J.F. Oltmans (1806 – 1854)

HET SLOT LOEVESTEIN

EEN BRIEF.

brief.gif (2712 bytes)eminde Anna!

H.gif (3137 bytes)oe gaarne wenschte ik u te zien, en hoezeer verlang ik bij u te zijn; zou ooit dit gemis mij heeft gekweld, dan is het nu. Wanneer ik vroeger op zee rondzwierf of in vreemde havens vertoefde, gevoelde ik de onmogelijkheid om naar u toe te snellen. Helaas! die verre afstand, de holle zee en mijne vijanden benamen mij dat genoegen en alle hoop daartoe: maar nu, wat kan mij nu weerhouden? n woord slechts en mijne bootsgezellen hijschen juichend het zeil in top, en onze zegevierende vlag wappert vr mijne vaderstad; eenige uren slechts en een moedig ros brengt mij naar de oude bisschoppelijke stad en in uwe armen; maar mijn plicht verbiedt mij de inspraak van mijn hart en der huwelijksliefde te volgen; geliefde echtvriendin! ik blijf!

„Ik heb u doen weten, dat wij Gorcum ingenomen hebben, en dat ik gezond ben: maar toen was het slot nog in de macht der Spanjaarden; thans echter is het in onze handen. De drossaard heeft zich overgegeven, nadat wij stormenderhand de twee buitenste ommuringen hadden ingenomen. Ik verberg u niet, dat ik een oogenblik in groot gevaar geweest ben, daar ik een geruimen tijd ongedekt heb moeten blijven onder het vuur, dat uit den u bekenden Blauwen toren, de laatste toevlucht der belegerden, op ons gemaakt werd, terwijl wij bezig waren aan de gracht, bij de brug, eene verschansing op te werpen; doch God, die onze wapenen zoo merkbaar zegent,, heeft mij niet verlaten; ook heb ik geen letsel bekomen, en heb de goedkeuring mijner opperhoofden en metgezellen verworven. Reeds meer dan twintig steden hebben de geuzen nu al aan de Spanjaarden ontwrongen, en het zou mij vreemd voorkomen, als de stijfhoofdige tiran zich nog vergenoegt met zijn no es nada uit te roepen.”

„Beloofd hebbende u steeds alles zonder omwegen te schrijven, en niets voor u te verbergen, zoo kan ik niet nalaten u te berichten, dat ik vrees voor het lot der geestelijken, die in het slot zijn gevonden; zij zullen allen op last van Lumei naar den Briel vervoerd worden. Indien God hun niet genadig is, zijn zij verloren; nooit heeft er iemand bestaan, die, evenals de graaf Van der Mark, de verschrikkelijkste wreedheid met moed, beleid en hooge geboorte deed gepaard gaan. Helaas! als hij zoo voortgaat, kan zijn uiteind niets anders dan droevig zijn.”

„Ik heb echter dengene gered, die gewoon was op Loevestein voor de bezetting den dienst te komen verrichten, die u steeds den troost der Heilige kerk heeft toegedient, en die u toegezegd had u in zijne bescherming te nemen, als uw voogd u voor het altaar voor altijd aan den Spanjaar zou willen verbinden. Of zijne zwakke macht u zou gered hebben, is Gode bekend; groote, ja zelfs al te groote macht hebben onze geestelijken te allen tijde gehad, en indien zij er helaas! niet zoo dikwerf een verkeerd gebruik van gemaakt hadden, zouden zij nu niet uit hunne huizen verdreven en niet straffeloos mishandeld worden.”

„Ik heb den eerwaarden vader bij mijn vriend den slager verborgen, die mij reeds eenmaal zulk een grooten dienst bewezen heeft. De bereidwilligheid waarmede hij hem in zijn huis heeft opgenomen, verzekert mij opnieuw, dat hij mij zeer genegen en een braaf man is, en ik hoop, dat de tijd niet ver af is, dat ik u bij hem breng, en gij zelve zult moeten erkennen, dat gij hem verkeerd hebt beoordeeld.”

