J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 10

Ruykhaver (l.) Dirk Duyvel (r.)H.gif (3137 bytes)et is nu ruim drie jaren geleden,” dus begon Van den Bosch, toen hij in zijne rede gestoord werd door de aankomst van Ruykhaver, die gevolgd door een anderen man, juist terwijl de zanger bezig was met het zingen der twee laatste regels, langs de ladder afklom.

„Ik verzoek u, mijne heeren!” dus begon Ruykhaver, nadat hij een poos verstoord in het rond gezien had, „niet zooveel gerucht te maken; ik kon het gezang buiten den toren hooren. Waartoe dienen deze gevaarlijke zotternijen, welke beter plaats zouden vinden in de eene of andere kroeg of bordeel dan in het oord, waar men bijeenkomst om zijne verdrukte landgenooten te redden? uwe slemperijen maken u ongeschikt tot het groote werk, dat wij voorgenomen hebben; een ongebonden leefwijs moet ons in de oogen onzer medeburgers vernederen. Gedenkt slechts, dat het de oorzaak of ten minste het voorwendsel voor de uitroeiing van die mannen is geweest, welke, misschien in ditzelfde gewelf besloten zich tegen een anderen Filips te verzetten.”

Hier eindigde Ruykhaver en hij wilde naar Van den Bosch gaan, toen een lang en mager jonkman uit het midden der eedgenooten naar hem toetrad. Hij had een bleek en ingevallen gelaat, en de verlepte kleeding, die hier en daar met strikken en veters bezet was, getuigde van de vroegere welvaart van hem, die ze droeg. In zijne houding bemerkte men duidelijk een dergenen, van welke er velen onder de bevrijders van het vaderland en de teekenaars van het verbond der edelen waren, die, na hun erfgoed verbrast te hebben, in dezen opstand, waarbij zij weinig verliezen en alles winnen konden, een nieuw middel zochten, om hunne losse leefwijze aan den gang te houden, en, voorloopig aan hunne schuldeischers ontsnappende, zich nieuwe bronnen van bestaan zochten te openen. Ook bevonden zich onder hen de zoodanigen, die, dewijl het ijs tusschen hen en den Koning eenmaal was gebroken, zich blindelings in den opstand wierpen, en door hun naam en rang met recht hoopten in den nieuwen staat, wiens stichting de verstandige lieden reeds vooruitzagen, een groote rol te spelen en een gedeelte der kloostergoederen te bemachtigen. Na Ruykhaver strak onder de oogen gezien te hebben, zette hij zijne hand in de rechterzijde en sprak hem aldus aan:

„Mijnheer! de tijd, waarop gij hier hadt moeten zijn, is reeds lang verstreken; gij kunt het ons dus niet ten kwade duiden, dat wij, u wachtende, onze verveling zoeken te verdrijven door een teug te drinken, gelijk het een krijgsman betaamt. En wat het zingen aangaat, dat gij gehoord hebt, dat heb ik gedaan op verzoek mijner vrienden, en zal het voor niemand laten, maar doen het ter plaatse waar het mij goeddunkt; begrijpt gij, Mijnheer? Ook is uwe vrees, dat het ons zou kunnen verraden, geheel ongegrond; onze vijanden zijn ver te zoeken, en wij hebben in dit eenzaam gelegen gebouw niets van hen te vreezen.”

Ruykhaver stond een oogenblik onbeweeglijk, waarschijnlijk over de stoutheid van deze aanspraak verwonderd; en zijn toorn zoekende te overmeesteren, die zichtbaar op zijn gelaat te lezen was, begon hij, zich tot de eedgenooten wendende, op een langzamen en bedaarden toon:

„Wat mijn lang uitblijven betreft, Mijne Heeren? zal ik de eer hebben u te zeggen, dat ik met den heer van den Nyenburg over Genderen mij dacht herwaarts te begeven; maar dat wij, gelukkig nog in tijds, eer wij  daar aankwamen, vernamen, dat Alva’s handlanger, de u bekende Perea, met den hopman Cherini en vijftig speerruiters daar tegen den avond waren aangekomen, met voornemen zooals men zeide, om deze oorden te doorsnuffelen en de geuzenbijeenkomst, waarvan hij de lucht heeft, uit elkander te drijven. Dit noodzaakte mij, een andere richting te volgen, zoodat ik langs den Veenweg, die veel meer om is, hier gelukkig ben aangekomen; gij begrijpt dus lichtelijk, dat hij met niet aangenaam was, u zoo luidruchtig bij elkander te vinden, en ik vertrouw, dat gij nu allen de stilte even noodig zult achten als ik.”

