J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 5

De kerktoren van Woudrichem105b.gif (5609 bytes)

I.gif (3249 bytes)n den vroegen morgen van den volgenden dag kwam Van Doorn te Woudrichem aan. Toen hij langs de kerk reed, welke toren toen nog niet van zijne spits beroofd was, vestigde hij een blik op de wijzerplaat, en trachtte te ontdekken, hoe laat het was, hetgeen de duisternis, die hem zelfs belette de afbeeldingen der oude graven te onderscheiden, vrij moeilijk maakte, en hij vervolgde zijn weg naar het veer stapvoets, terwijl paard en ruiter van hun tocht vermoeid schenen te zijn. Niet tegenstaande het nog bijna duister was, waren de veerlieden reeds overgekomen, en de schuiten, welke tot de overvaart gebruikt werden, waren reeds losgemaakt van den ketting, die ze des nachts, wanneer het overzetten verboden was, aan het veer gebonden hield.

Van Doorn, zijn vermoeid paard niet te Woudrichem in vreemde handen willende achterlaten, besloot zich de moeite getroosten het mede te nemen, en riep, terwijl hij bij het veerhuisje afsteeg: „Een hengst naar Loevestein voor mij en mijn paard!”

„Ik zal dadelijk aan uw verlangen voldoen, mijn meester!” zeide de veerman, uit zijn huisje tredende, terwijl hij beleefd de muts afnam. Den jongeling vervolgens opmerkzaam beschouwende, ging hij op een vragende toon voort: „Gij schijnt reeds een langen rit gemaakt te hebben, en indien het u niet onbescheiden voorkwam, zou ik u wel willen vragen, vanwaar gij komt;” doch Van Doorn zich met die praatjes niet willende ophouden gaf gemelijk ten antwoord: „Bemoei u met uwe eigen zaken, mijn vriend! indien gij in uw beroep elkeen wilt uithooren, geloof ik, dat uwe ooren vroeg of laat gevaar loopen, om uw hoofd te verlaten. Ik verlang dadelijk aan het slot te worden gebracht,” en om alle verdere vragen te voorkomen, zag hij kwanswijs naar het gebit van zijn paard.

Doch de veerman gaf het niet op, maar hernam, nadat hij Van Doorn nog een oogenblik oplettend had gadegeslagen, op een spottende toon: „God beware mij, mijn meester! de nieuwsgierigheid is een groot kwaad, waavan men Thijs de veerman, nog nooit heeft verdacht gehouden; doch wanneer men een jong, knap cavalier, zooals gij zijt, moet overvaren, weet men gaarne vanwaar hij komt, en wien men de eer heeft in zijn vaartuig te hebben; maar indien gij er een geheim van maakt, is het den ouden Thijs ook wel. De heer Van Doorn uit Heusden is mij wel bekend, zoowel als de schoone oogen, die hem naar Loevestein trekken; en het zal mogelijk goed, zijn ,dat gij verwittigd wordt, dat uw vriend, de Spaansche sinjeur, u een vlieg heeft afgevangen; want ik heb hem een half uur geleden, naar het slot gebracht. Het eenige, dat Thijs, aan uwe Edelheid nog zeggen wil, is, dat, zoo gij niet gaarne ondervraagd wordt, gij beter deedt, een penninkje, dat uit uw wambuis hangt, er wat dieper in te steken, en daardoor uw hoofd te bewaren, dat anders waarachtig meer gevaar zou loopen dan mijne ooren.” Dit zeggende, wees hij naar Van Doorn’s borst, en verwijderde zich snel.

Twee mannen, die dit oogenblik het veerhuisje naderden, wierpen met dobbelsteenen in een vierkanten, houten bak, die naast de deur van het huisje was, en zoodra het lot op deze wijze den schipper had aangewezen, die met Thijs den hengst gesturen zou, haastte deze zich den ouden veerman te gaan helpen om het vaartuig in gereedheid te brengen.

Van Doorn, over de vrijpostigheid van den veerman verwonderd, maakte echter van zijn raad gebruik, en stak het geuzenpenninkje, dat door het rijden uit zijn wambuis was te voorschijn gekomen, weder naar binnen.