„Johan Omal, commisaris van den graf Van der Mark, wilde mij de prooi, die hij zijn meester wilde brengen, in den beginne niet afstaan; eindelijk heeft hij echter aan mijn verzoek en dreigen gehoor gegeven, zeggende, dat hij Lumei van alles zou onderrichten. Voed echter geene vrees; de Graaf heeft de spreuk mijner voorvaderen op de vlag gelezen, die van mijn vaartuig waait; het

Die zich aan mij wrijven zal,
Zich zulks beklagen zal,

zal hem den lust benemen, om den geestelijke van mij terug te vragen; mijn degen zou gereed zijn hem te antwoorden; hij weet, dat hij in mijne hand geen nutteloos wapen is. Mijn volk, aan mij gehecht, zou elke poging weerstaan om mij met gewapend volk gevangen te nemen; de scheepsvoogden, mijne gezellen en vrienden, zouden dit niet gedoogen. Men laat hem onze vijanden vernielen; doch indien hij, gelijk een tweede Saturnus, die zijne kinderen verslond, zijn eigenen partijgenooten mocht willen schaden, zou men er zich tegen verzetten. Dan, hiervan genoeg. Helaas! waarom is de edele vorst niet in ons midden, die paal en perk aan deze wreede handelwijze, die hij zoo streng verboden heeft en waarover zijn hart bloedt; hij zou ons zijner en onzer waardig, aanvoeren, en alle laffe weerwraak tegengaan! Elk onzer ziet reikhalzend naar hem uit; hij alleen kan ons redden.”

„De zoon des drossaards van Gorcum, die met 600 man te laat gekomen is, om het slot te ontzetten, besloot hij zich in Loevestein te werpen: dit is de reden, dat ik dadelijk bevel bekwam mij aan boord en derwaarts te begeven. De zwakke bezetting verliep vanzelf, zoodra wij naderden. Na eenig volk ontscheept te hebben, om het verlaten gebouw in bezit te nemen, ben ik het Spaansche krijgsvolk een eind weegs te gemoet gezeild, en heb het met mijne jaagstukken genoodzaakt terug te keeren en den dijk te verlaten, en niet dan nadat het alle hoop opgegeven had, om hier of daar de Waal over te steken, en landwaarts in was afgetrokken, ben ik naar Loevenstein teruggekeerd”

„De prinsenvlag wapperde reeds van het slot, toen ik met mijn schip De Doorn aankwam en aan land stapte. Ik heb dan weder den grond betreden, waar ik aan uwe zijde zooveel geluk gesmaakt heb; waar gij zoovele oogenblikken van droefheid en angst hebt doorgebracht. Ik heb dan de plaats wedergezien, waar mijn vriend den heldendood gestorven is, waar de moordenaars van uw vader gestraft zin. O welke herinnering! waarom paart zich  aan zooveel geluk, zooveel droefheid? Waarom leeft de Boodschapper niet meer!”

„Ik heb de kamer bezocht, die gij zoolang bewoond hebt; maar alles is daar veranderd; niet was meer dr, dat u aan mij kon herinneren, en toch meende ik u te zien, Anna! Op de plaats, waar ik u, in dien bangen en tevens blijden nacht nedergeknield gevonden heb, boeide mij een onweerstaanbaar gevoel; ik bemin u nog even sterk als toen, Anna! Ja, de moeder van mijn zoon is mij nog dierbaarder dan het meisje, hetwelk mij echt toen reeds kon overhalen om mijn vriend te verlaten.”

„Ach! waarom paart zich de verwoesting altijd aan de overwinning? Waarom eerbiedigt de eene broeder niet hetgeen door den anderen als heilig beschouwd wordt? Mijne bootsgezellen en soldaten hadden van mijn afzijn gebruik gemaakt, om de kapel van hare sieraden en beelden te berooven, die de Boodschapper had verboden te beschadigen, en welke, tijdens de uitbarsting van het kruit waren gespaard gebleven. De tapijtwerken, waarmede de Italiaan zooveel ophad, en die wij zoo dikwijls samen beschouwden, zouden zeker nu ook aan de vernieling niet ontsnapt zijn, indien zij niet reedsd bij het springen van het slot, dat nog gedeeltelijk een puinhoop is, waren verdwenen; ten minste mijne lieden hebben eene der kamers, welke nog met tapijtwerk versierd was, niet ongemoeit gelaten, en een gedeelte er van aan stukken gescheurd. Het kruis en eenige geestelijken, die er op voorgesteld waren, hadden hunne vernielingszucht aangevuurd, terwijl zij een ander onbeschadigd gelaten hadden, waarop onderscheidene heidensche goden en godinnen waren voorgesteld. Zonderlinge uitzondering, voorwaar!”

