J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 11

Van den Bosch (l.) praat met Van Doorn (r.)

W.gif (3288 bytes)ij zijn nu alleen,” zeide Van den Bosch, de pitten in de lampen een weinig ophalende, en Van Doorn uitnoodigende, naast hem op den steen, die tot tafel gediend had, plaats te nemen.

„Gij zult zeker verwonderd geweest zijn, Jonker! over hetgeen gij dezen avond gehoord en gezien hebt. Voor mij zijn deze twisten niets ongewoons; als men lang onder hen verkeert, raakt men er aan gewoon, en wanneer men ook in aanmerking neemt, dat het meest mannen zijn, die steeds hun eigen meester zijn geweest, en zelden aan een of ander gezag onderworpen waren, zoo zal het u niet bevreemden, dat zij, nu zij de wapenen voor de vrijheid hebben opgenomen, niet genegen zijn, zich aan den minsten band te leggen, alsof de vrijheid in regeringsloosheid of derving van alle wetten en bevelen. Maar nu ter zake; want ik stel te veel belang in uwe vriendschap en achting, dan dat ik mij niet zou zuiveren van de verdenking den vader van uwe jonkvrouw vermoorde te hebben.”

„Het is nu ruim twee jaren geleden, dat ik, voor mijne zaken reizende, toevallig ooggetuige was van zijn dood. Ik had namelijk in Kuik een paar uren bij een vertrouwden vriend vertoefd en wilde tegen den middag naar den Bosch gaan, om er bij nacht langs een mij bekenden weg heimelijk binnen te geraken. Nauwelijks had ik het geboomte achter mij, waarin het dorp verscholen ligt, of ik zag drie mannen, te paard gezeten, die stapvoets kwamen aangereden. Niet zeer er op gesteld zijnde, om door deze mij onbekende personen, die ik voor Spanjaarden hield, ontdekt te worden, verborg ik mij behoedzaam, eer zij mij opgemerkt hadden, in het kreupelhout, ten einde mijn weg te vervolgen, nadat zij voorbijgereden zouden zijn. Doch aan het boschje gekomen zijnde, noodigden twee der ruiters den middensten, die een bejaard man was, in de Spaansche taal uit, van het paard te stijgen, om een weinig in het lommer van het geboomte uit te rusten, waarvan deze dadelijk gehoor gaf. Toen bonden zij hunne paarden vast en, zetten zich, een eind weegs van mij af, op het gras neder. Dit viel geheel buiten mijne gissing; de vrees echter van ontdekt te worden, deed mij stil op mijne plaats blijven, en ik luisterde uit nieuwsgierigheid en verveling naar hetgeen zij spraken, weinig denkende, dat dit de voorbereiding was tot een godvergeten schelmstuk. Naar hetgeen ik verstond, waren de twee jongsten dezer mannen den oudsten op de terugkomst van een verre en gevaarlijke reis te gemoet gereden, over welk bewijs van vriendschap hij zich zeer verheugd toonde; terwijl hij aan den eenen dikwerf het een of ander vroeg nopens zijne dochter, die hij in langen tijd niet gezien had, en die hij door zijne spoedige terugkomst hoopte te verrassen. Zoodra zij echter daarover spraken, veranderde het gezicht van den anderen Spanjaard, en trok zich in een donkere plooi. Eindelijk zeide hij, hetgeen ik zeer wel onthouden heb:

„ „Signor! het heeft mij bijzonder veel genoegen gedaan u van uwe Spaansche reis gezond te zien terugkeeren; te meer, daar alles, zooals ge ons gezegd hebt, naar uw verlangen is afgeloopen. Nu hoop ik, dat gij in dien tijd teruggekomen zijt van de gedachte, dat een huwelijk met mij Signorina Anna niet gelukkig zou maken. Mijne liefde, mijne afkomst en mijne vooruitzichten zijn u bekend, en hij, aan wien door den Hertog het bevel over de speerruiters is opgedragen, en dien hij met zijn vertrouwen vereert, is, dunkt mij, wel waardig, dat men zijn aanbod niet verwerpt”

