J. F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN – DEEL I

EERSTE HOOFDSTUK

101.gif (17821 bytes)H.gif (3137 bytes)et was op der avonden van de maand Augustus des jaars 1570, dat een jonkman, op een fraai, zwart paard gezeten, stapvoets door Heusden reed.

De geheele dag was zeer warm geweest, en de koele avondlucht lokte de bewooners van dat aangename stadje buiten hunne woningen.

Velen van het groetten den voorbijrijdende vriendelijk; hetgeen ook door dezen telkens werd beantwoord, hetzij door zijnen vrienden een goeden avond toe te wenschen, of het met zijn hoed groeten. De meisjes vooral knikten hem vriendelijk toe; zij zagen den schoonen ruiter nog lang achterna, en menigeen wenschte heimelijk de gelukkige te zijn, aan wie de door elkeen geachte Van Doorn zijne hand zou aanbieden.

Zijn moedig ros bracht hem weldra aan de Oud-Heuschdensche poort, en stampte snuivende, toen hij zijn berijder over de valbruggen heendroeg. Zoodra was echter der ruiter de stad niet uit, of hij dreef zijn paard een weinig meer aan.

Zijn mantel, welke in sierlijke plooien langs zijne schouders afhing, maakte dat er van zijne overige kleeding weinig zichtbaar was; doch hetgeen men er van kon bemerken, kenschetste den welgegoeden burger of edelman. De scheede van een langen degen stak onder zijn mantel uit; de holsters bevatt’en pistolen, hetgeen in die dagen van burgeroorlogen niet vreemd was; een groote, vilten hoed rustte bevallig op zijn schoon, zwart haar, dat op zijne schouders nederhing, en twee gitzwarte knevels gaven aan zijn edel gelaat een krijgshaftig voorkomen.

Karel Van Doorn, aldus was hij geheeten, was van goede afkomst en onafhankelijk; zijne ouders waren hem reeds in zijne jeugd ontrukt. Aldus alleen, en meester van een groot vermogen zijnde, had hij geene gelegenheid laten voorbijgaan om al de genoegens des levens te genieten, en had hij, niettegenstaande hij jong was, vooral dien tijd, veel gezien.

Zijn oponthoud in de verblijfplaats der Gouvernante waar hij, zoowel als te Parijs, eenigen tijd had doorgebracht, had hem in de gelegenheid gesteld zijne opvoeding te volmaken, zijn geeste te beschaven, en onderricht te ontvangen in die wetenschappen van smaak, met welke een edelman vooral bekend hoort te zijn. Zijn verblijf in de nabijheid van het hof had hem echter niet ongevoelig gemaakt voor de onheilen, welke zijn land bedreigden; neen, hij gevoelde zelf de zwaarte van het juk, dat op de Nederlanden drukte; doch niet in de gelegenheid zijnde voor zijn vaderland nuttig te zijn, en onbekend met mannen, die hem in deze zaak konden voorlichten, had hij zich tot nog toe niet met staatszaken bemoeid, of getracht zich bij de partij te voegen, die den Spanjaarden den voet zocht te lichten.

Te meer nog werd hij in deze zijne werkeloosheid versterkt, daar hij sedert eenigen tijd een hevige liefde opgevat had voor een Spaansch meisje, jonkvrouw Anna de Manilla, die bij haren voogd, den kastelein van het slot Loevestein, woonde. De liefde, welke Anna voor hem gevoelde, gevoegd bij het goede onthaal, hetwelk haar voogd, Antonio d’Avilar, hem bewees, deed hem niets anders denken dan het leven te genieten, en zijn hof bij de schoone juffrouw te maken. Ja, de belofte van d’Avilar, om hem, door voorspraak bij den Hertog van Alva, voordeelig bij de Spaansche ruiterij te plaatsen, had hem dikwijls in verzoeking gebracht, in weerwil van den afkeer, welken hij voor den Hertog gevoelde, om bij de Spanjaarden in dienst te treden.

Het eenige dat hem echter niet beviel, waren de menigvuldige bezoeken op Loevestein van Lorenzo Perea, een vriend des slotvoogds, die door dezen met veel onderscheiding werd behandeld, en ook Anna’s gunst scheen te willen verwerven. Het was dus niet te verwonderen, dat de trotsche Spanjaard iedere gelegenheid te baat nam om Van Doorn zijn haat te doen gevoelen; hetwelk deze, door Anna’s genegenheid gerustgesteld, met een diepe verachting beantwoordde.

