J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 6

Slot Loevestein (l.) Woudrichem (r.)

A.gif (3984 bytes)nna de Manilla in den volsten zin des woords een schoon meisje, hield zich juist met het eene of andere vrouwelijk handwerk onledig; doch zoodra zag zij Van Doorn niet, of zij wierp het weg met de uitroep van „Mijn Karel! wees welkom!” en vloog in zijne armen. Hij drukte haar teederlijk aan zijn hart en een vurigen kus op hare purperen lippen; en terwijl zij hare helderblauwe oogen, die door ene fluweelachtigen rand van zwarte oogharen werden overschaduwd, naar hem opsloeg, vroeg zij hem zeer zacht:

„Waar zijt gij zoolang geweest? in geen vier dagen zijt gij eens naar uwe Anna komen omzien!” „Mijne Anna!” hernam Van Doorn, terwijl hij haar nog nauwer aan zich drukte, „ik werd hierin door drukke bezigheden belet; maar geloof mij, ofschoon ik u niet gezien heb, zoo heb ik des te meer aan u gedacht; ja, nu ik bij u ben, bevind ik mij wel eens zoo opgeruimd als anders.” Dit zeggende, wilde hij haar nog eens kussen; maar zij ontwond zich lachende uit zijne armen, en riep verwonderd uit: „Maar waar komt gij vandaan? uw wambuis en het gevest van uw degen zijn nat. O! gijt zijt zeker van nacht herwaarts gereden om mij te zien.”

Van Doorn schikte zijne kleeding wat in orde, veegde zijn degen af, en nam plaats op den stoel, dien Anna voor hem had nedergelegd, en na haar, die hem vragend aanzag, eenige oogenblikken opmerkzaam beschouwd te hebben, antwoordde hij:

„Maar gij, die mij beknort, lieve Anna! zeg mij toch, hoe komt het, dat gij, reeds zoo vroeg, zoo prachtig gekleed zijt, terwijl het u bekend is, dat ik u het liefst in het eenvoudige kleed der Hollandsche dochters zie? Maar,” voer hij op eens driftig voort: „ik zie, gij hebt geweend. Zeg mij, wat is hier voorgevallen? want indien Perea u beleedigd heeft, zal ik of hij, zoo waarlijk helpe mij God! het slot niet levend verlaten!”

Zij schudde zwijgend het hoofd, sloeg hare schoone oogen ten hemel, wenkte hem, om naderbij te schikken, en zeide: „De reden, dat gij mij reeds zoo tijdig gekleed vindt is, dat ik dezen morgen naar Gorkum moet om eenige bezoeken af te leggen. Ach! komn ik op uwe tweede vraag ook zoo volmondig antwoorden! want, ofschoon Perea mij niets onaangenaams, wat mij zelve betreft, gezegd heeft, zoo is er daarentegen voor u niet veel goeds voorgevallen. D’Avilar’s vriend, of laat mij liever zijn meester zeggen, is dezen morgen met het krieken van den dag aangekomen. Zijn verblijf belooft zelden is goeds; maar vandaag vooral was het onheilspellend. Hij heeft u gisteren bij Oud-Heudsen gezien; hij sprak van geheime bijeenkomsten van muitelingen; hij noemde u een der samengezworenen. God weet wat hij er mede bedoelde! Gij zult u toch, hoop ik, niet tegen uw Koning en uw geloof met andere onrustige menschen verbinden, en uw Anna moedwillig bedroeven? Neen,” vervolgde zij hem smeekende met hare schoone oogen aanziende, „neen, Van Doorn! gij zult dat niet doen.”

Van Doorn antwoordde niet, maar zag strak vr zich neder, haalde het geuzenpenninkje te voorschijn, en hield het haar voor.

„Gij bekreunt u dus om mijn liefde niet meer?” vervolgde Anna, „het is dan maar al te waar, gij hebt u onder de boozen begeven; gij hebt mij vergeten! Helaas!”zeide zij, bedroefd de hand aan hare oogen brengende, „indien ik uwe liefde missen moet, blijft mij niets overig dan het koude graf.” Doch toen Van Doorn nog niet antwoordde, vervolgde zij op en gewraakte toon: „Gij hebt uw geloof verzaakt, mijnheer! en hij, die met muitelingen verkeert en hunne schandteeken draagt, zal nooit de hand van De Manilla’s dochter ontvangen. Van dit oogenblik zijt gij mij vreemd”. Dit zeggende, stond zij op, schoof haar stoel weg, en keerde zich met de waardigheid eener beleedigde Spaansche vrouw van hem af.

