J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 2

Ontmoeting met een onbekende

V.gif (3505 bytes)an Doorn was door Oud-Heusden gereden, en had dit dorp reeds een eind weegs achter zich gelaten, toen hem een man te paard, in een mantel gedoken, spoorslags voorbijreed, en het midden van den weg voor hem vrijlatende, hem bij zijn naam noemde.

De duisternis, die reeds begon te vallen, belette Van Doorn te zien wie het was. Zijne stem kwam hem echter bekend voor; doch vergeefs trachtende te gissen, wie het zijn kon vervolgde hij bedaard zijn weg.

Nadat hij nog een groot vierendeel uurs gereden had, zag hij de torenspits der kapel van Elshout tusschen het geboomte uitsteken. Hij naderde dus de plaats van zijne bestemming; want even buiten dit dorp had Van den Bosch beloofd hem te wachten. Zijne pistolen één voor één te voorschijn halende, bracht hij de radersloten in orde, en stak ze toen weder los in de holsters, om er, zoo het noodig ware, dadelijk gebruik van te kunnen maken; want ofschoon hij Van den Bosch voor iemand aanzag, die het goed met hem voor had en alle vertrouwen verdiende, zoo was hetm nog niet gebleken, of deze waarlijk een Geus, dan wel tot de geuzenvangers behoorde, welke onder den naam van Zevenstuiver-lieden bekend waren, en hunne landgenooten in handen van den Hertog overleverden.

Weldra bereikte hij Elshout en reed acht om het dorp heen. Hier en daar brandde licht in de woningen; doch niemand vertoonde zich meer op straat. Met zijn paard achter de kapel stappende, kwam hij weder op den weg naar Nieuwkuik, en bevond zich, door het geboomte heenkomende, in het open veld, dat aan de Keulsche heide grenst.

Bezijden dezen weg bevonden zich drie eikenboomen, die hunne kruinen hoog in de lucht verhieven; een weinig klein kreupelhout omringde den heuvel, waarop de boomen stonden en deze plaats dadelijk herkennende voor die, waar Van den Heuvel hem bescheiden had, steeg hij af.

Een menschelijk gedaante, die zich tusschen het geboomte bewoog, deed hem veronderstellen, dat Van den Bosch reeds was aangekomen, en nu zijn paard bij den teugel nemende, beklom hij de hoogte.

Doch hetgeen hij voor Van den Bosch gehouden had, was het lichaam van een mensch, die aan een der boomen was opgehangen, hetwelk door hun heer en weder wiegelen bewogen werd. Hij deinsde, verschrikt over dit gezicht, terug, en zag naar alle kanten rond; maar de man die hij hier dacht te vinden, was er nog niet.

Hij bond dus zijn paard aan een boom, en zijn mantel om zich heenslaande, stapte hij, al fluitende, op den top des heuvels heen en weder, terwijl de beeltenis van haar die zijn hart beheerschte, zich nu en dan, als in een wolk gehuld, met een droefgeestig gelaat aan hem vertoonde, en met den vinger scheen te wenken om haar te volgen.

Het duurde echter niet lang, of een geritsel in de struiken verried hem de aankomst van een levend wezen, en stoorde hem in zijne overdenkingen.

Van Doorn bracht zijne hand aan het gevest van zijn degen en bleef bij zijn paard staan, zich tot een dappere tegenweer bereidende, in hij aangevallen werd,. Het gezicht van den gehangene had hem niet zeer rustig gestemd; de geheimzinnige handelingen van Van den Bosch, dien hij de vorige week, als een Huiberger monnik gekleed, gezien had, terwijl hij hem den volgenden dag in de wapenrusting van een Spaanschen speerruiter had bezocht, hielden hem in een sterke spanning; doch hij rekende op de vlugheid van zijn paard en zag opmerkzaam naar de plaats, vanwaar het gedruisch kwam.

De stem van Van den Bosch die hem een „goeden avond!” toe riep, en onverzeld uit het kreupelbosch trad, stelde hem gerust, en naar dezen toetredende, gaf hem de hand.