De eedgenooten, die zijne rede oplettend aangehoord hadden, bogen zich zwijgend. Doch Dirk Duyvel, ofschoon het zelf overtuigd was, dat Ruykhaver gelijk had, wenschte zich te verschoonen, en zeide:

„Dit wqas mij onbekend, Mijnheer! ik dacht, dat Perea gerust in den Bosch was, en,” vervolgde hij lachende, „het is voor het overige niet vreemd, dat iemand, die de vrees niet kent, op zijne eigen krachten steunende, zingt en vroolijk is, daar waar een ander van vrees ineenkrimpt.”

„Mijne redenen zijn niet tot u gericht, jongeling!” antwoordde Ruykhaver koel, „als ik tot u spreek, zal het zijn om u te bevelen, en niet om u rekenschap te geven van mijn gedrag, en hiermede afgedaan,” vervolgde hij op een hoogen toon, terwijl hij zijn bruin oog, dat van gramschap fonkelde, op hem liet vallen. „Ik wil niet meer hooren; de tijd is te kostbaar, om die met twisten door te brengen.”

Hij trad nu naar de overigen toe, en gaf hun, evenals ware er niets voorgevallen, een voor een de hand, gelijk ook aan Van Doorn, terwijl hij hem welkom heette, en zich een weinig verwijderende, knoopte hij met Van den Bosch een gesprek aan, gedurende hetwelk Dirk Duyvel al mompelende een paar bekers ledigde, en den beker daarna tegen den grond verbrijzelde.

Een oogenblik daarna zette Ruykhaver zich op den grooten steenen zetel neder, en nadat hij aan zijne metgezellen verzocht had zijn voorbeeld te volgen, begon hij, toen zij allen, zoo goed als zulks mogelijk was, gezeten waren: „Mijne Heeren! het is met zeer veel genoegen, dat ik den tolk ben van ’s Prinsen tevredenheid over uw gedrag, en de belangeloosheid, die gij aan den dag legt bij het trotseeren der menigvuldige gevaren, die ons boven het hoofd hangen. Door de berichten, die ik van alle zijden ingewonnen heb, ben ik in staat, u de verzekering te geven, dat onze zaak in het vaderland hoe langer hoe meer veld wint; de meeste Hollandsche steden zien slechts naar een gelegenheid uit om zich van het Spaansche juk los te scheuren, en de hatelijke huurlingen van Alva ter poorte uit te werpen. Al onze medeburgers hebben het oog op ons gericht; van ons zal het dus afhangen om hen door onze macht, dapperheid en overwinningen gerust te stellen, en de vrees, die zij voor de geoefende Spaansche krijgsbenden hebben, te verdrijven. De gegoede burgers en kooplieden wagen niets zonder hoop te hebben op een goeden uitslag; wij moeten hen dus waarborgen tegen Alva’s woede, eer zij zich vr ons zullen verklaren; wij moeten de macht hebben om hen te beschermen, eer zij de Spaansche zijde verlaten, anders staan zij bloot voor de weerwraak des Konings; en de onderstand, dien wij uit de opbrengsten en giften der burgers kunnen trekken, gaat dan voor ons zonder vrucht te loor. Het lot dat het ongelukkige Deventer getroffen heeft, schrikt de andere steden af; de inwoners van die stad hebben hun vaderlandsliefd door moeten betalen en nog siddert er elk, bij het herdenken aan de pinigingen, welke Pacico, velen vromen burgers heeft doen ondergaan. Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Dordrecht, Rotterdam en vele andere steden zijn gereed tot den afval; in n woord, het geheele land is rijp voor den opstand, en elk zal zich binnenkort als n eenig man aan onze zijde scharen.”

„De vergiffenis, die Alva heeft doen afkondigen, boezemt weinigen gerustheid in, en slechts eenige geringe lieden durven er gebruik van te maken. De bekende dubbelhartigheid des Hertogs is niet geschikt om lieden van onzen rang, na hetgeen wij reeds voor ons land gedaan hebben, over te halen om ons te onderwerpen; en het zou ook een dwaze roekeloosheid zijn er geloof aan te hechten, zoolang zich Alva hier bevindt.”