„Ook de Leeuwensteen is niet meer; in hun ijver, om al wat Spaansch was, en wat maar eenigzins met dien gehaten landaard iets gemeens had, te verdelgen, hebben zij hem stukgeslagen. Verwoed over den dood des Snijders, en wetende dat mijn bloed er op gevloeid heeft, hetgeen hun, ik weet niet hoe, ten ooren was gekomen, hadden zij hem reeds verbroken, en waren bezig de stukken in de gracht te werpen, toen ik er juist op aankwam; den ijzeren ring, die er in was, heb ik nog gered: ik zal hem tot een aandenken bewaren.”

„Het zal u nog wel heugen, dat ik eens mijn verlangen te kennen gegeven heb, om den steen te laten oplichten. Hieraan is nu onverhoeds voldaan; en hetgeen mijn volk er onder heeft gevonden, heb ik zorgvuldig bijeenverzameld, en zal ik u bij gelegenheid laten bezichtigen, zoodra mij zelven het geluk mag te beurt vallen u te zien.”

„Aan ne zijde doet hij mij genoegen, dat de strafplaats verbroken is; doch, helaas! gij weet het, het ontbreekt den mensch nooit aan eene plaats om zijne wreedheid of gerechtigheid uit te oefenen. Nog nooit heeft men iemand in het leven ziet blijven uit gebrek aan een schavot; en aan dezelfde galg, die voorheen de overblijfselen der dappere verdedigers van Loevestein torste, hangen nu weder eenige lijken van te Gorcum met de wapenen van in de vuist gesneuvelde soldaten: Heden mijn, morgen dijn

„Doch al genoeg, ja al te veel van deze akeligheden, in deze ongelukkige tijden zoo menigvuldig, en welke wij ons, zoowel als alle gevaren, getroosten, indien maar eens onze kinderen oogsten hetgeen wij nu zaaien, en de vrijheid verwerven, voor welke wij nu strijden. O, ja, Anna! Indien het noodlot het wilde, dat wij van elkander werden afgerukt,dat ook mijn bloed voor het vaderland moest vloeien, zoo zou mijn zoon door Gods hulp eenmaal toch de welvaart en het geluk beleven, die zijn vader ten kost van zijn bloed had helpen veroveren en bevestigen. Druk hem voor mij aan uw hart: hoezeer verlang ik naar het oogenblik, waarin mij mij met den zoeten naam van vader begroeten zal!”

„Vaarwel, aangebeden vrouw! vaarwel, Anna! Gij  kunt den brenger dezes gerust vertrouwen, en van hem hoop ik bericht van uw beider welzijn en een paar regels van uwe hand te ontvangen. Bij de eerste gelegenheid snel ik naar u toe; zorg toch intusschen, wat ik u bidden mag, dat uwe betrekking tot mij niet door de eene of andere onvoorzichtigheid van u of  van Meijer ontdekt worde; bedenk, dat er het leven van uw zoon van afhangt, en dat van u beiden, aan het mijne verbonden is. Houd u verborgen, mijne Anna! en geloof mij steeds te zijn

Uw liefhebbende echtvriend
K. VAN DOORN.
Kapitein van het schip de
Doorn vr Loevestein.”

Den 27sten der maand Juni,
anno 1572, 7 uur des avonds.

908SR15.gif (1832 bytes)

In 1589 had de graaf van Mansfeld zich om Heusden gelegerd, en zocht deze stad in zijn geweld te krijgen. De staatsche troepen niet bestand tegen de zijne, wat het aantal aangaat, waren genoodzaakt de Spanjaarden den Bommelerwaard over te laten; het huis te Heel, door 7000 man, zoo Spanjaarden, Walen als Duitschers belegerd, was op het punt om zich aan den Graaf te moeten overgeven; ja overal plunderende en brandende, zwierven zij van het eene dorp naar het andere, en maakten zich gereed om de Waal over te trekken, en zich in den Tielerwaard te werpen. Prins Maurits Van Oranje, onderricht zijnde, dat zij het oog hadden op Loevestein, binnen welke vesting men reeds eenige verstandhouding met den vijand had moeten straffen, had dadelijk last gegeven om de ruiters van Marcelis Bax terstond derwaarts te zenden, met order om het slot te bewaren.

908SR15.gif (1832 bytes)

NaschriftInhoudopgave OltmansDrie vaandels

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)