Doch Van Doorn, die door het eerste gedeelte harer rede getroffen was, trok, bij het uitspreken harer laatste woorden, zijn wenkbrauwen te zamen; een donkere wolk zweefde over zijn gelaat, en met drift van zijn stoel opstaande, zag hij haar met vlammende oogen aan. Maar het schoone gelaat en de fraaie gestalte van het fiere meisje, dat hem nog schooner dan anders voorkwam, beschouwende, hernam hij op een meer bedaarden toon dan men zou verwacht hebben:

„Bij God, Anna! gij dwaalt! Het geloof mijner vaderen is mij even heilig als mijne eer; het zijn geene muiters, die zich tegen het monster vezetten, dat mijn land verdelgen zal. Ja, dewijl gij het weten wilt, in dezen nacht ben ik hun broeder geworden! Dat Alva voor ons beve! Maar gij, Anna! maar gij, die steeds alles, wat groot of edel was, hoogachttet; gij, die in Holland het levenslicht ontvingt, en in wier aderen het Hollandsche bloed, door uwe moeder, vloeit, hoe komt het, dat gij u niet ontziet, mij dus aan te spreken? Of denkt gij mogelijk, dat ik mij door een vrouw zal laten leiden? Neen,” vervolgde hij met verheffing van stem, „neen! dat zal nooit gebeuren! Mijn besluit staat pal, het vaderland bovenal! ziedaar onze spreuk en ook den eerste plicht van een man van eer, en noch uw smeeken, noch uw dreigen zal mij doen terugtreden. Ik gaf u het recht op mijn hart; mijn arm behoorde toen reeds aan het vaderland. – En hard woord nog van u, en wij zien elkander nooit weder”, vervolgde hij op een bitter verwijtende toon. „Verkiest gij mij mogelijk in de handen van uw voogd, den Italiaan, over te leveren, ga vrij uw gang, en werp u dan in de armen van den getrouwen en laaghartigen steunpilaar der dwinglandij. Hier is mijn zwaard!” Dit zeggende, trok hij zijn degen met scheede en al uit den draagband, en wierp dien voor hare voeten.

Alleen de vrees voor Van Doorn’s leven, wanneer hij zich met den opstand tegen den Koning bemoeide, had Anna dus doen spreken; zijne woorden waren even zoovele dolksteken, welke haar teeder hart doorboorden. Hare fierheid zwichtte voor zijn vasten wil, dien hij haar deed kennen, en de liefde kreeg spoedig het overwicht in haar hart. Zij raapte zijn degen op, en hem met langzame schreden en met neergeslagen oogen naderende, zeid zij, terwijl zij den degen weder in zijn draagband stak, en vreesachtig naar hem opzag: „Wie wou waardiger zijn dan gij om dit staal te voeren? gebruik het dr, waar gij denkt het te moeten gebruiken; maar vergeef mij, en ontneem mij uwe liefde niet.” En nu haar schoonen, blanken arm, die bevallig uit de mouw van haar zwart fluweelen kleed te voorschijn kwam, om zijn hals slaande, liet zij haar hoofd op zijne borst vallen, om de tranen, welke aan haar oogen ontvloeiden, te verbergen.

Van Doorn bleef eerst eenige oogenblikken stilstaan; want bij den man, ofschoon hij zich niet geraakt voelt als de vrouw, is de eens ontstoken toorn niet zoo gemakkelijk tot bedaren; doch het berouw van het schoone en teeder beminde meisje, welks bevallige blonde lokken op zijne borst nederhingen, kon hij niet verduren. Een traan van aandoening welde in zijn manlijk oog op, en de schoone boetvaardige aan zijne borst drukkende, riep hij uit: „Alles is vergeven en vergeten, en gij blijft den muiter steeds beminne; niet waar, geliefde Anna?”

