J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 9

Het woord, mijnheer!

V.gif (3505 bytes)an Doorn was nauwelijks de poort binnengetreden, of de punt van een degen werd op zijne borst gezet, en belette hem verder voort te gaan. „Het woord, mijnheer!” zeide iemand,die hij door de duisterheid onder het gewelf niet zien kon, zacht tot hem. „Grootmeester!” antwoordde Van Doorn. De degen bedreigde zijne borst niet langer, en hij hoorde het wapen weder in de schede glijden, terwijl men, hem bij de hand nemende, hem verzocht te volgen, met waarschuwing naar zijne voeten te zien om niet te struikelen.

Hij bevond zich dus geheel in de macht van zijn geleider, maar lette toch op hetgeen deze verrichtte, en hetgeen er om hem voorviel; en toen zij, de poort doorgegaan zijnde, in het gebouw kwamen, bezag hij hem opmerkzaam om te ontdekken, of hij hem ook reeds meer gezien had; maar de krijgsman was hem geheel onbekend. Diens kleeding echter stelde hem weder gerust, en verdreef de vrees, die hij had, om in de handen der Spanjaarden te vervallen; want hoe licht toch konden deze van de bijeenkomst iets bemerkt hebbende, het gebouw bezet, en den eenen der bondgenooten vůůr en den anderen na gevangen genomen hebben.

Terwijl Van Doorn’s hart met smart werd vervuld bij de gedachte, dat zij, die voorgenomen hadden hun land te bevrijden, op hun eigen geboortegrond genoodzaakt waren zich, evenals moordenaars en struikroovers, in het holst van den nacht te verzamelen, en zich voor het oog hunner medeburgers en hun vorst te verbergen, streelde hij zich met de hoop, dat dit de laatste maal zou wezen, dat hij dit zou behoeven te doen, en dat hij voortaan openlijk en voor de geheele wereld zou kunnen handelen, en als bevrijder van zijn land en als verdediger der voorrechten zijner landgenooten kunnen optreden. zijn geleider nam zijn weg door de gewezen kerk; de zerken waren met het puin van het ingestorte dak bedekt, hetgeen het gaan zeer moeilijk maakte. De ingestortte gewelven vormden groote steenhoopen, en die, welke nog overeind stonden, hingen over hunne hoofden heen, dreigden elk oogenblik neder te storten, en hem, die zich vermat het gebouw binnen te treden, en door zijn nachtelijk bezoek de vrome ridders in het stille graf te verontrusten, met hen levend te begraven of te verpletteren.

Aan den ronden toren gekomen, die nog gedeeltelijk in wezen was, trok zijn geleider aan een touw, dat uit een der venstergaten hing, en verwijderde zich, tegen Van Doorn zeggende: „Hier moet gij wezen mijnheer!”

Een ladder, welke uit het venster naar beneden gestoken werd, wees Van Doorn, die reeds vergeefs naar ingang tot den toren omgezien had, den weg aan, dien hij volgen moest. Hij wierp zijn mantel dus achterwaarts en beklom de ladder. Op hetzelfde oogenblik echter, dat hij zich aan den ouden muur en aan de planten welke tusschen de steenen groeiden. vasthoudende, zich gereed maakte om in het raam te stappen, en, terwijl hij nog met den eenen voet op de laatste sport stond, legde iemand een forsche gespierde hand op zijn schouder, en vroeg hem het woord af, dat hij genoodzaakt was te geven, alvorens de schildwacht zijn pistool in den gordel stak, en hem toestond in het venstergat te stappen.

Hij bevond zich nu in den toren; doch niets wees hem de plaats aan, waar de bijeenkomst zou kunnen plaats hebben. De kale muren vertoonden hier en daar de plaats, langs welke de trap had geloopen, en de overblijfselen van de verdiepingen, die er in gelegen hadden. Van boven was de toren, die van zijn dak beroofd was, geheel open, zoodat hij de donkere wolken, die door den wind werden voortgejaagd, er onbelemmerd overheen kon zien drijven; alleen kwam het hem voor, alsof hij nu en dan een lichte rookwolk tusschen de kanteelen uit zag opstijgen.

