J.F. Oltmans (1806 – 1854)

HET SLOT LOEVESTEIN

DRIE VAANDELS

Het roode, witte (dat van de geuzen) en groene vaandel.I.gif (3249 bytes)n den vroegen morgen van den tweeden dag, na dien, op welken de ruiters van Bax op Loevestein gekomen waren reden twee ruiters, de poort van het voorhof uit. Beiden droegen, evenals ritmeester Bax die te voet naast den eersten ging, een sluier van oranje, wit en blauw, en naar zijn kleeding te oordeelen, scheen de oudste niet tot de minste in rang van officieren te behooren.

„Gij zult zoo goed zijn, Mijnheer!” zeide de ritmeester tot den officier, „aan zijne Excellentie te zeggen, dat zijne orders stipt zullen worden opgevolgd; gij weet, dat ik mij reeds den tijd ten nutte gemaakt heb; de zolders zijn met hooi, stroo en haver voorzien, en zoo God geeft, dat het noodig zijn zal mij met mijne paarden in den Waard te zenden, zoo zullen de Mansfelder gewaar worden, dat de Baxen van een goeden stal komen.”

„Gij kunt u volkomen daarop verlaten Mijnheer!” antwoordde de officier. „Zijn Excellentie zal tevens onderricht worden an de door u aan mij   bewezen diensten. Het spijt mij, dat de belangrijke zending, waarmede ik belast ben, het mij onmogelijk maakt, met mijn zoon van uwe herbergzaamheid gebruik te maken, en zijne Excellentie zal zeker met genoegen vernemen, dat de vestingwerken reeds, in weerwil van den sterken stroom, zoo ver gevorderd zijn.” Nu op de nieuwe werken wijzende, die onlangs om het slot aangelegd waren, en waaraan zelfs door de ruiters en het voetvolk van Van Merwe en Van Lier druk gearbeid werd, vervolgde hij: „De tijd heugt mij zeer goed, heer ritmeester! dat van al deze werken bijna nog niets te zien was. Het slot, dat nu de kern van deze schans uitmaakt, stond toen eenig en alleen, en die in het vervolg het fort inneemt, zal reeds overwinnaar zijn, waar voorheen de belegering eerst een begin nam.”

„Het is zoo,” antwoordde Bax; „hoe meer het gebruik van het geschut zwang zal komen, hoe meer zulke groote steenklompen van hunne sterkte verliezen zullen. Alles verandert; alleen het paardevolk zal naar mijn gedachten, f het minst ontaarden, bij hetgeen het vroeger geweest is, f zoo gij wilt, minder vatbaar zijn voor volmaking. Ik weet, dat hier veel gekomen zijt,” vervolgde hij, terwijl de ruiters hunne paarden lieten stilstaan, „voordat het slot door den ossenkooper verschalkt werd; minder vreemd zal het gebouw zelf u dus niet zijn voorgekomen: want het is, sedert het weder is opgebouwd, veel veranderd. Maar dat gij stellig voonemens zijt om door den Waard naar Bommel te gaan, zooals de gedeputeerden te Gorcum u in hunne hooge wijsheid gelast hebben, zonder te weten hoe gevaarlijk het is, zoo zou het, dunkt mij, niet kwaad zijn, den jonker hier te laten. Een soldaat moet gaan dr, waar men het hem gelast: uwe orders gedoogen geen vertraging; maar niets noodzaakt u, uw zoon noodeloos aan gevaar bloot te stellen.”

„Ik heb hem beloofd, dat hij mij zou vergezellen, Mijheer! voordat het mij bekend was, dat ik langs dezen weg naar Bommel zou moeten,” hernam de officier, „en hiervan gebruik makende, heeft hij niet te Gorcum willen blijven; hij weet, dat mijn woord heilig is.”

„De jonker zal mij ten goede houden,” zeide de ritmeester, zich tot den jongen ruiter keerende, die tot nog toe stilzwijgend geluisterd had, „dat ik zijn gedrag niet kan goedkeuren, en dat het van een zoon niet braaf is om misbruik te maken van eene belofte, hem door zijn vader uit goedheid gedaan.”

