J.F. Oltmans (1806 – 1854)

HET SLOT LOEVESTEIN

DE GROOTE MARKT TE ANTWERPEN.

De Groote Markt te Antwerpen.

I.gif (3249 bytes)n de maand April des jaars 1571, juist op het oogenblik, dat de klok der Lieve Vrouwenkerk half n na den middag geslagen had, kwam een Spaansch hoofdman, op een wit paard gezeten, over de Kaasmarkt te Antwerpen, en wilde over de Groote Markt rijden, toen he de verbazende menigte menschen gewaar werd, die de geheele markt vervulden, en die allen met aandacht en ongedekte hoofden naar het stadhuis zagen. De ruiter, die nu ook derwaarts zijn blik richtte, bemerkte weldra een veheven tooneel, en liet een teeken van afkeuring blijken, toen hij eenige gehangenen aan een galf gewaar werd, waarna hij vr zich ziende, zijn weg vervolgde: de krijgsman, ofschoon aan bloedige tooneelen en aan het zien van den dood gewoon, heeft een afschuw van alle terechtstelling en zelfs van den beul.

Terwijl het geluid van een doffen slag over de markt klonk, begon zich de menigte, uit vrouwen, kinderen en mannen van alle rangen te zamen gesteld, evenals een onstuimige zee te bewegen, en belette hem, die langs de huizen reed en gedacht had zijn weg te kunnen vervolgen, allen verleenden doorgang. Hij scheen dezen niet te willen bewerkstelligen; want het volk, dat anders gereedelijk voor een Spanjaard van dien rang uitweek, scheen nu gedurende de rechtspleging, tot welker bijwoninng de doodsklok het geroepen had, niet gezind te zijn, ruimte te maken, waarom de Spanjaard, ofschoon ongaarne, besloot een oogenblik te wachten, en dan van de eerste gelegenheid gebruik te maken om deze gehate plaats te verlaten.

Toen hij toevallig voor een herberg stilhield, verzocht de waard, met zijne muts in de hand, hem zeer nederig af te stijgen, zeggende goed voor zijn paard te zullen zorgen, en hem zelven, zoo hij verlangde, aan een raam, dat hij hem aanwees, gelegenheid te geven om de terechtstelling goed te kunnen zien, dewijl men daar, volgens zijn zeggen, een uitmuntend gezicht op het schavot had.

Terwijl de doffe slagen elkander langzaam opvolgden, alsof zij door een uurwerk geregeld werden, antwoordde de Spanjaard, die zijne aanbieding met weerzin aangehoord had, dat hij nu niet, maar bij een andere gelegenheid zijn wijn zou proeven, waarna hij zweeg. De herbergier, die het gesprek levendig wilde houden, vervolgde: „Het is dan tegenwoordig een booze tijd, Mijnheer! men hoort maar dagelijks van moorden en doodslaan; een voorbeeld is tegenwoordig meer dan ooit noodig. Uwe genade zal zeker reeds gehoord hebben van den moord, welken door de geuzen op paaschdag te Berchem aan de twee pastoors geschied is!”

„Ja, zeker,” antwoordde de Spanjaard, „en indien het deze knapen zijn, die men daar ter door brengt, zoo hebbe zij hunne straf wel verdiend, hospes! doch men heeft hun vonnis al zeer, spoedig opgemaakt, zoo het mij voorkomt.”

„Wel neen, Mijnheer!” hernam de waard, „die rabauwen zijn nog niet in handen, ofschoon ik hoop, dat zij door Gods bijstand en dien van alle goede menschen spoedig achter het slot zullen zijn; maar deze snaken zijn reeds in het laatst van het verleden jaar met de wapenen in de hand gevangen genomen; twee dagen hebben zij tegen de soldaten als gevleesde duivels gevochten. Mijnheer De Vargas, die daar aan het middelste raam zit, is gisteren opzettelijk in de stad gekomen om hunne terechtstelling te bevelen en bij te wonen; den naam van het kasteel, waarin zij gevangen genomen zijn, zal ik anders honderdmaal noemen; maar hij wil mij nu niet te binnen schieten.”