„ „Het is zeker veel eer voor u,” hernam de andere, die zoo het scheen met tegenzin het woord opvatte; „dat Alva u met onderscheiding behandelt; het doet mij veel genoegen, daar gij het in alle opzichten waardig zijt; want ofschoon des Hertogs bestuur zelfs in Spanje wordt berispt, en ik, niettegenstaand ik zelf in dat land ben geboren, niet kan goedkeuren, hetgeen hier gedurende mijne afwezigheid op zijn bevel geschied is, zoo beschouw ik echter zijn verblijf in deze gewesten als een noodzakelijk kwaad. Doch wat uw huwelijk met mijne dochter aangaat, waarom deze snaar weder aangeroerd? Ofschoon ik uw vriend ben, en uw aanbod haar zeer vereert, zoo heb ik u reeds meermalen gezegd, dat zij u niet genegen is; zij is voor u te jong, en, vergeef het mij, uwe grondbeginselen zijn niet die, welke ik in de man van mijn eenigst kind zou wenschen aan te treffen.”

„ „Ik had u voor verstandiger aangezien, Signor!” hernam hij, die het eerst gesproken had, „en niet gedacht, dat gij u aan de zotte grillen van een kind zoudt gestoord hebben. En wat mijn gedrag aangaat,” vervolgde hij met drift, „het is altijd dat eens edelmans waardig geweest, en bij God! het verveelt mij het door uwe kleingeestige manier van denken te hooren laken; maar dit is niets. Ook zonder uwe toestemming wordt uwe dochter de mijne, en spoedig zal een bevel van Zijne Excellentie u noodzaken, mij als uw schoonzoon aan te nemen en te erkennen, dit zweer ik”

„ „Dat geschiedt nimmer,” antwoorde de oude Spanjaard, zulk een gezag heeft zelfs de Koning niet; nimmer zou ik zulk een bevel van uw meester gehoorzamen. Gij vloekt en zweert tevergeefs; uw voornemen maakt u den naam van edelman en ridder onwaardig en de verachting van alle weldenkenden zal het loon zijn voor uwe laagheid.”

„ „Gij beleedigt mij,” hernam de andere opstaande; mijne eer is onbevlekt; hij die daaraan maar het minste twijfelt, moet ophouden te leven.” Hij trok zijn degen, en viel den ouden Manilla aan, die, verwonderd over deze plotselinge woede, bijna den tijd niet had zich ter verdediging gereed te maken. Het scheen of het vuur der jeugd in hem herleefde; want een poos tijds dekte hij zich voor de hevige stooten, die zijn vijand hem toebracht, en riep, als edelman de hulp van een ander niet willende inroepen om zijn eigen leven en zijne eer te verdedigen, slechts tot den anderen Spanjaard, die angstig den uitslag van het gevecht afwachtte, en naar alle zijden uitzag of hier ook ooggetuigen waren van hetgeen er voorviel: „Indien ik val, Antonio! wreek dan mijn dood.” Zijn arm door den ouderdom van kracht beroofd, ontzeide hem eindelijk zijn dienst; het staal ontviel aan zijn hand, en zijn moordenaar, lafhartig gebruik makende van dit oogenblik, bracht hem een hevigen stoot in de borst toe, zoodat hij onder den uitroep: „O God! wees mijn arm kind genadig!” nederviel.