De schildwacht, die de ladder weder naar boven had getrokken, lichtte nu een luik of deksel op, dat op den grond lag, en dat Van Doorn nog niet had opgemerkt, en beduidde hem met de hand, dat hij naar beneden moest gaan. Hij naderde dus en zag tot zijn niet geringe verwondering een ruim en verlicht gewelf onder zich, waarin hij langs een ladder nederdaalde, terwijl zijn wegwijzer de opening weder zorgvuldig bedekte.

Zoodra hij beneden kwam, werd hij door de eedgenooten, van welke er reeds eenigen waren aangekomen, gegroet; zij schudden hem hartelijk de hand, en noodigden hem om met hen te drinken, hetgeen hij niet afsloeg. Na dit gedaan te hebben, vervolgden zij hun gesprek; en daar het toch over zaken liep, die hem geheel vreemd waren, nam hij deze gelegenheid te baat om zijn mantel aan een der uitstekende punten van het lofwerk aan den muur op te hangen, en het gewelf in oogenschou te nemen.

Het was rond en grooter dan hij eerst gedacht had, uit zware steenen gemetseld, en kon wel vijftig menschen bevatten. De muur van het gewelf scheen indertijd aangepleisterd geweest te zijn; doch door de vochtigheid of andere oorzaken, was het bekleedsel meerendeels er afgevallen; wat er nog van bestond was beschilderd; maar de kleuren, ofschoon zij zeer levendig schemen geweest te zijn, waren meest uitgewischt of verdoofd. Hier en daar vertoonden zich echter beelden van gewapende mannen, die grijnzend uit hunne geopende helmen zagen en het roode kruis op den witten mantel droegen. Een hunner hield een standaard in de hand, waarop een rood kruis op een half wit en half zwart veld, was afgebeeld; van de Latijnsche spreuk, welke er opgestaan, was alleen het woorde Domine nog leesbaar. Naar hij kon oordeelen, stelde het eene of andere geheime plechtigheid, of een optocht, der tempelheeren voor; en in andere, meer bedaarde oogenblikken, zou hij gaarne een geruimen tijd zoek gebracht hebben met het schilderwerk op zijn gemak en in zijn verband te beschouwen. De grond van het gewelf was met blauwe zerken belegd; een weinig van den muur af, en zooals hij uit de ligging van het gebouw kon oordeelen, naar het Oosten gekeerd, stond een grooten arduinsteenen zetel, uit ťťn stuk gehouwen, aan wederzijde van welken zeven vierkante zitbanken van dezelfde steen geplaatst waren. Deze waren echter zonder rugstukken, en vormden met den grooten zetel een halfrond. Op elke steen waren eenige vreemde karakters ingehouwen, en duidden zeker den naam of rang aan van hen, die eertijds gerechtigd waren er plaats op te nemen. Juist daartegenover was een soort van haardstede; ten minste, in den muur, een weinig van den grond, was een rond gat met een ijzeren rooster, waarin vuur brandde, en dat ook ten dien einde, en wellicht om het gewelf te verwarmen of tot een ander gebruik scheen gemaakt te zijn. Daarboven was oudtijds een halfhoog uit steen gehouwen geweest; doch dat was geheel stuk geslagen; men kon echtern nog zien, dat het zeer goed uitgevoerd, vol met beeldwerk en gedeeltelijk verguld was geweest. In het midden van het gewelf, tusschen de haardstede en den grooten zetel, lag een langwerpig steenblok op den grond; op onderscheiden plaatsen waren ijzeren ringen in den steen bevestigd. Het scheen tot een werktuig van pijniging gediend te hebben, doch werd nu voor tafel gebruikt, en was met drinkbekers en glazen bezet, terwijl twee groote aarden kruiken er naast stonden. De ongelukkige, die op deze pijnbank was vast gebonden geweest, had hier juist het gezicht op zijne strenge rechters en op een steen boven den grooten zetel, waarop vreemde karakters waarop vreemd karakters waren uitgehouwen, die Van Doorn vergeefs trachtte te ontcijferen; ofschoon hij nogal in de gelegenheid was geweest van oude talen en letterschriften wat te leeren kennen. Naar alle gedachten hadden de broeders van den Tempel, indien zij in dit vertrek al hadden mogen binnentreden, achter den zitbanken, waar nog een geschikte ruimte overbleef, geschaard gestaan, als niet gerechtigd zijnde, om zich neder te zetten. De gang, die toegang tot het gewelf gaf, was ingestort; een eind weegs echter kon mendie nog ingaan, terwijl groote ijzeren scharnieren, in de steenen kolommen geklonken, die aan den ingang stonden, aanduidden, dat er voorheen een deur of hek aan was geweest, die tijdens de vernieling van het Monnikenhof was weggevoerd. Boven elk der kleine zitbanken, alsmede ter wederzijde van het gebeeldhouwde tafereel, waren op de plaats waar de muur en het verwulf zich scheidden, een soort van steenen armblakers geweest, in de gedaante van zonderlinge monsters of dieren, doch de meeste waren gebroken; zij schenen allen bijzonder geweest te zijn, en in drie er van brandde licht; terwijl de groote pitten, die evenals vurige tongen tusschen de tanden der monsters uitstaken, een flauw en onzeker licht in het gewelf verspreidden. Het gat, waardoor men nu in het gewelf kwam scheen eerst onlangs gemaakt te zijn; ten minste de grond was nog hier en daar met puin bedekt.