„Indien gij klaar zijt, zullen wij afvaren, mijnheer!” zeide de schippersgast, het paard bij den teugel nemende, en het in het vaartuig geleidende, terwijl Van Doorn, in gedachten verzonken, zonder iets te antwoorden, zijn paard volgde, en bij den ouden Thuis, die aan het roer stond, zitten ging. Nu maakte de schipper het zeil los, en stiet het vaartuig van land af, dat, zoodra de wind het zeil deed zwellen, zich zacht, maar statig van den oever verwijderde, en een fraaien boog beschrijvende, de Merwe doorkliefde.

De regen, dit tot nog toe onafgebroken gevallen was, hield nu op; de donkere wolken verdeelden zich hoe langer hoe meer, en alles beloofde een schoonen dag.

Te Gorichem en Woudrichem was alles nog stil, en beide steden waren nog als in den slaap gedompeld, tewijl de natuur van alle kanten begon te ontwaken. De opkomende zon verspreidde nu een goudachttigen gloed over de rivier, en deed de glasvensters in de steden gelijk edelgesteenten glinsteren, terwijl de sombere kleur der huizen, waarin zij geplaatst waren, evenals een donker omzetsel om een juweel, dien glans nog verhoogde.

Een gezang, dat Van Doorn nu flauw in de ooren klonk, deed hem omzien, en om niet geheel, als het ware met den mond vol tanden te staan, vroeg hij aan den veerman, terwijl hij met de hand naar Gorichem wees: „Met welk werk houden die lieden, dáár aan den Galgenwaard, zich bezig?”

„Gij schijnt dus ook nieuwsgierig te zijn, jongehaar!” zeide de oude man lachende.

„Dat ben ik ook, vriend!” hernam Van Doorn. „Ik dank u intusschen voor den goeden raad dien gij mij zoo even gegeven hebt, en ben nu bereid, u te zeggen vanwaar ik kom; ik houd u voor een braaf man, die een vriend zijns lands niet verraden zal.”

„Daarvoor beware mij God, jonkman!” hernam de oude, „doch behoud uw geheim; mogelijk dat ik het ook reeds weet. Wij veerlieden zien veel, weten gaarne alles wat er omgaat, maar kunne ook alles zwijgen. Reeds zoo menigeen uwer vrienden heb ik overgezet en met hen gesproken; maar niemand heeft het nog nooit berouwd den ouden Thijs zijn vertrouwen te hebben geschonken. Wat het werk aangaat, dat daar verricht wordt, mijnheer! dat volkje daar is bezig met palen in de Merwe te heien, om de groote Rijnschepen er aan vast te leggen; zij zijn recht vroolijk onder den arbeid, niet waar?”

„Dat zijn zij wel,” antwoordde Van Doorn, „maar hun werk zal, zoo het mij voorkomt, voor niets zijn; want de palen zullen op den duur tegen den stroom, dien de vaartuigen voortstuwt niet bestand zijn.”

„Ei, ei, meester!” hernam de veerman lachende, terwijl hij zijne muts vaster op zijn hoofd drukte, „gij oordeelt niet kwaad; doch in deze zaak hebt gij het mis. Hij, die deze palen uitgevonden heeft, weet er meer van dan gij. Zij heeten Duc d’Alven, mijn vrien! en jonkman!geloof hetgeen ik u zeg, indien de Hertog zoo vast staat als die palen, zullen de heertjes, die de u bekende penninkjes dragen, niet veel uitrichten.”