„In Duitschland vordert Oranje, zooals hij mij schrijft, niet veel; de Keizer is niet gezind ons te helpen, gelijk hij zelf op den rijksdag te Spiers aan twee Hollandsche edelen verklaard heeft; hij raadt ons aan van de vergiffenis gebruik te maken, en belooft ons bij den koning van Spanje tot voorspraak te dienen; hij weet echter niet, wat het is zich aan Filips te onderwerpen; hij, die zijn eigen bloed niet verschoond heeft zal een hoop kettersche muitelingen, zooals men ons in Spanje noemt, geene genade schenken.”

„het huwelijk van Anna van Oostenrijk kon nooit ongelukkiger komen dan nu; het haalt den band van vriendschap tusschen den Keizer en Spanje’s koning nauwer toe; wij zijn dus genoodzaakt ons zelven te helpen, en ons alleen op onze krachten verlatende zullen wij, der spreuk indachtig: dat God helpt, die zich zelven helpen, niet behoeven af te hangen van vreemdelingen, og ons bloot te stellen aan hunne belangzuchtige oogmerken.”

Tot zoover was Ruykhaver gevorderd; en hij wilde juist zijne aanspraak vervolgen, toen een vreeselijk uilengekras dat door de gewelven heenklonk, en door de overgebleven holen en gangen van het oude gebouw honderdvoudig herhaald werd, elkeen een onwillekeurige vrees aanjoeg, en allen zwijgend deed luisteren.

„Wij wachten niemand meer,” zeide Ruykhaver zacht „wat kan dat zijn, Herman?”

„Het is mij onbekend, hopman!” antwoordde deze, „het is het teeken van Uilenburg, dien ik als wachter op den toren geplaatst heb; hij moet zeker iets vreemds gezien hebben, want ik heb hem dezen avond nog zoo hard niet hooren roepen.”

„Hij doet zijn naam eer aan,” zeide Ruykhaver glimlachende, „indien het Perea maar niet in het hoofd gekomen is om het Monnikenhof op te zoeken.”

Het geluid van voetstappen boven hun hoofd belette hem te vervolgen, en weldra, en weldra daalden acht mannen, met musketten en haakbussen gewapend, langs de ladder af.

Ruykhaver, die opgestaan was, vroeg aan den voorste, welke het hoofd scheen te zijn, en in wien Van Doorn dengene herkende, die hem door den bouwval geleid had, wat er gaande was, waarop deze zijne hand aan den rand van zijn hoed bracht, en het musket bij den linkervoet nederzettende, zeide:

„Niets goeds, Heer hopman! een troep Spaansche ruiters nadert het klooster. Om geen argwaan te geven, heb ik de posten ingetrokken, en kom hier om uwe bevelen te ontvangen. De Uil is op den toren gebleven, dien zullen zij ook niet vinden; de nachtvogels, tot welke hij dezen nacht behoort,zullen hem wel een plaats in het eene of andere gat inruimen.”

„Het is genoeg, Wapensmid!” hernam Ruykhaver, en zich tot den edelman keerende, die met hem gekomen was, vervolgde hij: „Mijnheer Van den Nyenborg! begeef u naar boven; doch bedek den ingang zorgvuldig, en let op hetgeen de Spanjaarden verrichten; maar houd u evenwel verborgen, zoodat zij u niet  in het oog krijgen, als zij in den bouwval rondsnuffelen. Zoodra gij echter oordeelt, dat wij ontdekt zullen worden, geeft gij er ons bericht van; hebt gij dat begrepen?”

„Volkomen, Mijnheer!” antwoordde de andere, terwijl hij de ladder opklom waarna hij, de opening weder dekkende, er zijn mantel overheen wierp, opdat het licht, hetwelk door de reten van het luik een flauw schijnsel op den muur van den toren wierp, hun verblijf niet verraden zou.

„Het is goed, dat het vuur uitgegaan is,” vervolgde Ruykhaver, „de opstijgende rook zou onze tegenwoordigheid aan onze vijanden kunnen doen kennen.”

Een pistoolschot in de rune deed nu een ieder met vernieuwde aandacht luisteren; doch alles bleef stil in den omtrek van den toren. In de verte hoorde men echter het gedruisch der paarden en het elkander toeroepen der ruiters.

Ruykhaver keerde zich nu tot den krijgsman, die met hem gesproken had, en zeide: „Wapensmid! doe uwe mannen hunne lonten vernieuwn. Zie toe, dat hunne wapenen met zorg geladen zijn, en houd u gereed om op het eerste bevel te handelen. – Wat u betreft mijne Heeren!” vervolgde hij, zich tot de bondgenooten wendende, „zijt zoo goed om evenals ik, uwe mantels weg te werpen; wanneer wij onze wapenen, die ik u verzoek na te zien, gebruiken moeten, hinderen zij ons slechts. Gij ziet nu, dat mijn bezorgdheid voor Perea niet zoo ontijdig was, als een uwer wel gedacht had.”