Een hoog rood bedekte het gelaat van den schoonen jongeling, die nauwelijks achttien jaren oud scheen te zijn: ten minste zijne kin was ongebaard; doch de zachte, zwarte gloed van zijn bovenlip verried, dat zij spoedig door een knevel zou gedekt worden. Terwijl hij zijn helm afnam, waarop een pluim van roode, witte, en blauwe veeren stak, en zijne blonde haaren achterwaarts streek, ontmoette zijn zwart fonkelend oog den bestraffenden blik zijns vaders, waarom hij zonder drift, doch met vuur en gepaste bescheidenheid, antwoordde: „Gij gelooft dan Mijnheer! dat ik voor niets de roemrijke daden heb hooren verhalen, welke zoovele helden, voor hun vaderland verricht hebben, en dat ik niet wil trachten, den naam die ik ontvangen heb, met eer op te houden. Indien hetgeen gij zelf verricht hebt, en hetgeen mijn vader bestond, niet in staat was mij moed in te boezemen, zouden dan deze oorde, die den wapenkreet gehoord hebben van hem, wiens naam ik draag, mij niet dwingen om den dood te verachten? Zou ik dan niet de lafste der ellendelingen zijn? Of gelooft gij, Mijnheer! dat mijne moeder niet zou vragen waarom ik mijn vader verlaten had, indien het noodlot wilde dat hij viel, en waarom deze borst de zijne niet tot een bolwerk verstrekt had?” Dit zeggende, sloeg hij met den rechterhand op zijn borstharnas.

„Hoe meer moeite het u kosten zou uw vader alleen te laten gaan, Jonker!” antwoordde de ritmeester met waardigheid, nadat hij het antwoord van den jongeling met welgevallen scheen gehoord te hebben, „des te meer waarde zou de gehoorzaamheid aan zijne bevelen gehad hebben; en het is verre van mij, dat ik zou trachten uwe redenen te wederleggen. – Wij beiden zouden mogelijk niets anders handelen, indien wij in zijn plaats waren,” vervolgde hij glimlachende tot den officier: „Ik moet u echt nog zeggen, Mijnheer! dat de Spanjaarden dezen nacht tot op het Monnikenland gestroopt hebben, ten minste men heeft hunne vuren gezien. Mogelijk zijn het wel van soldaten, die aan het muiten zijn geslagen althans zoo gij behouden aankomt, is het meer geluk dan wijsheid; in allen gevalle verzoek u de ruiters mede te nemen, die, daar hij bij de poort reeds opgezeten, op u wachten. Het zijn oude ruiters van Schenk, die naar Bommel moeten; de oude knevelbaard, die hen aanvoert, is de oude Duitscher, die voor Nijmegen, doch zonder vrucht, den aftocht van den overste gedekt heeft.”

Hartelijk schudde de ritmeester den officier de hand, toen deze hem voor zijne voorzorg dank zeide, en met den jonker de schans verliet over de houten brug, in welker nabijheid het hoofd van een der in het slot terechtgestelde soldaten op een hoogen staak geplaatst was. Hierna reden zij, gevolgd door de ruiters, in vollen draf voort.

In het midden van het Monnikenland gekomen zijne, wees de officier met zijn hand naar den olmboom, die met dik loof beladen, boven op den heuvel stond, en sprak met den jonker, die zijne rechterhand aan zijn ijzeren stormhoed bracht, zonder dat de ruiters door den afstand en het gebriesch der paarden hooren konden, wat er gesproken werd.

Toen zij aan de gracht of het water gekomen waren, dat het Monnikenland van de Bommelerwaard afscheidt, trokken zij over de houten brug, vr welke met het begin der aardewerken zag, die de Hertog van Param aldaar door zijne schansgravers had laten opwerpen, doch die onvoltooid waren gebleven, en in plaats van den dijk te volgen, namen zij hun weg midden door den Waard.

Reeds waren zij, volgens hunne gissing voorbij Brakel en in de nabijheid van de Watering gekomen, zonder een enkele vijand bespeurd te hebben, toen eensklaps eenige musketschoten in de verte gehoord werden. De officier braadslaagde met den ouden ruiter, waarna zij hun tocht, ofschoon minder snel, in dezelfde richting vervolgden. Al nader en nader kwamen zij aan de plaats, waar het vijandelijke volk scheen op te houden, toen zij achter eenig geboomte, waarlangs zij reden, weder hoorden schreeuwen. De oude ruiter, nu een zijner pistolen gereed om het houtgewas door te rennen, dat hun belette de Spanjaarden te zien.