„De Vargas! – kasteel!” zeide de Sapnjaard half luid, zijne wenkbrauwen te zamen trekkende, waarna hij uitriep: „Gij bedoelt immer niet Loevestein?”

„Juist, mijnheer!” antwoordde de waard, „juist! zij behoorden tot de bende van de Boodschapper, zooals zij hem noemen, el Emisario in het Spaansch, als ik het wel heb, Mijnheer!”

El Emisario!” riep de Spanjaard. Zijn hoofd oprichtende, telde hij de lichamen, welke aan den dwarsbalk hingen, waarna hij zijn voorhoofd ontrimpelde en tot te waard zeide: „Ik zie, dat er meer vier ongelukkigen gehangen zijn; niemand heeft hun het leven verzekerd; doch ik geloof niet, dat zij hier zouden zijn, als hun aanvoerder niet gevallen was.”

In dit oogenblik klonk er weder een doffe slag over de markt; een onwillekeurige huivering beving den Spanjaard, en, terwijl zijne oogen van drft fonkelden, vroeg hij: „Behoort de ongelukkige, wien men daar op het rad de ledematen breekt, ook tot des Boodschappers volk, of is het een moordenaar of beeldstormer? Bij het leven des Konings! geef antwoord!”

Verwondert over de drift des Spanjaards haaste de waard te antwoorden: „Hij is de ergste der geuzen, Mijnheer! hij maakte de wapens en moordtuigen voor den Boodschapper en zijne makkers. Zou uwe genade wel gelooven, dat hij gepoogd heeft het gemeen op te ruien, toen hij op het schavot werd gebracht?”

„Zou het nog gered kunnen worden, vriend?” vroeg de Spanjaard snel, de hand aan de greep van zijn degen brengende.

„Neen, Mijnheer! heb geene vrees,” antwoordde de waard, „het schavot is zeer hoog en sterk bezet met soldaten; wie ook zou ook dwaas genoeg zijn om zulks te beproeven?”

„Ik!” hernam de Spanjaard met vuur, „spreek man! zeg mij om Gods wil, kan hij nog in het leven blijven? en ik zal het moorden doen ophouden.”

„Neen, Mijnheer!” antwoordde de herbergier, verbaasd over hetgeen hij hoorde, „het is gedaan, ik heb er reeds acht geteld. Zie, daar tilt de scherprechter den koevoet op; hij groet den rechter: het is de genadeslag!”

Hij zweeg; een slag veel doffer, veel akeliger dan de vorige werd gehoord; het was alsof men op een meelzak sloeg. De Spanjaard bedekte zijn gelaat met beide handen, terwijl hij met smart uitriep: „Arm vaderland! gij zijt onteerd!”

Terwijl de waard hem in stilte en met medelijden gadesloeg, en reeds vele menschen zich gereed maakten om de markt te verlaten, rukte de Spanjaard een gouden keen van zijn hals; de schakels aan stukken trekkende, ontdeed hij zich van een blauwen en witten zijden sluier, die over zijn schouder hing, en wierp, nadat hij hem verscheurd had, met een en ander met verachting ver van zich af.

De menigte zag hem met verwondering aan; doch toen hij zijn degen trok, en zijn paard de sporen gaf, vloden, zij uiteen, luid roepende: „Hij is gek, bergt u! de Spanjaard is razend en dol.” Zonder zich echter aan hen te storen, ja, mogelijk hoorde hij hun geschreeuw niet eens, stiet hij herhaalde keeren met de punt van zijn degen tegen een steenen lantarenpaal,, die tegen de stoep der herberg stond, zoodat het eene stuk voor, het andere na van de kling afsprong, en hij eindelijk weinig meer dan het gevest in de hand hield, hetwelk hij in de hoogte hief en uitriep: „Evenals ik dit staal verbroken heb, zoo verbreek ik de gehoorzaamheid aan den dwingeland, die het droeg en het mij gegeven heeft. Vervloekt zij het bevel over zijne soldaten! vervloekt moge ik zijn als ik het herneem.”