Het gevaar, waarin zij waren, deed hen allen dadelijk aan zijn verzoek, dat zoo goed als een bevel was, voldoen; terwijl Van Doorn, hopende nu in de gelegenheid te zijn om zich met Perea te meten en zich voor altijd van hem te ontdoen, moeite had zijn ongeduld te bedwingen. Doch Dirk Duyvel, die de laatste zinssnede als op hem toepasselijk beschouwde, trok zich dit aan, en wilde de ladder opklimmen, om zelf te gaan zien, wat er buiten voorviel.

Ruykhaver echter zijn voornemen gissende, zeide op een vasten toon: „Mijnheer! blijf hier. Van den Nyenburg is best alleen in staat de verrichtingen der vijanden gade te slaan; hij heeft uwe hulp niet noodig; ik beveel u hier te blijven.”

„Ik tel uw bevelen niet,” zeide de andere, „en zal gaan, waar het mij welgevallig is; ik ben een vrij edelman.” Intusschen begon hij de ladder op te klimmen; doch Ruykhaver, niet gezind om toe te geven, rukte er hem met een krachtigen arm af, zoodat hij, zijn evenwicht verliezende, zeer onzacht achterover op den grond viel. „Ik verkies toch te gaan, al waart gij en mijn gevader de satan er tegen,” hernam Dirk Duyvel, woedend over zijn val, nadat hij was opgestaan, van leer had getrokken, en, door zijne drift vervoerd, gereed stond, zich met geweld een doortocht te banen.

Doch Ruykhaver op den steen springende, die voor tafel diende, schopte er met zijne laarzen de glazen en kroezen af, en ingelijks zijn rapier ontblootende, hernam hij: „Gij zult niet gaan. Gehoorzaam!”

De overige eedgenooten zagen hun twist bedaard aan, zonder den eenen of anderen met woorden of daden bij te springen. Van Doorn echter sloeg de hand aan zijn degen, en plaatste zich bij Ruykhaver om hem te helpen, indien het soms den een of ander mocht in den zin komen, den weerspannige te ondersteunen. Vah den Bosch scheen aan den twist geen deel te nemen, of er zelfs naar te luisteren, ofschoon een aandachtiger beschouwing al dadelijk zou verraden hebben, dat hij met bezorgdheid naar tijding van de Spanjaarden wachtte; en het pistool, die hij in de hand hield, en waarvan hij de pan geopend had, bewees, dat hij niet altijd een bloot aanschouwer van hetgeen er voorviel, dacht te blijven.

„Ik veracht uwe bevelen,” schreeuwde Dirk Duyvel, „gij zijt niets meer dan ik, en gij noch Oranje hebt recht gehoorzaamheid van mij te vorderen. Of denkt gij, dat wij den eenen dwingeland wegjagen om ons onder het juk van een anderen te buigen; ik volg alleen mijn eigen wil; want een vrije Nederlander is zijn eigen meester; met niets kunt gij het gezag, dat gij hier uitoefent, bewijzen.”

„Dat kan ik wel,” hernam Ruykhaver, moeite hebbende om zijne gramschap te bedwingen, terwijl hij hem zijn degen voorhield, „met dit staal zal ik mijn bevelen staven. gij zult niet naar boven gaan, knaap! dan over mijn lijk.” Toen hij zag, dat Dirk Duyvel nog draaide, om zijn ontwerp te voltooien, daar deze gehoopt had onder zijne metgezellen meer bijval te vinden, vervolgde Ruykhaver op een vasten toon: „Waarnaar wacht gij nu, gij, die niet vreest? waarom vertoeft gij om onze vijanden door uwe onbezonnenheid herwaarts te lokken? of zijt gij misschien bang voor uw te lokken? of zijt gij misschien bang voor uw leven, en denkt gij het door de vlucht te redden?”