„Een oogenblik, vriend!” zeide de officier, hem met de hand wenkende om te blijven, „wij zijn niet gezonden, om onnoodige en gevaarlijke gevechten aan te vangen, maar om het doel van onzen tocht te bereiken; de papieren, waarvan ik houder ben, kunnen ruim opwegen tegen het leven van eenige Spanjaarden, en waarlijk, ik zie geen reden om mijn zoon noodeloos aan gevaar bloot te stellen.”

De ruiter boog zich, en zeide, het pistool weder in den holster stekende: „Welnu, Mijnheer! wij zullen dan uwe bevelen afwachten. Wat mij aangaat, Carl heeft zooveel Spanjaarden gezien, dat hij er niet nieuwsgierig naar is; doch wat de jonker betreft, ik geloof dat hij van verlangen brandt om hen onder de oogen te zien, en ik zou gaarne getuige van zijn proefstuk onder de wapenen zijn.”

Nu lieten zich ook de trom en de fluit hooren; de vijanden schenen met veldmuziek op te trekken; nu en dan losten zij hunne roeren, terwijl zij een luid gejuicht aanhieven. De officier reed nu alleen behoedzaam een klein ein op, en plaatste zich zoodanig, dat hij, zonder gezien te worden, een vrij gezicht in het open veld had. Spoedig zag hij nu een honderdtal arkeniers en piekeniers door elkander, zonder hoofdlieden en zonder orde, achter het hakhout uit, te voorschijn komen; hetgeen hem bewees, dat hij zich niet evenals weleer de Spanjaarden, door een boerenbruiloft had laten verontrusten. Vroolijk lieten zich de speeltuigen hooren, en dat zij dachten niets te vreezen te hebben, trokken schreeuwende en juichende voort, alsof zij een grooten buit of overwinning   behaald hadden. Een hunner zwaaide onophoudelijk met een groot rood vaandel, dat hij droeg, en de officier scheen bedaard te overleggen, wat hij doen zou, toen hem eensklaps twee ouden versleten vaandels in het oog vielen, die aan pieken gebonden, in het midden door hen gedragen werden. Het eene scheen groen, het andere wit geweest te zijn; op het eerste zag men nog eenige overblijfselen van een wapen, op het tweede, dat veel groter was, eenig bewijs van zwarte letters.

Zoodra had de officier dit niet gezien, of zijne besluiteloosheid was ten einde, en hij scheen dezelfde mensch niet meer; dreigende strekte hij de gesloten vuist naar zijne vijanden uit, en hij scheen hen door zijne dreigende blikken te willen vernietigen. Toen de ruiters, dien hij met de hand gewenkt had, behoedzaam bij hem waren gekomen, was het hem niet mogelijk te spreken. Zijn ede gelaat was bleek van drift en verstoordheid, en deed het litteeken van een in vroegere bekomen houw, dat onder zijn helm te voorschijn kwam, meer zichtbaar worden dan anders; doch toen hij zijn degen getrokken had, riep hij met vuur: „Ruiter van den dapperen Schenk! volg mij, en helpt mij dit brooddronken voetvolk neder sabelen. Wreekt den maarschalk en den held, wiens veldteeken zijn bezoedelen.” Hierna zijn zoon in het derde gelid plaatsende en de hand drukkende, zeide hij tot hem: „Herman! het oogenblik is daar, waarnaar gij zoo lang gedorst hebt, herneem het vaandel, waaronder hij heeft gevochten, die eenmaal uwe ouders gered heeft; vertrouw op God en op uw zwaard, en uw vader zal u na het gevecht, hetzij levend of dood, het vaderland waardig terugvinden.”

De jonker antwoordde niet, maar bracht de hand zijns vaders aan zijne lippen, waarna de officier zich naast den ouden ruiter vr het eerste gelid plaatste en uitriep: „Trekt het zwaard, ruiters! voorwaarts, geen kwartier! valt aan!”

