J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 3

Bijeenkomst van Geuzen

D.gif (3307 bytes)e schuur, die uit n vertrek bestond, werd flauw verlicht door een zware, koperen lamp met drie bekken, welke met koorden aan den zolder hing, doch in langen tijd niet door de hand eener „de zindelijkheid beminnende” Hollandsche vrouw scheen geschuurd te zijn. De kleine vensters of openingen die zich bevonden, waren met lappen zeildoek of oude kleedingstukken dicht gehangen, opdat het licht niet naar buiten zou doordringen; en in den hoek der schuur stonden verscheiden musketten, haakbussen, halve pieken en ander geweer.

Een tiental lieden, naar hunne kleeding te oordeelen, van allerlei rang, zaten op houten banken om een oude tafel, die onder den last en kannen gebogen, heen en weder schudde, en dreigde in te storten, als een hunner er te sterk op leunde. Zij waren bezig met praten en drinken, maar spraken echter zacht; waarschijnlijk om twee andere mannen niet te hinderen, die in een hoek der schuur, aan een andere tafel zaten. De eene was bezig met te schrijven, hetgeen de andere hem voorzeide; de laatste was een man van een edel voorkomen; zijne fluweelen wambuis was met zilveren knoopen bezet, en zijn geplooide, stijve, Spaansche kraag rustte op een blinkende, stalen ringkraag. Zijn haar, dat hij zeer kort droeg, was achterwaarts opgestreken, en liet zijn voorhoofd geheel onbedekt; zijne oogen waren bruin, en boven het rechter was een litteeken van een wond zichtbaar; zijn baard, die niet zwaar was, en zijne knevels waren zwart. Geheel zijn voorkomen duidde aan, dat hij gewoon was te bevelen, en de geuzenpenning, welke aan een blauw lint op zijn borst hing, verried, dat hij een dier helden was, die voorgenomen hadden hun land te bevrijden. Een lange degen stak achter zijn stoel uit, en met zijne handen speelde hij, terwijl hij sprak, met twee fraaie bewerkte pistolen, welke, benevens een groote menigte papieren, vr hem lagen. Een dikke kaars op een ijzeren kandelaar verspreidde in dit gedeelte der schuur meer licht.

De mannen, die om de tafel zaten, beantwoordden den groet der binnenkomenden, en zetten toe het gesprek weder voort, terwijl hij die hen had binnengelaten, weder ging zitten.

Van den Bosch zijn hoofd ontblootende, trad nu naar de twee personen, die aan het tafeltje zaten. Het schrijven was juist gedaan, en de man, die wij zoo straks beschreven stond op, en Van den Bosch de hand gevende, zeide hij: „Wees welkom, Herman! wij hadden u reeds eerder hier verwacht, en waren beducht, dat u iets kwaad bejegend was.”

„Het is buiten mijne schuld, Hopman!” hernam deze, „de weg, dien ik af te leggen had, verhinderde mij, eerder hier te zijn; ook heb ik moeite genoeg gehad, om aan de handen van mijner vervolgers te ontsnappen; gelukkig voor mij, dat ik hen in de Peel heb kunnen achterlaten. Ziehier de brieven van den Prins.” Dit zeggende, haalde hij een pakje papieren uit een zak in zijn overkleed verborgen, terwijl hij de kolf van een zinkroer, of het gevest van een lange dagge weder met zijn wambuis bedekte. „De Jonker Van Doorn, van wien ik u gesproken heb,” vervolgde hij, „is hier; ik heb hem met uw verlof medegebracht.”

Van Doorn trad nu een weinig nader, boog zich, en zeide: „Mijnheer! ofschoon ik het geluk niet heb u te kennen, of de eer bij u bekend te zijn, neem ik deze gelegenheid waar, om mijn arm, een zwakke hulp voorwaar! het vaderland en den Prins aan te bieden, en ik dank u, dat gij mij waardig gekeurd hebt om onder de verdedigers des vaderlands te worden toegelaten.”

„Mijnheer Van Doorn!” sprak de andere, terwijl hij zijne buiging beantwoordde, „ik begrijp nu, dat uw vriend Herman, die ook mijn vriend is, u niet gezegd heeft, wie ik ben; ik zal dus zelf het genoegen hebben, u dit bekend te maken. Ik moet u echter vooraf zeggen, dat ik verlangd heb u te zien en te leeren kennen.”

Hier hield hij op, en nadat hij Van Doorn opmerkzaam beschouwd had, knikte hij, over diens gestalte en houding voldaan, Van den Bosch vriendelijk toe, terwijl hij vervolgde: „Herman heeft mij niet te veel van u gezegd; gij schijnt mij een wakkere borst te zijn, en uwe nederigheid alleen doet u zelven zoo weinig waardeeren”