„Den dood vrees ik evenmin als gij of iemand,” hernam Dirk Duyvel, die met zich zelven verlegen was, en zijn degen naar den grond richtende, met de punt eenige figuren op de zerken kraste, daar zijne ongehoorzaamheid meer veroorzaakt werd door zijn los en lichtgeraakt gemoed dan door minachting voor de bevelen van Ruykhaver, dien hij innerlijk hoogachtte; „maar de schander vrees ik,” voer hij voort. „Indien onze vijanden den ingang boven onze hoofd bezetten, zijn wij allen gelijk muizen in een val gevangen. Ik voor mij wil liever al vechtende sterven, dan genoodzaakt zijn mij in dit hol zonder wederstand gevangen te geven om naderhand doodgemarteld te worden, ten einde bekentenis te doen van zaken en geheimen, welke ons door onze opperhoofden, die ons zoo gaarne bevelen geven, niet medegedeeld zijn, omdat zij ons hun vertrouwen onwaardig keurden. Indien het echter uwe verkiezing is,” vervolgde hij, zich tot de overigen richtend, „om u lafhartig over te geven en de genade onzer vijanden af te wachten, Mijne Heeren! zoo wil ik het vaderland het grootste offer brengen, dat is mijne eer, en bij u blijvende, de schande met u deelen.”

De overigen schenen zich een oogenblik te bedenken. De woorden van Dirk Duyvel hadden indruk gemaakt; een zacht gefluister had onder hen plaats, en ook hen bekroop de lust, hunne vijanden onder de oogen te zien, waarna een der eedgenooten vooruittrad, en tot Ruykhaver het woord richtende, zeide: „Heer hopman! hoezeer wij allen het gedrag van Dirk Duyvel ten hoogste laken, zoo verdient echter hetgeen hij het laatst gezegd heeft, eenige opmerking. Wij hebben allen ons leven veil voor ons land, doch onze eer niet; indien wij te lang wachten, kunnen wij er ons niet meer doorslaan, maar moeten ons allen overgeven.”

„En indien ik u met mijn leven borg ware voor het behoud van uwe eer,” riep Ruykhaver, „en u aantoonde, dat, terwijl het onze plicht is, om ons niet roekeloos te wagen, het in mijne macht staat om allen met onze vijanden te vernietigen, als wij ontdekt worden?”

„Dan ben ik voldaan,” zeide Dirk Duyvel, zijn zwaard opstekende, terwijl Ruykhaver, met de punt van zijn degen op een zerk wijzende, die kortelings scheen opgenomen geweest te zijn, voortvoer: „Hieronder, gezellen! is ons aller behoud; wee hem, die ons ontdekt, hij zou te laat gewaar worden dat de geuzen den dood verkiezen boven de schande van gevangengenomen te worden.”

Een zekere soort van gerustheid en gevoel van eigen macht vertoonde zich nu op het gelaat der verbondenen, en ofschoon zij niet genoodzaakt werden tot geweldadige middelen hunne toevlucht te nemen, zoo zou het echter noch de eerste, noch de laatste maal geweest zijn, dat ’s Lands historiebladen van het feit gewaagden, dat de Nederlander liever een roemrijken en vrijwilligen dood verkoos, dan zich in de handen zijner vijanden over te leveren.

De soldaten begonnen echter onder elkander te morren; doch Ruykhaver, omziende, vroeg op een barschen toon: „Wie waagt daar te spreken?” Beschaamd over de vrees voor hun leven, zagen zij vr zich neder, waarna Ruykhaver, den degen opstekende, van den steen stapte, toen Dirk Duyvel vr hem trad en zeide:

„Mijnheer! daar gij mijne ongerustheid verdreven hebt, blijf ik beneden: gij hebt echter de hand aan mij geslagen, dien hoon ben ik verplicht af te wischen. Ruykhaver! ik verlang genoegdoening voor mijne eer.”

„Die kunt gij nog dezen nacht van mij erlangen,” antwoordde Ruykhaver bedaard; „voor het oogenblik ben ik geen meester van mijn leven, ander zou ik dadelijk aan uwe weerspannigheid en uw zeer kwalijk passend eergevoel een einde maken.”

Op ditzelfde oogenblik klonken de tonen van een trompet door de gewelven des kloosters; de aanvoerder van het krijgsvolk scheen de zijnen terug te roepen, daarop volgde het gerucht, hetwelk een troep zwaar gewapend paardevolk maakt, wanneer het zich in beweging stelt. De grond dreunde onder de hoeven der moedige rossen, en toen men van het zich verwijderende krijgsvolk niets meer kon hooren, drong echter de fraai klinkende Spaansche marsch nog van verre uit het geboomte tot hen door, en gaf aan elk de verzekering, dat het gevaar voor dezen keer geweken was.