„Dit alles wa zoo spoedig voorgevallen, dat ik den tijd niet gehad had om te bedenken, wat ik zou doen; en toen ik zag, dat zij het op zijn leven toegelegd hadden, was hij reeds gevallen, en kon dus niet anders zijn dan mij zelven op te offeren om, ongewapend zooals ik was, te voorschijn te treden”

„Hij, die den ongelukkige nedergestooten had, veegde bedaard zijn degen af aan den mantel van den gevallenen; doch in dit oogenblik kwam deze weder bij, en zijne krachten verzamelende, richtte hij zich, op zijn arm rustende, een weinig op, hetgeen de andere, die waarschijnlijk nog te veel bewustzijn van eer had, om iemand in koelen bloede te vermoorden, niet zoodra gezien had, of hij wees met den vinger op den verslagene, terwijl hij zeide:

„ „ Komaan Signor! nu is het uwe beurt; gij moet ook in de moeite deelen, daar gij het grootste gedeelte van den buit ontvangt.” Doch daar deze niet vlug scheen te zijn om aan zijn verzoek te voldoen, haalde hij zijn degen weder een eind uit de schede, terwijl hij verstoord uitriep: „ Makk den ouden zondaar af, of houd u gereed hem te volgen.”

„De andere naderde schoorvoetende, terwijl hij zijn dolk uit de schedde trok, en stak dien, nadat hij nog een paar maal angstig in het rond had gezien, of iemand zijne handelingen ook gadesloeg, den gewonde tot drie keeren toe, van achteren op onderscheidene plaatsen tusschen de ribben; terwijl deze in zijn doodsangst en door de smart gedrongen, zich omkeerende, met strakke oogen hem aanzag, en hem zacht toeriep: „En gij ook, Antonio!” waarna hij nederviel. Eenige krampachtige trekkingen, die hierop volgde, kondigden zijn nabijzijnden dood aan, en eindelijk verroerde hij zich niet meer; want zijne ziel had zijn lichaam verlaten.”

„Dood?” riep Van Doorn uit, die dit verhaal, aandachtig luisterende en met tranen van woede en medelijden in de oogen had aangehoord; „dood dus, en vermoord door zijn vriend, door den verachtelijken Italiaan, die hem op bevel van een ander, gelijk een gehuurde bravo, van achteren doorstak, o! waarom was ik niet daarbij om den vader van mijne Anna te beschermen! – Maar,” vervolgde hij met vuur, terwijl hij opsprong, en, zijn hoofd ontblootende, zijne rechterhand vooruitstak; „bij al wat mij dierbaar is en bij de heilige Moeder Gods! zweer ik uw dood te wreken; en geen teedere band zal mij met uw dochter verbinden, voordat uwe moordenaars zijn gestraft. De Manilla! vader mijner geliefde! gij hoort mijne gelofte.”

Hier zweeg hij en na een poos in gedachten gestaan te hebben zeide hij, zich tot Van den Bosch keerende. „Maar zeg mij nog, wie de eerste aanvaller was, opdat ook hij zijn gerechte staf niet ontga: ofschoon ik reeds gissen kan, wie het geweest is.”

„Wees bedaard, jonkman!” hernam deze, „ik moet nu nog meer verhalen. Toen dit gebeurde, waren zij noch de vermoorde, mij bekend; maar door het gesprek, dat zij vervolgens hierden en door de berichten, die ik sedert dien tijd ingewonnen heb, ben ik een en ander te weten gekomen. Zij die den ouden De Manilla vermoorden, waren D’Avilar en Perea.”

„Ik heb mij dus niet bedrogen!” riep Van Doorn uit, „het was dan Perea de Henars die hem vermoordde.”

„Juist!” hernam Van den Bosch, „dezelfde Spanjaard, die dezen nacht hier was. Maar laat ons voortgaan:”

„Nadat de moord verricht, en die, naar ik uit hun gesprek kon gissen, met voorbedachtzaamheid gepleegd was, gaf Perea order aan D’Avilar, het slachtoffer van zijn geld, papieren en kosbaarheden te berooven, ten einde, zooals hij zeide, te gelooven, dat het slachtoffer door de oproerlingen vermoorde wa, en hij maakte met zijn hand en dolk een kruis op des dooden voorhoofd, gelijk de geuzen uit spotternij gewoon waren te doen; zoodat door hunne voorzorg deze moord altijd is geweten aan een hoop slecht volk, dat tot de wilde of boschgeuzen behoorde, en juist in dien tijd in deze streken veel kwaads en vele rooverijen verrichtte, en hier en daar de kerken beroofde en de beelden stormde.”