Hij had zijne opneming juist geŽindigd, toen een herhaald uilengeschreeuw hun de aankomst van nieuwe bezoekers verkondigde, en spoedig daarna daalde Van den Bosch, gevolgd door drie andere mannen, neder, en werd met groote vreugde ontvangen. Zij vroegen hem dadelijk, waar Ruykhaver bleef, en of hij ook iets van hem vernomen had. Doch Van den Bosch antwoordde, dat hij den hopman sedert den vorigen dag niet had gezien, en naar Van Doorn toetredende, heette hij hem welkom.

Toen zijne oogen een weinig aan het licht gewend waren, beschouwde hij Van Doorn nader, en den zwarten doek in het oog krijgende, welke om diens hoofd gebonden was, zeide hij zacht tot hem:

„Hoe is het, jonge vriend! gij zijt, naar het mij voorkomt, zoo vroolijk niet als de vorige maal, toen ik u fluitende aantrof; wat kwelt u? Hebt gij misschien berouw over den stap dien gij op mijn aanraden gedaan hebt? Maar ik zie, gij zijt gekwetst! met wien zijt gij slaags geweest?”

„Ofschoon ik een oogenblik in groot gevaar ben geweest,” antwoordde Van Doorn, „om door de Spanjaarden gevangengenomen te worden, en ik genoodzaakt ben geweest, voor mijne verdediging het zwaard te trekken, zoo had de schermutseling niet veel te beduiden. De wonde aan het hoofd is van geen belang, en zal spoedig weder genezen zijn. Wat mijne droefheid aangaat, die is zeer natuurlijk, vriend! Ik heb gisteren afscheid genomen van het meisje met wie ik mij dacht in het huwelijk te begeven.”

„En wat kan u verhinderen,” hernam Van den Bosch, „om dit nog te doen? Is het nu niet, dan is het in het vervolg.”

„Alles!” hernam Van Doorn, „Ik laat haar alleen achter, onder hare en mijne ergste vijanden.”

Hier werden zij gestoord door het luidruchtig gedrag der bondgenooten, die door den wijn vroolijk geworden zijnde, een hunner trachtten te bewegen iets te zingen, waartoe hij eindelijk overging, ofschoon hij er zich in het begin niet toe scheen te laten   overhalen; en nar een paar malen gehoest te hebben, met een schoone tenorstem, het volgende couplet van een te dien tijd zeer veel opgang makend geuzenliedje, genaamde de getrouwe geus, aldus aanhief:

Den koning van SpagniŽn is graaf van ons land,
Zyn macht blyven wij maintineren.
Soo lanck hy aan de privilegiŽn houd de hant,
Soo lanck blyven wy hem eeren.

Lanck leve die koningh! dat wille wy drinken.
Lanck leve die geuzen! dat wille wy klinken.

Deze twee laatste regels werden gezamenlijk en met aanstooting der bekers en luider stemme gezongen.

