend wolkjen zijn?

   Dat glinstrend wolkjen, sterveling!
   Is ook een melkweg, in wiens kring
Ontelbre sterrenstelsels weemlen,
   Den uwen ligt in glas gelijk! . .
Verbeelding! daal! verlaat die heemlen,
   Eer mijn geschapen geest bezwijk.


Bron: Spiegel van de Nederlandsche poezie door alle eeuwen. (1939) N.V. De Spiegel, Amsterdam

E-Mail: 0vwijk02@lelystad.flnet.nl

Laatste wijziging: 08-sep-96


Coster-pagina