Verschrikt zagen zij om zich heen, toen zij onverhoeds der ruiters met opgeheven zwaard en met lossen teugel onder een herhaald geroep van: „Schenk! Schenk! Maurits en de Staten!” op hen toereidende, gewaar werden. Eer zij gehoor gaven aan de stem van een hunner, die met een forsche stem uitriep: „Staat, soldaten! velt de pieken, arkebussiers vuur!!” en zich tot tegenweer gereed konden maken, waren de ruiters hun op het lijf. Daar elk der ruiters zijn pistool loste, bracht die hen al dadelijk in verwarring; de oude Spaansche soldaten, die met de ruiters zouden gespot hebben, indien zij in slagorde gestaan hadden, kenden het gevaar, waarin zij verkeerden: wel loste eenigen hunner, die hunne vuurwapenen niet baldadig van te voren hadden afgevuurd, hunne haakbussen, doch het was te laat. Toen eenmaal het paardenvolk in hun midden was, dacht men aan geene hereeniging of wederstand meer; alleen de keus tusschen den dood of de vlucht bleef hun over; het woord: „geen kwartier voor de Spanjaarden!” benam hun zelfs de hoop op een eerlijke gevangenschap. De meesten verspreidden zich over het veld, terwijl zij hunne wapenen wegwierpen, en sloegen, door de slooten heen, op de vlucht, met reden denkende, dat het zwaar gewapende paardenvolk niet zou trachten er door heen te zwemmen. Degenen, die niet laf genoeg geweest waren om te vluchten, werden spoedig nedergehouwen, nadat zij een hopelooze tegenweer geboden hadden; vooral zij, die de vaandels droegen, en degenen, die bij hen waren, verdedigden zich hardnekkig tot het uiterste.

De jonker, die voor het eerst van zijn leven een werkdadig aandeel nam aan een gevecht, kweet zich dapper, veroverde het witte vaandel, en klooffde met eigen hand den drager daarvan het hoof. Juichend hief hij het in de hoogte en riep onderscheidene keeren: „Vivent les Geux!” toen hij het zegeteeken genomen had, naar welks bezit hij van het begin des gevechts af getracht had. Een oogenblik te voren had de oude ruiter, het roode, en de officier het groene vaandel vermeesterd, waardoor het gevecht een einde nam. Tewijl de oude ruiter zijn makkers terugriep, die nog bezig waren de vluchtelingen te vervolgen, onderzocht de officier met zorg, of de jonker ook gekwetst was, en prees hem over zijne dapperheid, terwijl een traan van aandoening en vreugde zijn mannelijk oog ontrolde. Hij berispte hem echter, in het bijzijn van den ouden ruiter, die zijne goedkeuring over het gedrag des jonkmans luidt tekennen gaf, dat hij niet volgens zijn bevel in het gelid gebleven was, maar reeds vr de schermutseling de krijgstucht verkracht, en het verlaten had om zich meer voorwaarts te plaatsen.

De officier vroeg aan een der gekwetste Spanjaarden, vanwaar zij de vaandel hadden gekregen, die zij met zich gevoerd hadde, en deze verhaalde, nadat de officier beloofd had hem het leven te schenken: dat zij tot het gemutineerde regiment van Leva behoorden, en als zoodanig het roode vaandel voerden; dat zij den vorigen nacht op het land naar de zijde van Loevestein op een hoogte in den grond hadden gegraven, met voornemen om er een vuur aan te leggen, en hunne spijzen te koken, en een geraamte ontdekt hadden, dat geheel in het harnas zat, en in twee vlaggen gewikkeld was; dat zij toen, vermoedende dat het een der geuzen was, die hier begraven lag, de wapenrusting met de beenderen in de Maas geworpen, en de vlaggen medegenomen hadden.

De officier schonk aan de gekwetste eenige geldstukken, terwijl hij aan de ruiters, die nu allen teruggekeerd waren, en van welke er geen gebleven was, bevel om voort te rijden. Zich daarna weder vooraan plaatsende, reed hij, zonder een woord te spreken, in gedachten voort, terwijl hij nu en dan echter een blik van welgevallen op zijn zoon, die de witte vlag in den hand hield en naast hem reed.