„D’Avilar vroeg nu aan Perea, of hij ook iets van de kostbaarheden voor zijn deel wilde hebben; doch deze wees zulks met verachting van de hand, zeggende: „Een Spaansch edelman wreekt zich, wanneer met hem beleedigt of zijn voornemen dwarsboomt, maar berooft niemand van het leven om zijn goed; dit mag in Itali zoo zijn, doch hier zullen we zoo niet handelen.” Dit zeggende, nam hij de kostbaarheden, bezag met oplettendheid een medaljon, dat aan een fraaien gouden ketting hing, en vervolgde: „Indien ik niet zeker wist, dat dit het afbeeldsel harer moeder is, dan zou ik gelooven, dat het de beeltenis van mijne aanstaande echtgenoote was.” Hierna begroef hij het een en ander met de punt van zijn dolk in het zand, dicht bij de plaats waar ik mij verscholen had, zoodat ik elk oogenblik in gevaar was, om ontdekt te worden, terwijl hij nog eenige dingen aan D’Avilar voorprevelde over de plichten van een edelman. De papieren, die men bij den vermoorde gevonden had, gaf hij, na ze achteloos te hebben doorgezien, aan D’Avilar; het paard van De Manilla maakte hij los, en gaf het een stoot met zijn dolk, zoodat het steigerend over de heide wegrende.

„Hierna stegen zij te paard, terwijl Perea heenreed, alsof er niets was voorgevallen; doch D’Avilar was bleek een stil, waarover zijn metgezel heb bespotte. Nadat de booswichten uit mijn oog verdwenen waren, gin ik naar den vermoorde, om te zien, of ik nog eenige teekenen van leven in hem kon bespeuren; doch het leven was maar al te zeker uit hem gewekn. Ik groef nu het geld en de kleinooden op, stak die bij mij, en verwijderde mij snel, om niet door den een of anderen gezien te worden.”

„Maar,” zei van Doorn, „hoe is het mogelijk, dat gij niet dadelijk bij het gerecht aangifte deedt van hetgeen gij gezien hadt, ten einde hen naar verdienste te doen straffen?”

„Bij het gerecht? jongeling!” antwoordde Van den Bosch bitter, „er bestond toen geen gerecht meer, dan om onschuldigen te vervolgen. Een aanklacht, die ik in dien tijd schijftelijk in het geheim deed, bleef zonder gevolg; ik zelf was toen reeds, evenals nu, niet zeker van mijn leven, en kon mij niet openlijk vertoonen.” Dit zeggende sloeg hij zijne hadn aan het hoofd.

„Zal ik dan nooit het genoegen hebben, vriend!” zeide Van Doorn, terwijl hij zijne hand op Herman’s schouders legde, „ook uw naam en uwe lotgevallen te vernemen; van u, aan wien ik zooveel te danken heb, en aan wien ik de bescherming van mijne geliefde moet opdragen, als ik vertrek? O! zeg mij, of gij, dien ik zoo onbezonnen van medeplichtigheid aan den moord van De Manilla beschuldigde, het niet zijt, die onder den naam van Boodschapper de Spanjaarden met schrik vervult.”

„Mijn naam?……” antwoordde Van den Bosch, terwijl hij om zich heen zag: „Ik heb geen naam meer; die, onder welken ik eertijds bekend was, is vogelvrij verklaard; en ofschoon ik u volkomen vertrouw, zoo kan ik u dien niet zeggen, evenmin als dien, welken mijne vijanden mij geven; de voorzichtigheid verbiedt mij zulks, zelfs hier in dit gewelf want dikwijls hebben de muren de woorden opgevangen tot verderf van den spreker. Ik ben slechts een eenvoudig burger; mijn naam heeft niets bijzonders, en zal voor het nageslacht zeker niet worden opgeteekend, tenzij het Gode behaagde mij in staat te stellen, dien door de een of andere roemruchtige daad te vereeuwigen, of, met het bloed van ’s Lands onderdrukkers in de geschiedenis te schrijven. Dat mijn gedrag steeds den Nederlander waardig was, getuigt de vriendschap, waarmede Willem van Oranje mij vereert, en dit ordeteeken, waarmede zijne hand mij beschonk.” Dit zeggende, haalde hij een verguld bedelnapje, dat aan een zilveren kettin hing, te voorschijn, en liet het Van Doorn bezichtigen, waarna hij vervolgde: „Verkiest gij echter iets van mijne lotgevallen te hooren zoo luister:

„Mijn beroep noodzaakte mij om van de eene stad naar de andere te reizen; ik had hierdoor het genoegen uw vader te Heusden te leeren kennen; hij behandelde mij altjd als zijns gelijke, ofschoon ik tot een lageren stand behoorde dan hij. Ik zag u dikwijls in uwe jeugd; vandaar de reden, dat ik u zocht over te halen, u bij de bondgenooten te voegen; want ik wenschte zeer den zoon van uw vader onder mijne vrienden te zien. Ik had mijne woonplaats in ’s Hertogenbosch; ik leefde aldaar gerust en in gezegenden overvloed, en nam in het jaar 1566 den nieuwen godsdienst aan met mijne vrouw en mijn zoon. Het volgende jaar vertoonde zich de graaf van Megen met tien vaandels voetknechten vr de stad; in dezen nood werd ik door de burgerij naar den graaf van Brederode gezonden, die toen te Antwerpen was, en nam met mijn zoon dienst onder de vrijwilligers, die onder den heer van Bombergen de stad hielpen beschermen. Dit was ons geluk. Het jaar daarna verbraken de Spanjaarden hunne belofte om de burgers va ons geloof ongemoeid te laten. Op de terugkomst van Utrecht trof mij het grootste ongeluk, dat mij overkomen kon; ik vond mijn eenigst kind in den kerker; hij werd beschuldigd van ketterij, en, omdat hij weigerde zich te bekeeren, met den strop gestraft. Ofschoon gij zelf nog Roomsch zijt, jonkman! behoef ik u niet te zeggen wat een vader gevoelt, als hij den laatsten zijns geslachts, in wien zijne eenige vreugde bestaat, naar het schavot niet sleepen. Ik ken uwe manier van denken te wel, dan dat gij niet, evenals ik, de vrijheid om God naar zijne verkiezing te dienen, aan elk mensch zoudt toekennen. Mijne vrouw bezweek uit droefheid, en in was genoodzaakt, ten einde mijn leven te redden en mijn zoon te kunnen wreken, de stad te verlaten. Ik werd ingedaagd, mijn goed verbeurd verklaard, en op mijn ouden dag alleen zijnde, werd ik van alle kanten gejaagd, evenals een wild dier, dat geen schuilplaats meer heeft om zich te verbergen. De dood van mijn zoon had den laatsten band, die mij aan Filips verbond, verbroken. Ik raakte nu bekend met den graaf Van den Berg, en maakte mij nuttig voor de verbondenen; ik onderhoud de gemeenschap tusschen Brabant en Holland, en met den prins in Duitschland, zoodat ik, de zaak van mijn land dienende, mijne eigen wraak bevorder. Voor het tegenwoordige bevind ik mij weder in den Bosch, waar ik mijne vaste woonplaats heb; mijn armoedige staat maakt, dat niemand op mij let, en mijne vervolgers schijnen, na mijne bezittingen bemachtigd te hebben, zich niet om mijn romp te bekreunen; het is De Vargas meer te doen om het geld dan om zijn geloof; en hij en Alva denken zeker niet, dat ik nu en dan met hen den zelfde stad bewoon. Juist dit, en omdat ik niet schroom mij voor hun oog te vertoonen, en somtijds met den Hertog over zaken, mijn beroep betreffende, te spreken, maakt, dat zij mij niet verdacht houden, en ik in staat ben hunne planne te ontdekken, en driewerf te verijdelen. Van hen, die dezenn avond hier waren, kent alleen Ruykhaver mijn naam. Ziedaar al hetgeen ik u voor het tegenwoordige mag en kan zeggen.”