„Ja,” antwoordde Anna zacht, terwijl zij, hem vriendelijk toelachende en hare oogen afvegende, ging zitten. „Gij zijt mijn geliefde Karel! Maar zullen die lieden – want uwe vrienden kan ik hen nog niet noemen – u niet vermoorden, of in het verderf storten, als het hun voordeel kan aanbrengen? Ach! gedenk slechts, hoe zij met mijn ongelukkigen vader gehandeld hebben. Indien zij toch zoo edel dachten, als gij voorgeeft, hoe zouden zij dan een weerloozen reiziger, die hun nooit eenig leed had aangedaan, hebben omgebracht?”

„Waarde Anna!” antwoordde Van Doorn, „het geval, waarvan gij spreekt, en dat mij telkens, als ik er aan denk, met afgrijzen en woede vervult, is mij nog zeer duister; wie zegt u toch, dat de geuzen dit feit verricht hebben? En al ware dit zoo, kan men te toomelooze horde van moordenaars en heiligschenners, die beeldstormers genoemd worden, wel vergelijken met die dapperen, tot welke ik behoor?”

Anna wilde juist antwoorden, toen de deur openging, en D’Avilar, gevolgd door Perea, in de kamer trad. Van Doorn stond dadelijk op, en gaf D’Avilar, die hem welkom heette, de hand; doch hij groette Perea slechts koel, welken groet dezen insgelijks flauw beantwoordde.

„Neemt plaats, Signori!” zeide D’Avilar, terwijl hij een paar stoelen bij de tafel liet zetten.

Antonio D’Avilar, kastelein van Loevestein, was bijzonder lang van gestalte, doch zeer mager. Zijn grijs haar stond rechtop, en zijne grijze knevels en zijn baard gaven aan zijn bleek en ingevallen gelaat een doodsch en woest voorkomen. Zijne oogen, waarmede hij meest altijd in het rond zag, sloeg hij neder, als zij die van een ander ontmoetten, en zijne geheele houding verried, dat hij bevreesd was een ander in zijn binnenste te laten lezen. Perea daarentegen, dien men een schoon man noemen kon, was niet groot, maar gezet, zeer netjes, ja zelfs eenigzins prachtig gekleed, en op zijn bruin gelaat was de trotschheid van een Spaansche hoofdman te lezen; zijn volkenoog kenschetste zijn oploopend karakter. Als hij Van Doorn aanblikte, nam zijn gelaat altijd een zekere woestheid aan, en wanneer zijn donkere blik onder zijne dikke wenkbrauwen uit, op Van Doorn viel, kromp Anna’s hart van angst samen, terwijl Van Doorn zelf het niet bemerkte of niet wilde bemerken.

Het kon niet anders, of een vergelijking tusschen deze twee mannen moest tot Van Doorn’s voordeel uitvallen. Zijn groen, lakensch wambuis, dat om zijn slanke gestalte sloot, vertoonde zijne fraaie leest in al haar voordeel; terwijl een broek met zijden veters, en wijde, gele laarzen met zilveren sporen zijne kleeding voltooiden.

Nadat zij plaats hadden genomen en bezig waren het een en ander te gebruiken, sprak D’Avilar Van Doorn op een vriendschappelijken toon aldus aan:

„Ik heb zoo even van Don Lorenzo vernomen, dat de Hertog, daar het land van alle kanten met oorlog wordt bedreigd, terwijl de ingezetenen en verscheiden edelen, den naam van edellieden onwaardig, oproer zoeken te verwekken, en ’s Konings soldaten uit de steden trachten te verdrijven, – dit zeggende, zag hij Van Doorn scherp aan, terwijl Perea zijn gelaat in een nog vreeselijker plooi, dan gewonelijk trok – besloten heeft het leger te vermeerderen, en hij vooral tracht zijn paardevolk het inlandsche edelen en burgers,……”

„Misschien ten onrechte,” viel Perea hem in de rede, welk gezegde Van Doorn met een blik vol minachting beantwoordde, waarna D’Avilar vervolgde: „zoekt voltallig te maken, en daardoor het uitgestrooide gerucht te logenstraffen, dat de Koning zijne onderdanen niet vertrouwt, en hen alleen door vreemd krijgsvolk in bedwang wil houden.”