Tegen den middag bevond zich prins Maurits van Oranje buiten de Gamerensche Poort te Bommel, en was bezig om de verschansingen in oogenschouw te nemen, dien men om die stad te beveiligen, inderhaast had opgeworpen, en juist op het oogenblik, dat hij met een wandelstok, dien hij in de hand hield, de plaats aanwees, waar hij eenig palissadewerk wilde geplaats hebben, kwamen de ruiters, dier verder geene ontmoeting met den vijand gehad hadden, aldaar aan.

De officier steeg af, en wierp een der ruiters toe, waarna hij zijn gevolg gelastte terug te blijven en zich naar de Prins begaf, die hem met eene den krijgsman eigene openhartigheid welkom heette, en zijne blijdschap over zijne behouden aankomst te kennen gaf. Hij vroeg hem tevens, of hem iets nopens de verrichtingen des vijands bekend was; welke ruiters hij mederbracht, en vanwaar hij die drie vaandels gehaald had, welke beter bij het voet- en bij het paardenvolk zou passen? Nadat de officier den Prins een grooten verzegelden brief overgegeven en hierop geantwoord had, zeide Maurits: „Op mijn eer, hetgeen gij mij daar verhaalt, is zonderling genoeg; indien een onzer veldpredikers hier ware, zou hij zeker de gelegenheid niet voorbij laten gaan, om uw wedervaren op de predestinatie toe te passen, en ik geloof, dat zij in het verstoren van het graf uws vriend zeker den vinger Gods zouden zien. Zij verafschuwen iemand, die zijn eigen leven verkert; mogelijk dragen zij daarom zooveel zorg voor het hunne.”

Daarna liet hij den jonker voor zich komen, gaf hem zijne goedkeuring te kennen, en hem vriendelijk de hand toereikende, zeide hij: „Begeef u nu in de stad, jonker Herman! het vaandel, door u dezen dag veroverd, schenk ik u; rust van uwe vermoeidheid uit, en ik beloof u, dat gij spoedig de gelegenheid zult verwerven, om dan Staten en mij nieuwe blijken van moed te geven.”

Toen de jonker den Prins met de hand eerbiedig groette, en te paard steeg, kwamen de ruiters, met groene takken op hunne helmen, in gesloten gelederen mede oprijden, en salueerden Maurits met de vaandels, terwijl hun aanvoerder hem met zijn zwaard groette.

De Prins beantwoordde dit door zijn hoed af te nemen, en nadet zij door de hamei en over de brug de poort ingereden waren, wendde hij zich tot den officier en de andere krijgslieden en heeren, die bij en om hem waren, en zeide, met zijn wandelstok tegen zijne laars slaande: „Mijne Heeren! zijt gij zoo goed mij naar mijn kwartier te volgen: ik ben benieuwd om de instructin te kennen, die ik zoo even ontvang. Met reden kan ik, verwachten, dat zij vigoureus zullen zijn; ten minste men heeft het noogdig geoordeeld ze mij, langs den kortsten weg, door den Waard en den vijand heen, te doen toekomen; op mijn eer! zoo zij in even angstige zin vervat zijn als gewoonlijk, zoo is het leven van een hondsvot nog te goed, om het door de overbrenging in de waagschaal te stellen.” Dit zeggende, riep hij twee schoone hazewindhonden, die, op de onlangs opgeworpen aarden werken, bezig waren elkander na te loopen, bij hunne namen, en trad, van zijn gevolg vergezeld, in de stad.

Ofschoon in dit verhaal geen naam genoemd wordt, geloof ik echter, dat men den officier, evenals den ruiter, die vroeger door Jan Langarm binnen Gorcum gelaten werd, voor den heer Van Doorn houden kan. Vruchteloos heb ik echter omgezien naar de terp of   den heuvel in het Monnikenland; vruchteloos dus ook naar den ouden olm, welke, ik beken het niet te weten waarom, in dit verhaal met den naam van den Heer Jansboom betiteld wordt; wellicht dat de hand der menschen of de vernielende kracht des waters den aardheuvel vernietigd heeft, althans hij is verdwenen. De plaats, waar de Boodschapper eenmaal rustte, is niet meer; doch niet geheel en al is de verstoring van zijn graf in de vergetelheid gedompeld; somtijds verhaalt de oude Geldersche landman, wanner hij des winters bij het vuur zit, aan zijne kinderen van den inval der Spanjaarden in den Bommelerwaard; hij verhaalt hun dan van menigen moord en rooftocht der Spanjaarden, welker geheugenis hem van ouder tot ouder is overgebracht; hoe het gebeurde, dat eenige ruiters van den stouten Maarten Schenk drie vlaggen veroverde, en wat Neerland’s grootste veldheer tegen den jongen krijgsman zeide, die een der veldteekenen genomen had.

