M. NIJHOFF (1894-1953)

SATYR EN CHRISTOFOOR

`Ach, Christofoor, vertrouwder
In 't water dan op 't land,
Til het kindje van je schouder,
Geef zijn handje me in de hand;
Ik wijs het in de bosschen
De bronnen en de mossen,
De vogels en de vossen,
De slang, den haas en 't hert -'

Maar Christofoor, op den oever,
Leunt zwijgende op zijn kruk,
De stroom was stroef, maar stroever
Zijn de tranen van geluk:
Nooit was een bedding weeker,
Nooit waadde hij zoo onzeker,
Want nooit nog, nooit nog streek er
Een handje hem door het haar -

De satyr nadert ijlings
Door het ritselende riet,
Hij ziet het kind dat schrijlings
Op den reus naar hem omziet -
Hij die langs alle wegen
Zijn lusten had verkregen,
Biedt nu, schuw en verlegen,
Een hand-vol bessen aan -

't Kind heeft zijn hand genomen,
En 't houdt wat het eenmaal houdt,
De satyr kan niet ontkomen,
Hij danst nooit weer in het woud -
Zoo sterk werd zijn hand gegrepen
Dat het sap der stukgeknepen
Vruchten in roode streepen
Neerdrupt van pols naar poot -

O Christofoor, o satyr,
Uw woede en vlucht zijn getemd,
Men vindt op land of op water
Een klein geluk dat klemt:
Voor Christofoor ondoorwaadbaar,
Voor den satyr ongenaakbaar,
Voor mij, ach, onaanraakbaar
Wegzingend door mijn lied -


Bezorgd door Thomas Vaessens.