Nadat hij deze woorden uitgesproken had, die, evenals zijne daad, elkeen in den waan versterkten, dat hij van zijne zinnen beroofd was, reed hij zachtjes voort, terwijl de menigte verschrikt voor hem plaats maakte. De waard echter nam de keten en de stukken van den sluier en degen op, en trad, het hoofd schuddende, in huis; hij alleen wist van de zaak meer af, en terwijl hij voor zijn venster staande, den ruiter naoogende, wiens paard hij door de zich aansluitende menigte niet meer zien kon, zeide hij tot zijne vrouw: „Die te edel en te nauwgezet denkt, wordt dikwerf voor gek aangezien, alleen omdat hij braver is dan de andere menschen; dit is het gevaql met den ruiter. Wat mij betreft, ik zal die zaken bewaren, totdat hij ze komt terugvragen, hetgeen mogelijk nimmer gebeuren zal, indien de Hertog tijdig genoeg te weten komt, wat hij hier heeft uitgeroepen.”

Toen de Spanjaard stijf voor zich ziende het stadhuis naderde, kwamen eenige gerechtspersonen in zwarte tabbaarden uit een der deuren. De soldaten, die het bevel hadden om niet af te trekken, voordat de lijken der terechtgestelden waren afgenomen, hielden een doorgang in de menigte open, die hier nog verzameld was om de droevige vertooning ten einde toe bij te wonen. Geen acht slaande op het volk, de krijgslieden of den magistraat, zou de ruiter zeker, zonder op te zien, zijn weg langs het stadhuis vervolgd hebbe, indien niet een der rechters, en wel de voorste, wiens bleek gelaat zich tot een valschen lach vertrok, met luider stem geroepen had: „H! h! Signor Diego De Velasquez! het is niet goed een vriend voorbij te gaan zonder hem te groeten!”

Evenals de slapende reiziger opspringt, als hij door den beet van een vergiftige slang gewekt wordt, zoo richtte de Spanjaard zih op, toen hij in zijne gedachten gestoord werd door de stem der voorzitters van den Raad der Beroerten, die hem uit het verleden en van het toekomende tot het tegenwoordige terugriep. Zijn paard staande houdende, zag hij met verbazing naar den man, die zich zijn wreedaardigen ijver niet schaamde, en den lagen moed had om hem te trotseeren, dien hij eer moest vreezen te ontmoeten, dan het wagen om hem eerst toe te spreken. Daar Velasquez toch voor altijd met Alva gebroken had, zou hij zeker zijn weg vervolgd hebben, zoo niet De Vargas, die zijne belsluiteloosheid gezien had, een schrede voorwaarts doende, hem gevraagd had: „Indien gij iets aan den Hertog te zeggen hebt, Signor! zal ik er mij mede belasten; nog dezen avond hoop ik zijn Excellentie te zien.”

„Gij vreest dus niet, mensch! dat hij u rekenschap zal afvragen van den moord, die hier heeft plaats gehad?” vroeg de Spanjaard met verachting.

„Neen!” antwoordde De Vargas koel, „het is zijne Excellentie zelve, die mij herwaarts zond, met bevel om met de geuzen af te handelen. gij hebt gezien,” vervolgde hij lachende, „dat hij, volgens mijn raad, het woord van een edelman niet verbroken, en daarom toch het recht zijn loop gelaten heeft; maar mijn tijd is bepaald: ik moet bij een deze heeren nog het middagmaal houden. Zeg mij signor! hebt gij ook iets aan den Hertog, te zeggen, zoo maak zonder schroom van mijne vriendschap gebruik.”