De schipper, die tot hiertoe vooraan in het vaartuig gestaan had, kwam nu wat meer naar achteren, waardoor Van Doorn belet werd het gesprek verder voort te zetten. Het slot, het doel van zijn tocht, lag nu reeds veel naderbij, en stak, gelijk een zwarte doode steenklomp tegen de heldere lucht af. Daar de zon er achter opging was het aan de vóórzijde nog geheel in het duister gehuld, en vertoonde zich daardoor nog meer in zijn geheel, en grooter. Het slot bestond uit twee zwarte vierkante torens hadden achtkantige kappen, met leien gedekt, waarboven groote, ijzeren weerhanen en hooge schoorsteenpijpen uitstaken; de vensters waren klein en zeer onregelmatig geplaatst, terwijl het geheel gebouw van groote moppen uit het water was opgetrokken. Een vrij lange brug met een wip leidde naar het voorhof, hetwelk insgelijks bemuurd, en met een smalle gracht van de strook lands was afgescheiden, waarop het slot aan het einde van den Bommelerwaard gebouwd was, terwijl een lage, ronde toren aan de rechterzijde de nadering van den voorburg verhinderde. En evenals een kwade en nijdige geest, die, zelf geen deel kunnende hebben aan den glans van het zonnelicht, ook een ander er van zoekt te berooven, zoo ving het slot de zonnestralen op, en wierp een lange donkere schaduw over den stroom, die zich echter scheen te spoeden om aan dezen dwang te ontsnappen, ten einde zich verderop weder te koesteren in den warmen gloed van dat hemel lichaam, of, door zijn glans verfraaid, de steden voorbij te snellen, en langs Hollands vruchtbare streken de zee op te zoeken.

Een oogenblik daarna kwam niet het vaartuig aan het voorland van Loevestein aan. Het paard werd er uitgeleid, terwijl Van Doorn, als het ware een voorgevoel hebbende, dat hij het slot niet als vriend zou verlaten, en als wilde hij zich den aftocht vrijhouden, tot den veerman zeide: „Thijs! ik kom naar alle gedachten spoedig weerom; blijft hier wachten op mijne terugkomst; ik zal het met u en uw maat wel goedmaken.”

„Dat is zeer goed, meester!” antwoordde deze, „wees niet bevreesd, ik wacht hier tot gij terugkomt, tenzij ik gedwongen werd op te varen, en dat wil ik niet hopen.”

Van Doorn wipte in den zadel en reeds het voorplein van Loevestein op. Hij gaf zijn paard en zijn mantel aan Meijer, een knecht van D’Avilar, en trad over de brug, die over de slotgracht lag, en over de binnenplaats het hoofdgebouw binnen. Vernomen hebbende, dat Ánna en haar voogd reeds aan het ontbijt waren, ging hij, daar hij met de huisgenooten goed bekend was, zonder zich te laten aandienen, het vertrek binnen, waar hij Anna hoopte te vinden.

De kamer was groot en voor dien tijd zeer prachtig; vlak tegenover de deur was een groote schoorsteen met marmeren mantel, boven welke een schilderij hing, waarop het slot was afgemaald. Ter wederzijde van de stookplaats waren twee hooge kruiskozijnen, met ruitjes in het lood gezet, terwijl de beelden en krullen, waarmede de glazen boven met ruitjes in het lood gezet, terwijl de beelden en krullen, waarmede de glazen boven in het raam beschilderd waren, het vertrek veel verduisterden. De zijmuren waren elk in twee groote vakken afgebeeld, en prijkten met vier kunstige tapijtwerken, door den vermaarden Leidschen tapijtwerker Willem Andriesz. de Raet vervaardigd, welke even zoveel voorname gebeurtenissen uit de kruistochten naar het Heilige Land voorstelden. Ter wederzijde van de groote eikenhouten, met veel lof- en beeldwerk besneden deur waren insgelijks twee tapijtwerken; het eene stelde Godfried van Boullion, den aanvoerder der kruisvaarders, in volle wapenrusting en meer dan levensgrootte, voor, terwijl Petrus, de kluizenaar, in zijne grove monnikspij gedoken, op het andere was afgebeeld. In hoeken van het vertrek hingen fraaie wapenrustingen, en de prachtige meubelen, welke langs den wand geplaatst waren, zouden getuigen geweest zijn van de gegoedheid des slotvoogds, indien Van Doorn niet maar al te zeker van het tegendeel ware onderricht geweest.

908SR15.gif (1832 bytes)

4e hoofdstukInhoudopgave Oltmans6e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)