Wat er verder van Van Doorn en zijn geslacht is geworden, verklaar ik niet te weten, en het is mij onbekend, of kapitein Willem Van Doorn, die in 1585 bij een uitval der Spanjaarden uit de schans Yseloord aan de Staatsche zijde sneuvelde, als dan niet een zijner bloedverwanten was.

Het opnoemn der wapenfeiten van den dapperen Nicolaas Ruykhaver zou ons te veel ophouden; genoeg zij het gezegd, dat het verlangen, hetwelk hij in het Tempelheerenklooster te kennen gaf, om in de gelegenheid te zijn nog veel voor zijn vaderland te verrichten, in alle deelen vervuld werd, De inneming van Den Briel, de verdediging van Haarlem en Alkmaar, de gevangenneming van den graaaf Bossu, in alle welke hij een werkzaam aandeel nam, zijn getuigen van zijn moed en zijn vaderlandsliefde. Waarom moeten wij ook zegge, dat zijn voorgevoel nopens zijne wijze van afsterven hem niet bedrogen heeft, en dat hij in1577 in den mislukten aanslag de Staatschen op Amsterdam,in zeker huis nabij de Oude Haarlemmersluis betrapte zijnde, door iemand, die hem een bijzonderen haat toedroeg, in koelen bloede vermoord werd.

Dirk Duyvel, of Duvel, zooals hij zich ook wel schrijft, die insgelijks bij het innemen van Den Briel tegenwoordig geweest was, heeft in het bijzonder als kapitien eender bende soldaten vele diensten bewezen bij de verdediging der stad Alkmaar in 1573; jammer maar, dat hij ook daar door zijn lichtzinnig karakter oorzaak was, dat zijn moed door velen betwijfeld werd, en dat hij na het opbreken van het beleg, gevangen gezet, zich wegens zijn gedrag moest verantwoordden. Hij leefde nog in 1585, en was een jaar vroeger aangesteld als hopman over de Waardgelders in Amstelland en Gooiland.

Van den Duitschen hopmanm Steinbach, die door zijne traagheid en zijne onwil oorzaak was, dat Loevestein niet werd hernomen, en de gevangen geuzen niet gered werden, wordt met veel lof in de verdediging van Haarlem gesproken. Met diepe verachting beschouwt men echter den lagen huurling, die den dood zijner soldaten en den moord van de ongelukkige burgers der stad Haarlem vergat en de overgaaf, bij de Spanjaarden in dienst getreden, even spoedig van meester veranderde, als het bloegeld, waarvoor hij en zijne landslieden dienden, door zijne vingers droop. Zich niet schamende, om cr Alkmaar dezelfde burgers, in wier midden hij gevochten had, met harde woorden te dwingen den grond tegen hunne landgenooten op te delven, trachtte hij hen ten onder te brengen, die hem nog kort geleden zijn loon betaald hadden: ja, hij was verachtelijk genoeg om zich vr Alkmaar’s muur te vertoonen, en de soldaten tot een laf verraad op te zetten.

De hertog van Alva verzocht dringend zijn meester om zijne terugroeping, dewijl hij den gevraagden onderstand uit Spanje niet kreeg, en ontmoedigd was door het slaan der belegering voor Alkmaar en het verlies van den scheepsstrijd op de Zuiderzee. Ook verhinderden hijn zijne hooge jaren en zijne jicht om het krijgsvolk in toom te houden, dat over slechte betaling aan het muiten was geslagen. Philips, hopende, dat iemand van een zachter en nog geveinsder inborst dan Alva, mogelijk beter in staat zou zijn om het Nederlandsche volk onder het juk te brengen, gaf daaraan volgaarne gehoor, en benoemde zijn opvolger.