„De Prins van Oranje,” dus voer hij voort, „Stedehoude des Konings van Spanje, onzen Heer, heeft mij, Nicolaas Ruykhaver, belast met de oprichting en bijeenbrenging van een partij moedige vaderlanders, en mij bevolen met deze den Spanjaarden op zee afbreuk te doen. Hij wanhoopt nog niet den Koning te bewegen om het wreede monster, hetwelk de schoone Nederlanden verwoest, terug te roepen, en hem over te halen, zelf herwaarts te komen en de vrijheid van godsdienst toetestaan. Het is echter noodig, dat men zich wapene. Alleen door een geduchte houding aan te nemen, kunnen wij deze toegevendheid van het Spaansche hof verwachten, en hunne vrees zal ons toestaan, hetgeen hunne onredelijkheid ons weigert; het is daarom zaak en plicht voor ieder rechtschapen burger zich bij ons te voegen. Doch ik behoef u niets meer te zeggen: de dood van de dapperen Egmond, van den braven Hoorne, het lot dat mijne vrienden, de Batenburgers, met zoo veelen, het puik van ’s Lands edelen, en duizenden vrome burgers getroffen heeft, is u zeker maar al te wel bekend.”

„De Koning, ofschoon hij dit alles heeft goedgekeurd, is door Gods bestuur onze Heer; alleen in den uitersten nood, en als alle middelen tevergeefs zullen beproefd zijn, zullen wij ons aan het gezag van den koning van Spanje, onzen wettigen meester, onttrekken. Onthoud dit wel! Gij hebt nu de reden en het doel van onze verbintenis verstaan; ik vraag u dus eerst af, Mijnheer! of gij nu nog verkiest ons na te volgen?”

„Dit is mijn grootste verlangen,” antwoordde Van Doorn, die zijn hoed en zijne vuurwapenen op een driestal had nedergelegd, waarna Ruykhaver op een deftigen toon vervolgde: „Gij zweert dus met ziel en lichaam, en zooveel immer mogelijk zijn zal, het Vaderland te dienen? Gij besluit goed en bloed voor het welzijn uwer medeburgers op te offeren, steeds de bevelen van Oranje na te komen, en uwen opperhoofden te gehoorzamen; gij zweert zulks, niet waar?”

Van Doorn, door Ruykhavers woorden getroffen, sloeg nu de hand aan het gevest van zijn degen, en riep vol geestdrift uit: „Ik zweer dit op mijn woord van eer, en ik beloof, gehoorzaamheid aan den Prins en het wettig bestuur des Lands? Zoo waarlijk zijn mij God en de Heilige Maagd genadig?”

„Gij zijt dus nog katholiek,” zeide Ruykhaver, terwijl hij hem de hand toereikte, en hem verwonderd aanzag. „Dat benik,” hernam de andere, eenigzins geraakt, „het geloof mijns vaders is ook mijn geloof. Egmond is Roomsch gestorven; de Prins zelf was het nog, toen het het land verliet; beiden beijverden zich toch voor ’s Lands welvaart en behoud; ik weet niet dat men een ketter moet zijn om zijn land te kunnen dienen.”

„Het is niets,” antwoordde Ruykhaver bedaard, „het was slechts een vraag; het doet ook niets ter zaak; Roomsch of Onroomsch, wij zijn nu n, en bevechten denzelfden vijand.” Dit zeggende, nam het den geuzenpenning, dien hij droeg, en hem Van Doorn om den hals hangende, vervolgde hij: „Jonkman! met dit herkenningsteeken wijd ik u tot bondgenoot onder ons in. Bewaar dezen penning als een gering blijk van mijn toegenegenheid. Intusschen moet ik u nog zeggen, dat uwe verbintenis met ons niet alleen aan ons, maar ook aan onze vijanden moet bekend zijn. Wij hebben allen het zwaard getrokken en de scheede weggeworpen; het terugtreden moet voor elk onmogelijk zijn; niets moet ons overblijven dan de dood of de overwinning; tusschen deze twee uitersten kan geen midden zijn. Het is daarom, dat u een week tijds gelaten wordt om uwe zaken te regelen, uwe goederen te verkoopen, en uwe gereede penningen in veiligheid te brengen. Dan wordt gij openlijk bekend gemaakt als onze bondgenoot; de grootheid van het getal en de naam van mannen van eer, als gij zijt, kunnen ons alleen nieuwe vrienden verschaffen. Uwe goederen zullen door den Bloedraad in beslag genomen, uw persoon zal vogelvrij verklaard worden, gij zult worden ingedaagd; maar gij lacht daarmede, gij zijt voor ons, en……” (hier verhief hij zijne stem) „wij zijn allen voor u, en door Gods hulp en ons goed recht zullen wij de sterktste zijn. Voor het overige heb ik u niets meer te zeggen. Ga nu bij uwe vrienden daar ginds aan de tafel, en maak kennis met hen; ik moet een paar woorden met Herman spreken, daarna zal ik u aan uwe bondgenooten voorstellen.” Dit zeggende, wees hij hem met de hand naar de tafel, waar Van Doorn spoedig een paar edellieden herkende, die hij eenige malen in Brussel gezien had. Zij stelden hem aan zijne lotgenooten voor, en hij werd door hen vriendschappelijk ontvangen,

Ruykhaver onderhield zich intusschen met Van den Bosch over onderscheiden gewichtige zaken, waarna hij aan den schrijver nog en paar brieven voorzeide, en die met zijn ring verzegelde.

908SR15.gif (1832 bytes)

2e hoofdstukInhoudopgave Oltmans4e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)