Awater - Martinus Nijhoff


Elektrisch licht dat langs de gevel schiet
schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw
van 't restaurant, en een dubbele file
mensen gaat in en uit langs de portier
die de toegang van draaiend glas bedient.
Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.
Awater blijkt bekendheid te genieten.
Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.
"Wat?" zegt iemand "kent u Awater niet?
Ik meen, hij is accountant of zoo iets.
Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.
Sommigen zeggen, 's avonds leest hij Grieks,
maar anderen beweren het is Iers." --
Er is intussen iets zeer vreemds geschied.
Een heer die zich op 't podium verhief
zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.
"Ik spreek" zegt hij "uit naam van allen hier.
Wij hebben tussen ons een groot artiest."
Awater, met gebaren naar 't servies,
wil zeggen dat hij van de eer afziet
en liever had dat men hem eten liet.
In de biljardzaal staakt men een serie.
Het wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig
zich langs de balustrade der verdieping.
Het schroefblad van de ventilator wiekt.
Dan staat Awater op en zingt zijn lied:
-- Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
mij met haar liefelijke komst bezield,
de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
"Herinnert ge u dien laatsten avond niet"
sprak ze "toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?
Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
niet hopen mij op aarde ooit weer te zien."
Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.
Men applaudisseert, werpt met serpentines,
Awater, als een pop, als een pop die
te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,
waggelt den uitgang toe dwars door 't publiek.
Er wappert nog een smalle strook papier
hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.

Ik zorg -- want het is stil en de straat nauw -- ...


Bezorgd door Homme A. Piest, ten bate van het Project Laurens Jansz. Coster