„Indien gij het goed vindt, ben ik voornemens aan D’Avilar, die vreesachtig van gemoed is, een brief te schrijven, waarin ik hem bericht, dat ik kennis draag van hun schelmstuk, en dat, zoo hij Jonkvrouw Anna niet aan u afstaat, wij hem aan den rechter zullen overleveren, en hem aan Alva, die zelfs voor zijne landgenooten, ik moet der waardheid hulde doen, geen gemakkelijk meester is, als moordenaar van Signor De Manilla zullen bekend maken.”

„Dat is zeer goed,” antwoordde Van Doorn; „ik neem uw aanbod in dank aan; het zal mogelijk oorzaak wezen, dat hij haar ten minste nog niet dadelijk aan Perea overgeeft; indien dit echt het geval werd, reken ik op uwe hulp.”

„Gij kunt daaop vast staat maken,” hernam Van den Bosch, terwijl hij opstond; „ik ben de oorzaak, dat gij deze streken verlaat; ik reken mij dus ook verplicht in uwe afwezigheid voor haar te zorgen. Doch wij zullen gaan; er is nog iemand, die mij in de rune wacht, en gij hebt ook nog een eind weegs af te leggen, eer gij zijt waar gij wezen moet.”

Dit zeggende, ging hij naar de plaats, waar het vuur gebrand had, en stak zijne hand in de houtskolen en de asch, om te onderzoeken of alles wel uit was. Vervolgens nam hij een paar handen vol van iets, dat hij in een lederen zak aan zijn gorde droeg, en wierp het in de haardstede; waarna hij nog een handvol uit den zak halende, de voegen tusschen de zerken vol strooide tot aan den steen, die midden in het gewelf stond.

Van Doorn kon, doordien de olie bijna geheel verbrand en het in het gewelf zeer donker geworden was, niet zien wat zijn vriend verrichtte, en stond met de armen over elkander geslagen, tegen de ladder rustende, in gedachten verzonken over hetgeen hij dezen nacht gehoord had.

„Laat ons gaan,” zeide Van den Bosch, toen hij gedaan had, terwijl hij, Van Doorn zijn mantel aangevende, en hem door eene beweging van de hand uitnoodigende de ladder te bestijgen, en er bijvoegde: „Die zich hier voortaan willen warmen, moeten voorzichtig zijn, om zich niet te branden.”

Toen zij boven gekomen waren, dekte Van den Bosch het luik wederom dicht, en bedekte het met stukken puin, die van den toren waren afgevallen, zoodat men het niet zien kon, waarna zij naar buiten afklimmende in de rune kwamen. Zij droegen de ladder een eind weegs voort, en verborgen haar achter een oud stuk muur. Zij gingen nu door en over steene en struiken naar dat gedeelte, waar de kerk gestaan had, en wel naar de plaats, waar Van Doorn oordeelde, dat het koor geweest was. Hier waren nog onderscheiden overblijfselen van de graftomben der vrome ridders. Van den Bosh richtte nu zijne schreden naar een dier tomben, welke nog het best in wezen was, en ook het fraaist scheen geweest te zijn, nameljk die van Hugo van Arras, welke aan de rechterzijde van het hoogaltaar was opgericht.

De schoone toetssteen, waarvan de tombe gemaakt was, zou door de tanden des tijds niet vergaan zijn, indien de vernielende hand der menschen medegewerkt had om dit gedenkstuk te beschadigen.

De stichter van het klooster lag hier begraven; hij zelf was er levensgroot op uitgebeiteld; hij lag daar in de grootmeesterskleed der orde, terwijl hij met het hoofd op zijne wapenrusting rustte, en ofschoon het in vele opzichten, door den moedwil der menschen en door het vallen van gewelven der ker veel geleden had, zoo was het toch nog een fraai overblijfsel van de beeldhouwkunde der middeleeuwen.