In December des jaars 1573 vertrok hij, die gedurende meer dan zes jaren Nederland ten geesel verstrekt had, vele schulden achterlatende, en den vloek van een geheel volk met zich dragende, na alvorens, zoowel zelf als door den voorzitter van den bloedraad, den nieuwen landvoogd tegen het volk opgezet en tot strengheid aangeraden te hebben, terwijl hij zich op zijne reis nog op zijne wreedheden beroemen. De goede ontvangst, welke koning Philips de Tweede hem bij zijne aankomst in Spanje aandeed, was maar al te zeer een bewijs, dat zijne handelingen door dezen werden goedgekeurd, en zoo hij al in het vervolg in ongenade verviel, zoo geschiedde dit niet om de onmenschelijke wreedheden, welke hij in ons vaderland bevolen had. In 1581 uit zijne gevangenis ontslagen, en met het opperbevel over het leger bekleed zijnde, hetwelk Portugal stond te vermeesteren,  toonde hij zich met reden verwonderd, dat de Koning, zijn meester, een gevangen man, noodig had, om een koninkrijk te veroveren. In December des volgenden jaars stierf hij, in den ouderdom van vier en zeventig jaren, in het koninklijk paleis te Lissabon, nadat hij vooraf zijn meester, als koning van Portiga, had doen kronen, en door dezen op het ziekbed meermalen was bezocht geworden. Zijn lijk werd na verloop van tijd door zijn kleinzoon in de hoofdkerk van Salamanca in het voorouderlijk praalgraf bijgezet. Tot het laatst van zijn leven behield de hertog van Alva zijne tegenwoordigheid van geest, en zeide in zijne laatste oogenblikken tot den geestelijke, die bij hem was: „Aldus sterven ook dengenen, mijn vader! die, om zich naar de neigingen van hunne vorsten te schikken, zooveel christenbloed gestort hebben.” Bedoeldehij de ongelukkige slachtoffers zijner wreedheden of in den krijg gesneuvelde soldaten? Wie zal zulks bepalen? Had hij gedacht dat met onsterfelijk wordt door zich in het bloed van de onschuldigen te baden, vergetende, dat de beul zoo goed sterft als de ongelukkigen, die hij ter dood brengt? Of zou hij misschien in zijne laatste oogenblikken begrepen hebben, dat hij rekenschap zou moeten afleggen van de doodvonnissen, die op zijn bevel in den bloedraad geveld waren?

Van Juan de Vargas valt niet te zeggen, dan dat hij, een dag later dan zijn meester, de Nederlanden verliet, terwijl hij, zeker door zijne slimheid en laaghartigheid, de straf voor zijne vele misdaden en ongerichtheid ontdook. Met den Hertog gezamenlijk de terugreis doende, vermeette hij zich nog te zeggen: „dat de Nederlanden door malle barmhartigheid voor de Koning verloren gingen.” Waarschijnlijk is het, dat hij met zijn bebloeden buit, en voor het oog van elken weldenkende verborgen, zich hier of daar in Spanje heeft nedergezet, en toen met angst den dood te gemoet zag; misschien ook zocht hij in het laatst van zijn leven troost te zoeken bij hen, die hij in vroegere dagen als huichelaars beschouwde.

Wat Diego de Velasquez aangaat, van dezen edelen Spanjaard vindt men insgelijks geen bescheid, en hij wordt niet genoemd onder de bevelhebbers, die bij de onderscheidene belegeringen en veldslagen de Spaansche legerbenden aanvoerden, zich bij een of ander gevecht verdienstelijk maakten of den heldendood stierven. Hij zal dus zeker den krijg vaarwel gezegd, en deze landen verlaten hebben; de oorlog zooals de Spanjaarden die voerden, kon iemand van zijne inborst ook niet welgevallig zijn. Dit een en ander wordt gestaafd en tot zekerheid gebracht door hetgeen voorvoel op de Groote Markt te Antwerpen.

908SR15.gif (1832 bytes)

Een briefInhoudopgave OltmansDe Groote Markt te Antwerpen

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)