Awater - Martinus Nijhoff


Ik zorg -- want het is stil en de straat nauw --
gelijke tred met Awater te houden.
Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.
Mijn bezorgdheden worden menigvoud:
er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw
nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,
mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,
ik heb niets bij me, wat doe ik überhaupt
op reis te gaan. -- De vlieger aan zijn touw
tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid
in vaster blijdschap om: wat zou 't, wat zou 't!
Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,
met mijzelf het beslissend onderhoud.
De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.
Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.
Zou men hier middernacht een meeting houden?
't Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen
staat op een ruw getimmerte van hout
in haar heils-uniform, een jonge vrouw.
Toeristen met rugzakken op de schouders,
kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw
werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.
"Wij leven" zegt zij "heel ons leven fout."
Awater, die de pas heeft ingehouden,
kijkt naar mij om als kent hij mij van ouds.
Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?
zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,
terwijl hij -- want het waait -- zijn hoed vasthoudt.
Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw
der heilsoldaat een losse knoop van goud.
"Liefde" zegt zij "wordt nooit vergeefs vertrouwd."
Awater blijft, ik loop door, en zoo gauw
of ik de trein zag die ik halen wou.

De stoker werpt steenkolen op het vuur ...


Bezorgd door Homme A. Piest, ten bate van het Project Laurens Jansz. Coster