„Daar het mij nu bekend is,” voer hij, valsch lachende, voort, „dat gij den Koning, onzen meester, bijzonder hoogacht, en een afkeer hebt van alle muiterij of opstand tegen den Hartog, ’s Konings stedehouder, kwam het mij voor, dat het nu een geschikt oogenblik is, om uw voornemen om dienst te nemen onder Zijner Majesteits krijgsvolk, te volvoeren. Er is juist een plaats open onder het kornet speerruiters, dat thans in den Bosch in bezetting ligt; Signor Perea is zoo goed geweest mij dit te berichten, en heeft mij tevens toegezegd, dat hij door voorspraak bij Zijne Excellentie, die hem steeds bijzonder gunstig is, zich in staat bevindt, om u op zijn woord van eer te verzekeren, dat gij spoedig zult opklimmen, en dat gij hierdoor, gevoegd bij uwe ons bekende geschiktheid voor den dienst, niet lang in dien lagen militairen graad zult behoeven door te brengen, dien gij genoodzaakt zijt te doorlopen, naar aanleiding van een onlangs door den Hertog genomen besluit, waabij bepaald wordt, dat voortaan geene bevelhebbers zullen gekozen worden dan uit de korpsen zelven.”

Van Doorn, die zich vast had voorgenomen zijne bedaardheid niet te verliezen, en geene aanleiding tot verbanning van Loevestein, welke hij reeds lang te gemoet zag, te geven, had echter moeite, om gedurende deze lange redeneering, zijne bedaardheid te bewaren; en daar hij verontwaardigd was over D’Avilar’s veinzerij, die hem deze aanbieding alleen gedaan had op Perea’s bevel, en om van hem voor altijd ontslagen te worden, is het moeilijk te bepalen, wat hij zou geantwoorden hebben, indien niet Perea hem uit zijne verlegenheid gered, had, door opstaande te zeggen:

„Signor Van Doorn en de Signorita zullen het mij niet kwalijk nemen, dat ik thans vertrek. Het besluit, dat Signor Van Doorn nemen zal, zal ik wel nader vernemen; men wacht mij in den Bosch, waar ik tijding hoop te vinden van het gevangennemen van den beruchten Emisario, en ’s hertogs dienst vereischt nog dezen morgen mijne tegenwoordigheid op onderscheiden plaatsen. – Ik hoop intusschen, dat Signor Van Doorn mijn dienstaanbieding niet van de hand zal slaan,” zeide hij met trotschen toon.

Van Doorn, zijne woede over deze woorden bedwingende, antwoordde:

„Indien gij, die in deze oorden des Hertogs rechterhand zijt, iets te verrichten hebt, zoo kan ik wel gissen, wat het zijn zal, en dat de bevelen aan u gegeven, geene vertraging dulden. Wat den Boodschapper aangaat, ik twijfel niet, of gij zult in den Bosch wel iets van hem hooren. Het spijt mij echter uw aangenaam bijzijn zoo spoedig te moeten missen, hetwelk ons de gelegenheid geven zou, om onze gedachten nader te verklaren; doch wees verzekerd, – dit zeggende verhief Van Doorn zijne stem, en bracht onwillekeurig de hand aan de greep van zijn degen – dat ik u dezelfde vriendschap toedraag, als gij aan mij, en dat ik eerlang het onuitsprekelijke genoegen hoop te hebben u op een plaats te ontmoeten, welke ons zal vrijlaten, onze gedachten nader te verklaren.”

Hier boog hij zich. Anna, die evenals de beide anderen, den zin dezer woorden zeer goed had begrepen, beefde voor het leven van haar geliefde. Doch de Spanjaard antwoordde, terwijl bij Anna op een galante wijze de hand kuste:

Jonker Van Doorn! wij voeden dan dezelfden wensch; hoe eerder en in hoe grooter gezelschap deze ontmoeting zijn zal, des te liever zal het Perea wezen.” Hierop zijn gevederden hoed op het hoofd drukkende, groette hij Anna beleefd, en met de vriendschap op het gelaat en de hel in het hart, verliet hij, gevolgd door den slotvoogd, het vertrek met forsche stappen, terwijl hij de deur achter zich dicht wierp.