„Gij zijt er op uw tijd, jonkman!” sprak hem aan, „en het verstrekt mij tot genoegen, u hier zoo vroolijk, al is het ook in een slecht gezelscha[ aan te treffen.” Dit zeggende, wees hij op den gehangene. „Het minnelied,” vervolgde hij, „dat gij daar zoo even bezig waart te fluiten, is u door eene of andere Spaansche jonkvrouw geleerd, wier kleine voeten en zwarte oogen ik u aanraad ook als vijanden te beschouwen. Maar ik zie, ge hebt een paard bij u.”

„Niet wetende, of wij ver of in de nabijheid van de plaats onzer bestemming zouden zijn, heb ik de voorzorg genomen, mijn getrouw dier mede te nemen,” antwoordde Van Doorn beschaamd over zijn wantrouwen.

„Het kan ook geen kwaad,” hervatte Van den Bosch; „doch laat ons gaan. Ik geloof, dat deze lummel daar aan den boom reeds begint te rieken; ook nadert het uur, waarin men u verwacht; zet u dus in het zadel, en stap zacht voort, zoodat ik u volgen kan.”

Zij klommen nu den heuvel weder af, en vervolgens hun weg dwars door het land, hunne richting naar de Maas nemende. Van den Bosch verhaald Van Doorn, wie de ongelukkige was, dien zij zoo even ter prooi der vogels hadden achtergelaten, en deelde mede, hoe het hem door list gelukt was, in den vroegen morgen van dienzelfden dag aan zijne vijanden te ontsnappen, welke gedacht hadden hem bij Keizersbosch gevangen te nemen. Een groot vierendeels uurs hadden zij dus doorgestapt, terwijl hun weg nu eens door velden boekweit of haver, en dan weder langs kleine hakboschjes heenvoerde, toen zij aan hun linkerzij een klok hoorde slaan. Op de vraag van Van Doorn, welke kerkklok het was, antwoordde Van den Bosch, dat het die van Herpt, hetgeen Van Doorn in zijn gevoelen bevestigde, dat zij naar de rivier gingen.

Zijn wegwijzer gaf echter weldra aan hun tocht een andere wending, en sloeg rechts af een weg in, die hen eindelijk, langs een smal drassig pad aan een oude vervallen boerderij bracht, die aan den zoom van het water, waar de Hediksche Maas invalt, gelegen was.

Zoodra Van den Bosch aan het hek klopte, hetwelk de werf van den weg afscheidde, kwam er iemand aan de binnenzijde haar hen toe, en scheen hwt woord te bragen, alvorens open te doen. Van den Bosch riep hem zacht toe „Groenendaal en Goede Hoop,” waarop het hek geopend en weder achter hen dicht gedaan werd.

Van Doorn steeg nu af op een wenk van zijn geleider, en gaf den teugel van zijn paard aan hem, die hen ingelaten had, over, echter de voorzorg nemende om zijne pistolen bij zich te houden. In plaats van het huis binnen te treden, zooals Van Doorn gedacht had, gingen zij er om heen naar het water; en vergeefs trachtte hij te raden, waartoe dit dienen moest.

Zoodraf hij, die het paard had aangenomen, het op stal had gebracht, kwam hij terug, voegde zij bij hen, en maakte met zijn mond een geluid, als dat van een wilde eend, hetwelk uit het water werd beantwoord, en een oogenblik daarna kwam een schuitje aanvaren en aan den kant liggen.

Zij stapten er beiden in; hun geleider achterlatende, staken zij van wal, en hadden slechts een klein eind voortgeroeid, of Van den Bosch vatte Van Doorn bij den arm, en zijne hand over het water uitstrekkende, zeide hij: „Daar moeten wij wezen!” Van Doorn zag nu een stuk rietland, waarop een vervallen schuur stond; een kleine kaag lag aan den wal, en voor het overige was alles stil, zoodat niets de tegenwoordigheid van menschen verried.

Aan land gekomen zijnde, tikte Van den Bosch driemaal aan de deur der schuur; hij was verplicht om weder het woord te geven, waarna de deur geopend werd. – Een groote Deensche hond, di zijn kop al knorrende naar buiten stak, kwam hen te gemoet; doch Van den Bosch herkende, sprong hij vroolijk tegen hem op, en liet slechts de tanden aan Van Door zien, die hem vreemd was. Aldus traden zijn binnen.


1e hoofdstukInhoudopgave Oltmans3e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001