Van den Nyenburg vertoefde niet lang, maar bevestigde hun gevoelen. De bevelhebber had een twintig zijner ruiters, om het gebouw te doorzoeken, hetgeen deze schoorvoetende verricht hadden, daar diezelfde mannen, welke voor een tienmaal sterkere macht niet bevreesd geweest zouden zijn, schroomden om des nachts in die bouwvallen binnen te treden. De kelders en holen van het gebouw, waaruit de uilen en vledermuizen hun om de ooren vlogen, hadden zij ondoorzocht gelaten, en zich vergenoegd met de rune in onderscheiden richtingen te doorkruisen. De listige uil op den kerktoren had gestadig zijne broeders aangemoedigd hun gezang aan te heffen, en had de Spanjaarden daardoor belet het gerucht in den toren te bemerken. En der ruiters had zijn zinkroer naar den kerktoren afgeschoten; doch het was Van den Nyenburg onbekend, of zulks was veroorzaakt, doordien de Spanjaar Uilenburg gezien had, dan of het slechts geschiedde om de nachtvogels te verdrijven.

Nadat Ruykhaver dit vernomen had, gelastte hij den soldaten weder naar hunne posten terug te keeren, aan welk bevel deze dadelijk gehoorzaamden; waarna hij, zich tot de eedgenooten richtende, hen andermaal aldus aansprak:

„Het doet mij genoegen, gezellen! dat het gevaar, waarin wij geweest zijn, voorbij is; niet omdat u of mij de dood zou verschrikken; o neen! de gevaren, die wij vrijwillig te gemoet gaan, beloven aan de meeste van ons geen gemakkelijk einde, en een geheim en somber voorgevoel zegt mij zelfs, dat de voorspelling van dokter Gemma vervuld zal worden, dat het mijn lot zal zijn vermoord te worden, en niet om in een edelen strijd te vallen; maar op dit oogenblik zou mij het sterven, terwijl wij nog zooveel voor ons arm vaderland moeten doen, zeer onwelkom zijn geweest. Ik zal dan voortgaan, Mijne Heeren! om u mede te deelen, hetgeen gij weten moet. Ik zal mij niet bezighouden met het geopperde gevoelen te wederleggen, namelijk, dat Oranje geen recht heeft om van ons gehoorzaamheid te vorderen, maar slechts aanmerken, dat wij, die hem steeds nog als des Konings Stedehouder in deze oorden blijven aanmerken, alleen door hem het recht verkrijgen, om ons gewapenderhand tegen onze onderdrukkers te verzetten. De Prins heeft goedgevonden om den onder-admiraal Dolhain, dien hij in het verleden jaar had aangesteld, om hem bekende redenen af te zetten, en te doen vervangen door Gilian van Fiennes, heer van Lumbres, dien hij tot overste en kapitein-generaal der geheele vloot benoemd heeft; wij zullen dus in het vervolg van hem onze orders ontvangen, en hem in dien rang gehoorzaam. Oranje verkiest voorts, dat voortaan geene andere dan Spaansche schepen genomen of beschadigd worden; het misbruik, dat sommige scheepsvoogden van hunne lastbrieven gemaakt hebben, heeft vele klachten tegen ons doen ontstaan en is oorzaak geweest, dat de Engelsche en Fransche havens bijna voor ons zijn gesloten geworden. Uwe lastbrieven zullen u elk eerstdaags op de plaats uwer bestemming worden ter hand gesteld; gij zult dan vernemen, hoe de prins den buit wil verdeeld hebben, en al hetgeen hij goedgevonden en noodig geoordeeld heeft te bevelen. Meester Basius heeft mij tevens onderricht, dat het des prinsen vaste wil en uitdrukkelijk bevel is, dat ’s Keizers dochter, onze Koningin, op hare reis naar Spanje, met al dien eerbied worde behandeld welke wij aan de gemalin van den Koning, onzen meester, verschuldigd zijn, en dat zich niemand vermete het schip, waarop zij zich bevindt, noch een van de vloot, die haar vergezelt, aan te randen, of, onder welk voorgeven het ook zij, op te houden, zullende de lastbrief van hem, die zich aan deze daad mocht schuldig maken, dadelijk worden ingetrokken. Voor het overige, Mijne Heeren! hebt gij hier elk uw bijzonderen voorloopigen lastbrief.”