„Ja, ellendeling!” riep de Spanjaard met drift, terwijl hij, tusschen de soldaten door, meer voorwaarts reed, „ik heb iets aan den Hertog, uw meester, te zeggen. Wanneer gij hem van uwe verrichtingen verslag zult gedaan hebben, zeg hem dan, dat gij Diego de Velasquez gezien hebt, die dezen morgen nog hoofdman was in het Siciliaansche regiment van Romero; zeg hem, dat, toen ik den laatsten slag gehoord had, welke den ongelukkigen geus vermoord heeft, ik den degen verbroken heb, dien hij, de Hertog, mij gegeven had, en dien geen edelman meer kan dragen. Zeg, dat ik hem veracht, breng hem dit over, en hij zal mij begrijpen.” Dit zeggende, wierp hij het gevest, dat hij werktuigelijk in de hand gehouden had, vr de voeten van De Vargas.

„Gij vreest mij niet,” riep deze verheugd, terwijl hij snel hij  snel het overblijfsel van den degen opnam, waarmede hij Velasquez hoopte te vernielen, „dat, als ik den hertog overbreng, wat gij gezegd hebt, hij mij zal afzenden om uw hoof te halen?”

„Mijn hoofd!” schreeuwde de Spanjaard wild, zijn paard de sporen diep in de zijden drukkende, terwijl hij de hand aan een zijner pistolen bracht: „Gij, De Vargas, mijn hoofd!” en steigerend kraste het paard met zijn hoeven op de trap, op welke de voorzitter zoo even den voet gehad had, diepe groeven in den blauwen steen achterlatende, terwijl De Vargas, die snel was teruggetreden, en zich onder der rechters in het portaal van het stadhuis verschool, door schrik en woede bleeker dan ooit, met een bevende stem uitriep: „Rebellie tegen den Koning en den Hertog! Soldaten! neemt hem gevangen!”

Den hoed des Spanjaards was afgevallen door den hevigen schok, dien het paard ontving, toen het door de trap in zijn vaart gestuit werd. Elkeen dacht paard en ruiter weldra de deur te zien binnendringen; want geen der soldaten maakte zich gereed om De Vargas te gehoorzamen. Hun aanvoerder, die aan de livrei des Spanjaards, ofschoon deze geen sluier droeg, gewaar werd, dat het een der Capitanes was, gaf hun geen bevel om te handelen. Toen de edele Spanjaard zijn lagen vijand niet meer zag, bedaarde de dorst naar wraak in zijn hart, terwijl de diepste verachting er in achterbleef. Dit redde De Vargas; want wie zou hem tegen Velasquez beschermd hebben, indien deze ware afgestegen, en met den dolk gewapend het raadsgebouw was binnengedrongen?

„Verschijn, verachtelijke moordenaar!” riep hij eindelijk met bedaardheid het pistool weder ontspannende en in den zadel stekende, „vertoon vrij uw valsch gelaat; ik beloof u op mijne eer, dat gij van mij niets te vreezen hebt; het zal mijn hand niet zijn, die uwe schandelijke loopbaan stuiten zal, ik schenk u het leven; maar ik vervloek u voor eeuwig. Wanneer de beul eenmaal de hand aan u zal slaan, of de dood u op het ziekbed aangrijpt, denk dan aan dit oogenblik; denk dan aan de overwinning, die gij op Velasquez behaald hebt; dan zal de geus, die ons zou kunnen hooren, voor u verschijnen, indien hij niet vermoord was. Gij zult hem zien, als hij u zijne op de pijnbank uiteengerekte gewrichten vertoont, als hij u in zijne gebroken ledematen klemt, en u zoekt te verstikken; dan zou ik u kunnen zien, De Vargas! zonder medelijden te gevoelen, en indien ik u door het uitspreken van n woord redden van de straf der verdoemden, welke u voor eeuwig wacht, dan zou ik, Diego de Velasquez, dat woord niet uiten, dit zweer ik bij al wat heilig is, zoo waar zij mij God genadig!”