„Laat dat zoo zijn,” hervatte Van den Bosch, terwijl hij Van Doorn wenkte om met hem in de gang plaats te nemen. „Hier op deze steenen gezeten,” ging hij voort, „kunnen uwe metgezellen, die, zooals gij ziet, den beker lustig laten rondgaan, u niet hooren; ze zouden u somtijds minder achten om uwe gevoeligheid over het verlaten meisje; iets, dat sommigen onder hen bespottelijk zouden vinden. Maar verhaal mij, indien gijmij uw vertrouwen waardig keurt, wat er met u gebeurd is, en zeg mij den naam van uwe jonkvrouw; terwijl gij met Ruykhaver vertrekt, blijf ik in dez oorden, en ben dus in de gelegenheid u en haar van dienst te zijn.”

Van Doorn bedacht zich eerst eenige oogenblikken, en zijne armen over elkander slaande, terwijl hij, tegen den muur leunende, stijf vůůr zich zag, verhaalde hij hetgeen ons reeds bekend is. Hierop vervolgde hij: „Mijne goederen en kostbaarheden heb ik, zooals ook het getrouwe paard, dat mij bij Loevestein gered heeft, zooveel in mijn vermogen was, geborgen; mijn vaste goederen daarentegen moet ik achterlaten; want Perea heeft mij niet veel respijt gegund, maar zijne vervolging reeds begonnen; zoodat ik genoodzaakt ben geweest uit Heusden de wijk te nemen, en mij de beide laatste dagen bij een mijner huislieden op het land te verbergen. Dit scheelt mij echter weinig, indien de goede zaak zegeviert, vind ik mijne landerijen toch weder; indien wij echter het onderspit moeten delven, is jonkvrouw De Manilla toch voor mij verloren. Aan mijn eed getrouw, zou ik, als ware ik nog alleen maar overig, mij nog blijven verzetten tegen het Spaansche geweld, en mijne vrienden niet willende overleven, ten minste voor mijn dierbaar vaderland willen sterven, dat ik niet had kunne bevrijden. – En” vervolgde hij op droefgeestigen toon, „daar ik de laatste mijns geslachts ben, sterft de naam van Van Doorn met mij uit; terwijl mijne vijanden, die, zoo ik hoop, dan nog na mijn dood met schrik aan mij zullen gedenken, zich niet als vreedzame bezitters mijner goederen zullen durven aanmerken dan na mijn ondergang.”

„Heer Van Doorn,” hernam Van den Bosch, „zij, die gij bemint, is mij niet geheel onbekend; ten minste, ik heb haar vader wel gezien. En,” vervolgde hij langzaam, als schroomde hij te vervolgen, „ik heb hem zien sterven.”

„Hoe!” hervatte Van Doorn met drift, terwijl hij opsprong, „gij waart daarbij en hebt hem niet bijgestaan? – Maar,” vervolgde hij bitterlijk, „waarom zou ik verwonderd zijn? gij vaart misschien een der geuzen, die het schelmstuk uitvoerden.”

„Jongeling!” antwoordde Van den Bosch bedaard, terwijl hij hem bij den arm vasthield en hem noodzaakte om weder naast hem te gaan zitten, „spreek zoo luid niet; Dirk Duyvel, die bezig is met zingen, houdt juist nu op. Aller oogen zijn reeds op u gericht; hoor mij eerst bedaard aan, eer gij een oud man beschuldigt. Een geus ben ik, en wil ik sterven; maar daarom zijn mijne handen en die mijner vrienden, zoo niet van ander, ten minste van De Manilla’s bloed onbevlekt. Luister aandachtig naar hetgeen ik u zal verhalen.”

Terwijl hief de zanger, door de toejuichingen zijner makkers aangemoedigd, met luide stemme een nieuw couplet aan, en zong:

Margriet die had uns goed geregiert;
Soo Granville haar niet had bestiert,
Duc Dalf heeft ’t land in peryeel gebragt,
En wordt door vrome luiden veracht.

Lanck leve die koningh! dat wille wy drinken.
Lanck leve die geuzen! dat wille wy klinken.

908SR15.gif (1832 bytes)

8e hoofdstukInhoudopgave Oltmans10e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)