Dit zeggende, gaf hij hun elk een der verzegelde papieren over, die Van den Nyenburg hem had aangegeven, waarna hij vervolgde: „Ik verzoek er u stipt naar te gedragen, u den naam van watergeuzen, dat is van vaderlanders, waardig te maken, en de prinsen-leus, die Oranje u geschonken heeft, nimmer door onwaardige wreedheid te bezoedelen. Voor Herman en den heer Van den Nyenburg heb ik geene brieven; de eerste blijft hier om ons van dienst te zijn; de andere zal mij volgen. Wat den heer Van Doorn betreft, zoo moet ik hem eerst vragen, of hij gereed is deze oorden te verlaten, en evenals wij allen, zich voortaan alleen aan het vaderland te wijden.”

„Dat ben ik,” antwoordde deze, terwijl hij zich boog, „ik heb van die tijd, dien gij mij gelaten hebt, gebruik gemaakt om mijne zaken zoo goed mogelijk in orde te brengen; niets noopt mij meer om hier te blijven, en ik ben gereed dadelijk te vertrekken, naar welke bestemming het ook zij.” Dit zeggende dacht hij aan Anna, en een traan van droefheid ontrolde bijna zijn oog.

„Zoo mag ik het gaarne hooren, jonkman!” zeide Ruykhaver, die zijne aandoening opgemerkt had, terwijl hij hem de hand gaf: „het is een stout besluit, zich bij ons te voegen, vooral als men, zooals gij, een gemakkelijk en ongestoord leven leidt. Tot nader orde gaat gij met mij, en zal ik dan getuigen zijn van uwe wapenfeiten, ten minste zoo gij dit goedvindt.”

„Dat was juist mijn verlangen, Mijnheer!” antwoordde Van Doorn.

„Dan blijft dit zoo bepaals,” hernam Ruykhaver, en zich voorts tot de overigen wendende, vervolgde hij: „Manne! ons verblijf in deze oorden spoedt nu ten einde; wet werk, waartoe wij ons plechtig verbonden hebben, zal nu aanvangen, en terwijl ik mij zelven geluk wensch met achttien zulke brave en moedige Nederlanders voor de goede zaak aangeworven te hebben, bedank ik u voor de gehoozaamheid, die gij   bijna allen mij betoond hebt, en het vertrouwen, dat gij wel in mij hebt willen stellen. Mijn last is nu volbracht; het gezag, dat ik over u had, houdt van nu af aan op; ik ben nu uw broeder, en treed in uw midden terug om met u de orders te volgen, die ons tot heil des lands zullen gegeven worden. En ding wil ik u echter niet afstaan; het is mij zeer veel waard: uwe vriendschap namelijk, die ik u verzoek mij te schenken, gelijk de mijne door u reeds sinds lang verworven.” Hier hield hij, door zijne aandoeningen overmeesterd, op.

„Leve Ruykhaver! leve onze Vriend!” riepen de bondgenooten bijna gelijktijdig uit, terwijl zij hem de hand hartelijk schudden. „Dat hij slechts spreke, en alles wat wij hebben, is tot zijn dienst.”

„Ik dank u, Vrienden! voor de eer, die gij mij aandoet,” zeide Ruykhaver; „voor het tegenwoordige heb ik alleen uwe verzekering noodig; zij is mij genoeg.”

Hij maakte zich nu gereed om heen te gaan, wierp zijn mantel om, en gaf hun nog eens de hand; doch toen hij aan Dirk Duyvel kwam, die zich verlegen achter zijne makkers verscholen hield, zijde hij koel: „Gij gaat met mij, Mijnheer! wij hebben nog iets af te doen, eer de dag aanbreekt, slechts n van ons zal morgen het zonlicht aanschouwen; ik ben nu tot uw dienst.”

„Ruykhaver!” antwoordde deze op een neerslachtigen toon, „ik ga niet met u; vergeef mij mijne onbezonnenheid.”

„Gij doet uw woord niet gestand!” riep Ruykhaver driftig, „of houdt gij mij voor den speelbal van uwe luimen? Ga met mij naar buiten,” riep hij, zijne stem verheffende, „ik vraag u nu rekenschap van de beleedigingen, die gij mij dezen avond hebt aangedaan, of ik verklaar hier u te houden voor een onrustmaker en een lagen lafaard.”