Een diepe stilte had er geheerscht, terwijl de Spanjaard deze vervloeking uitsprak, waarna hij den hoed aannam, dien de aanvoerder der bezetting had opgenomen, en hem opzette, na nog eens naar de deur gezien te hebben binnen welke de voorzitter geweken was. Toen hij zag, dat niemand het woord tot hem richtte, en dat zijn vertrek vrijwillig en ongehinderd kon geschieden, en niet voor vluchten kon gehouden worden, wendde hij zijn paard. Den bevelhebbe groetende, zeide hij: „Vaarwel, Signor! ik dank u, vaarwel soldaten!” en reed snel door het volk heen, terwijl hij weldra achte het stadhuis verdween, hetwelk hij was omgereden.

Niet zoodra had Velasquez zich van de deur verwijderd, of De Vargas, die nu weder moed vatte, vertoonde zich andermaal, en oogde den Spanjaard na, terwijl hij het gevest van den degen onder zijn tabbaard verborg, en met een gedwongen lach tot de rechters die bij hem waren zeide: „De trotschheid der soldaten gaat dikwijls alle maat boven, mijne Heeren! gelukkig, dat wij met hunne snoeverijen den gek steken, ofschoon wij al voor een oogenblik hunne beestachtige drift ontwijken; hij zelf zal zijn gedrag naderhand beklagen als het te laat is. het doet mij waarlijk genoegen, dat hoed hernomen heeft; want sedert de Zwijger zich ongedekt gered heeft, wanhoop ik altijd in de gelegenheid te zijn iemand het hoofd van den romp te slaan, als hij zich zonder hoed of muts op de vlucht begeeft.”

De rechters bogen zich zonder iets te antwoorden; zij kenden De Vargas, en wisten hoe gevaarlijk het was hem tot vijand te hebben; niemand kwam dus voor zijn gevoelen uit; geen hunner gevoelde lust om het eerst den mond te openen.

„Maar ik vergeet, dat de spijzen zullen koud worden, alsof het nog niet genoeg ware, dat wij voor deze knapen het middagmaal verschoven hebben,” vervolgde hij vroolijk, met de hand naar het schavot wijzende; „de executie heeft mijn eetlust opgewekt. Ik ben gereed, mijne Heeren! laten wij gaan, eer een tweede nar ons weder komt ophouden.”

Dit zeggende, verliet de Vargas het stadhuis, gevolgd door de rechters, die twee aan twee gaande, nadachten over hetgeen zij gehoord hadden terwijl sommigen hunner, de verklaring van den Wapensmid met de woorden des Spaanschen hoofdmans in verband brengende, maar al te goed inzagen, dat de ongelukkige wederrechterlijk was ter dood gebracht.

De voorziter van den bloedraad had niet gerust, voordat hij de laatste verdedigers van Loevestein verdelgd had. voldaan over zijn werk, vol hoop, ook spoedig den man te zien vallen, in wiens tegenwoordigheid zijn meester, hem vernederd had, verzuimde hij niet, om onder den maaltijd, terwijl de beker rondging, zijn gastheer en zijne dischgenooten over hunne staatskundige en godsdienstige gevoelens uit te hooren, en den naam van den krijgsman in zijn geheugen te prenten, die Velasquez den hoed had aangegeven, en die zijn bevel niet achtte, toen hij toeliet, dat deze zich verwijderde.

908SR15.gif (1832 bytes)

Wat den veerman en Jan Langarm aangaat, van hen is niets bekend; de laatste zal zeker in zijn beroep door zijne kracht en gegoedheid geen onaanzienlijk van zijn gild geweest zijn; mogelijk heeft hij ook wel de bijl voor het zwaard of het musket verwisseld, en dan zullen zijne vijanden zich niet over deze ruiling verheugd hebben. De oude Thijs zal, met zijne nieuwsgierigheid misschien nog dikwerf aan hem, dien hij hielp overzetten, een goeden raad gegeven hebben, totdat hij bij het nederleggen zijner riemen, zich zelven naar betere gewesten heeft laten overbrengen.

908SR15.gif (1832 bytes)

De drie vaandelsInhoudopgave OltmansTitelblad

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)