Reeds dikwijls had Van Doorn aan d’Avilar om hare hand verzocht, en hem gebeden een tijd tot het voltrekken van zijn huwelijk te bepalen; docht telkens had deze dit onder een of ander voorwendsel van de hand gewezen, ja hem zelfs eens op een zeer onvriendelijken toon verzocht hem met zulke vragen en verzoeken vooreerst niet meer lastig te vallen. Een en ander schreef Van Doorn aan zijn droefgeestig en oploopend gestel en aan geldgebrek toe. Dit laatste was hem bekend, dewijl d’Avilar hem dikwijls geld te leen had gevraagd, en hem zelfs nu nog een aanzienlijke som schuldig was; hetgeen nietmand verwonderen zal, als men in het oog houdt, dat de Italiaan, evenals velen zijner landgenooten, zich met Alchemie bezighield.

Zoo stonden de zaken, toen Van Doorn, omtrent een maand geleden, op een reis, welke hij naar Utrecht deed, alwaar een verre bloedverwant van hem woonde, een man had leeren kennen, die hem de grootste belangstelling had ingeboezemd, en een belangrijke verandering in zijne wijze van denken had teweeggebracht. Deze man behoorde, zoo het scheen, tot den geringen burgerstand; doch zijn edele manier van denken verhief hem verre daarboven. Hij noemde zich Herman Van den Bosch; ofschoon hij naderhand zelf bekende, dat dit zijne ware naam niet was, en hij gaf voor, dat hij voor zijn beroep reisde. Hij was groot van gestalte, zijn haar en baard begonnen reeds eenigzins grijs te worden; zijne grauwe oogen schitterden van vuur, en geheel zijn voorkomen en zijne wijze van handelen verrieden een groote stoutheid, welke zelfs naar het woeste zweemde, als hij over zijne vijanden sprak.

Zoodra hij Van Doorn’s naam gehoord had, was hij vertrouwelijker met hem gaan spreken, en had zich laten verleiden, dat hij diens vader zeer goed gekend had. Terwijl zij beiden te paard reden, en dus ongestoord over de tijdsomstandigheden konden spreken, liet hij geene gelegenheid voorbijgaan, om Van Doorn tegen de Spanjaarden voorin te nemen. Hij verhaalde hem zoo menigen trek van hunne wreedheid, en scheen zoo bekend te zijn met al wat hen betrof, dat Van Doorn doo zijn levendig verhaal getroffen werd. Toen Van den Bosch dit zag, herinnerde hij hem van het voornemen van Oranje, om het land te redden, en zeide hem, zelf tot die mannen te behooren, welke besloten hadden de schennis der oude voorrechten niet langer te dulden. Met edele vaderlandsliefde verdedigde bij den opstand tegen den Koning, en alle tegenwerping, welke Van Doorn tegen zijne redenen bijbracht, werden door hem spoedig wederlegd of geheel omvergeworpen. Ten laatste stelde hij Van Doorn de schandelijkheid zijner werkeloosheid voor oogen, terwijl zooveele jongelingen het zwaard reeds aangegord hadden; hij hield hem voor, dat zijn nu zalige vader z niet zou gehandeld hebben, dat die zeker van boven met een oog van verontwaardiging op hem nederzag en hem verweet een Nederlander te zijn, dien het gemak en de schande verkoos boven den roem van zijn vaderland te redden.

De woorden van Van den Bosch waren niet zonder vrucht. Van Doorn, beschaamd over zijn gedrag, herinnerde zich de geweldenarijen, in het afgeloopen jaar door de Spanjaarden in zijne geboortestad bedreven, en daar hij slechts naar het oogenblik gewacht had, dat de gelegenheid om tot hulp zijner landgenooten toe te snellen zich zou opdoen, riep hij, door een edel vuur gedreven, uit:

„Herman! gij dwaalt; stel mij slechts in de gelegenheid om mijn arm te gebruiken; van dit oogenblik af ben ik geheel de uwe. Vrijheid op de dood!”

Van den Bosch, voldaan over Van Doorn’s ijver, gaf zijne vreugde over dit voornemen te kennen, en beloofde hem spoedig in de gelegenheid te stellen om zich met de eedgenooten te verbinden, door hem aan iemand voor te stellen, die door den prins met het aanwerven van volk belast was.

De aanbieding zijner diensten moest in dezen nacht geschieden en dit was de oorzaak, dat Van Doorn tegen den avond uit Heusden gereden was.

908SR15.gif (1832 bytes)

titelbladInhoudopgave Oltmans2e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)