„Dat is te veel,” zeide Dirk Duyvel, als uit den slaap ontwakende, en de hand aan de ladder slaande, wilde hij naar boven klimmen; doch hij bedacht zich, en na eenige oogenblikken stil gestaan te hebben, hield hij de hand voor zijne oogen, waarna hij, de armen over zijne borst kruisende, vervolgde:

„Ik zeg u nogmaals, Mijnheer! dat het mijn vast voornemen is om niet met u te vechten; ik beken schuld. Meer kan een edelman niet doen; zij, die mij kennen, zullen oordeelen of ik een lafaard ben; maar gij hebt gelijk, ik heb u beleedigd. Stoot toe; want ik ga niet met u naar buiten.” Dit zeggende, wierp hij zijn degen uit den draagband, en rukte zijn wambuis open.

„Wij allen,” zeide Van den Bosch, terwijl hij naar Ruykhaver toetrad, „weten, dat gij reden hebt om over Duyvel’s gedrag verstoord te zijn; maar waarom zoudt gij hem zijne dwaze oploopendheid niet vergeven? hij is u genegen, daarvan ben ik overtuigd; waarom zou hij dan uwe vriendschap ook niet waardig zijn? Wij bezweren u allen, hopman! zijn gedrag over het hoofd te zien.”

Een oogenblik scheen Ruykhaver besluiteloos te zijn, wat hij zou zeggen; doch zeker zelf vergenoegd, dat hij een voorwendsel had om den twist bi te leggen, en dus met een van zijne eigene partij niet zou behoeven te schermutselen, antwoordde hij: „Het zij dan zoo, daar hij, die mij beleedigd heeft, zijn vergrijp zelf erkent, en indien mijne vrienden er geen noodzakelijheid in zien, dat ik de rechtvaardigheid mijner zaak bewijze, zoo is het mij wel, en alles zij vergeven en vergeten. Hem, tegen wien ik den degen dacht te trekken, kan ik echter nu de hand niet geven; maar als wij elkander in het midden van het gevaar ontmoeten, en door onze vijanden omringd, te zamen hebben gestreden, dan zal hij ook de vriend van Nicolaas Ruykhaver worden.”

„Mijne plaats zal daar steeds aan uwe zijde zijn,” antwoordde Dirk Duyvel; „uwe toegevendheid nooit vergetende, zal de les, die ik dezen avond ontvangen heb, zoo ik hoop, mij leeren, mijne drift te matigen, en wanneer dan het oogenblik dr zal zijn, dat gij mij waardig keurt uw vriend te worden, zoo zult gij zeggen: Dirk Duyvel’s hoofd is slecht; maar zijn hart en zijn arm zijn daarentegen des te beter.”

Een ieder maakte zich gereed om te vertrekken, terwijl Ruykhaver, na met Van den Bosch gesproken te hebben zeide:

„Van Doorn! Herman moet, zooals hij mij zegt, u nog over een zaak onderhouden, die voor u van veel gewich is: gij behoeft dus nu niet met mij mede te gaan; maar draag zorg, zoo tijdig mogelijk, aan de Kaag te zijn, die, eer gij aan Veen komt, tegenover den Konijnswaard aan den dijk ligt.”

„Ik zal zorgen, dat ik er ben,” antwoordde deze, terwijl Ruykhaver vervolgde: „Ik moet u ook in het algemeen tot voorkoming van alle ongelukken verzoeken, Mijne Heeren! dit verblijf, wanneer gij bij toeval in deze oorden somtijds terugkwaamt, niet meer te bezoeken zonder Herman er van te onderrichten; het is mij niet geoorloofd u te ontdekken, wie deze brave Nederlander is, die met zooveel trouw en moed de grootste gevaren en ongemakken tart, zonder iets anders voor oogen te hebben dan een smadelijken dood, als hij door de Spanjaarden ontdekt wordt Indien gij echter zijn hulp mocht noodig hebben, zoo behoeft gij slechts te Gorkum in de herberg de Paradijsvogel te vragen naar Herman Hermanszoon, als wanneer de brave waard, dien gij volkomen kunt vertrouwen, u wel terecht zal wijzen; en daarmede wensch ik u allen een goede reis en veel geluk op zee.”

Dit zeggende, klom hij de ladder op, gevolgd door Van den Nyenburg, en riep hun, boven gekomen zijnde, nog zijn vaarwel toe, hetgeen zij, die hem volgden, beantwoordden, waarop zij, na alvorens Van den Bosch en Van Doorn hartelijk begroet te hebben, het gewelf verlieten.

Toen de laatste boven was gekomen, werd het luik weder dicht gedaan, en spoedig verloor zich het geluid hunner voetstappen in de verte, en maakte voor de stilte des nachts plaats.

908SR15.gif (1832 bytes)

9e hoofdstukInhoudopgave Oltmans11e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)