„Ach, Karel, wat hebt gij gedaan!” riep Anna uit, zoodra zij alleen waren: „gij hebt des Hertogs besten en bloeddorstigen speurhond gesard. Is uwe Anna u dan niets meer waard, dat gij zoo met uw leven speelt?”

„Anna! lieve Anna!” hernam Van Doorn, „ik bid u, voed geene vrees, hij zal mij niet deren; mijne broeders zijn talrijk, en hun moed is groot; wij lachen met Perea’s woede en met Alva’s beulen. Eerlang toch zal hij met zijn vreemd gespuis moeten wijken – en dan,” vervolgde hij met een opgeruimden toon, „wordt gij mijne vrouw; niet waar, mijne teergeliefde?”

Nu zijn rechterarm om hare middel slaande, streek hij hare blonde lokken van haar voorhoofd weg, en drukte daar een kus op. Anna bloosde en sloeg haar oogleden neder; doch zijn onttrok zich niet aan Van Doorn’s omhelzing, maar rustte, vol vertrouwen op zijn moed, aan zijne borst, en poogde in zijne tegenwoordigheid ten minste niet te laten blijken, dat zij bevreesd was, dat deze oogenblikken mogelijk de laatste gelukkigste haars leven zouden zijn.

„Maar wanneer gaat gij mij verlaten?” vroeg zij na eenige oogenblikken; „want als gij eens de Spaansche zijde verlaten hebt, zal Loevestijn voor u gesloten worden; en  ofschoon ik heimelijk geloof,, dat mijn voogd mij liever aan u dan aan Perea zou afstaan, zoo zal hij dit evenwel niet durven doen. Perea beveelt hem, zooals ik Brigitta, onze dienstmaagd, doe; ja, hun gedrag is dikwijls zoo raadselachtig, dat men niet weet, wat men er van denken moet, en het wordt mij hoe langer hoe meer zeker, dat D’Avilar mijne hand aan Perea beloofd, en daarvoor iets genoten heeft; dat gij hun in den weg zijt, en hen verhindert om hun plan te volvoeren.”

„Wees niet bevreesd,” antwoordde Van Doorn, „in weerwil van al de Perea’s der wereld zult gij de mijne zijn, dat zweer ik op mijne eer. Verwacht mij aanstaanden vrijdagavond in den hof bij het tuiniersschuurtje; daar zult gij mij vinden; dan zeg ik u voor het laatst vaarwel. Verschuiven wij dus de droefheid over ons afscheid tot dien dag, en laat ons nu alleen de genoegens smaken van elkander te zien en ongestoord te kunnen spreken. Zaterdagavond spreek ik mijne vrienden, de muiters, zooals gij hen noemt, weder; daarna zal er zeker een lange tijd verloopen, eer wij elkander kunnen wederzien; maar Meijer, de oude huisknecht en een oprechte kerel, is mij zeer genegen, en gij kunt u aan hem volkomen vertrouwen.”

Naderende voetstappen verkondigden de aankomst van een onwelkom persoon, en terwijl zij beiden gingen zitten, vervolgde Van Doorn zacht: „En ik hoop u nog voor mijn vertrek in de hoede van iemand aan te bevelen, die, als hij degene is, voor wien ik hem aanzie, in staat is om u, zelfs na mijn dood, welken God verhoede! te ondersteuen en uit de macht uwer vijanden te verlossen.” Hier hield hij op, en D’Avilar trad binnen, „Don Lorenzo is zoo even vertrokken,” zeide hij, „ik wenschte u wel eens in het bijzonder te spreken, Signor Van Doorn! en zal dus de Signora moeten verzoeken zich te verwijderen.”

Anna stond op zonder iets te zeggen, en na Van Doorn met haar hoofd vriendelijk toegeknikt te hebben, wilde zij het vertrek verlaten; doch Van Doorn trad haar te gemoet, en hare kleine, poezelige hand zijne lippen drukkende, zei hij, terwijl Anna zijn handdruk beantwoordde: „Vaarwel, Signorita! tot wederziens! ik blijf uw nederige dienaar, vaarwel!” en met deze woorden geleidde hij haar tot aan de deur.

908SR15.gif (1832 bytes)

5e hoofdstukInhoudopgave Oltmans7e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)