Van den Bosch bleef nu met Van Doorn staan, terwijl hij zeide: „Hij, die hier begraven lag, had zieke niet gedacht, dat zijn graf zoo zou ontheiligd worden.” dit zeggende, wees hij op een gat, hetwelk onder in de tombe gebroken was, „zelfs zijn gebeente heeft men niet met rust kunnen laten, en zeker naar goud gezocht, terwijl dezen heeren alleen gedurende hun leven eer en roem zochten te vergaderen.”

Van Doorn wilde nu weder voortgaan; doch Van den Bosch hield hem bij den arm vast, zeggende: „Wij hebben hier nog wat te verrichten.” Nu knielde hij naast de tombe neder, stak zijn arm tot aan den schouder toen in het gat, dat er in gebroken was, en haalde er een pakje uit te voorschijn, dat hij aan Van Doorn gaf. „Hier hebt gij,” vervolgde hij op een deftigen toon, terwijl hij opkomt, „de goederen, die D’Avilar aan De Manilla ontroofde; het geld echter is er niet niet meer bij; door den nood gedwongen, heb ik het gebruikt.”

„Daaraan hebt gij wl gedaan, Herman!” antwoordde Van Doorn het pakje aannemende, terwijl hij hem den hand schuddende, vervolgde: „Ik dank u, vriend! gij doet mij daar een groot geschenk; het geld kon niet beter gebruikt worden dan het te bezigen tot schade van onze onderdrukkers.”

„Daar valt mij iets in,” zeide nu Van den Bosch: „bij de goederen die ik u gaf, is de dolk van den vermoorde; geef mij dien als een bewijs uwer vriendschap, en opdat het staal des vaders de dochter bescherme.”

Van Doorn voldeed dadelijk aan zijn verzoek; Van den Bosch verborg het wapentuig in zijn wambuis, en Van Doorn wilde hem juist aanspreken toen zijn gedachten plotseling door wat anders werden afgeleid. Zijne hand aan het gevest van zijn degen brengende, riep hij zacht uit: „Van den Bosch! houd u gereed! ik hoor iemand loopen in de cellen, die naast de kerk zijn.”

„Wees niet bevreesd, jonker!” antwoordde deze, ofschoon hij zijn zwaard, dat aan een draagband hing, een weinig naar voren schoof, zoodat het onder het bereik van zijne hand kwam, „het zal mijn vriend de Uil zijn, die mij wacht.”

Een oogenblik daarna trad Uilenburg ook werkelijk naar hen toe, en zeide lachende tot Van den Bosch, terwijl hij Van Doorn met de hand groette:

„Hebt gij mij kunnen hooren, toen de Spanjaarden aankwamen? een mooie gil, niet waar? geen steen- of nachtuil in de geheele wereld zal het mij verbeteren, daar verwed ik tien kannen wijn onder.”

„Wij wedden niet,” Van den Bosch, terwijl hij hem lachende de hand gaf, „de heer Van Doorn en ik houden u volgaarne voor den grootsten uil, die er tien uren in het rond is, en Ruykhaver zelf was over uw gezang voldaan en verbaasd.”

„Ik dank u wel: doch elk heeft zijne bijzondere manier van zingen, en menigmaal heb ik fraaier gezang gehoord, dat evenwel zooveel niet niet deed,” hervatte Uilenburg, terwijl zij voortgingen en een uitgang uit de puinhopen zochten; „maar als wij eenmaal, dat God geve! zoo ver komen, om met de Spanjaards in het open veld te staan, dan zal ik hun doen zien, dat de oude uil het daglicht niet vreest, en men hem met den rook van het buskruit niet verdrijven kan. En deze heer,” dit zeggende wees hij op Van Doorn, en bracht zijn rechterhand, half gesloten, voor den mond, evenals ware het een blaasinstrument geweest, „zal, zoo ik vertrouw, over het geblaas des ouden trompetters van Brro’s ruiters voldaan zijn.”

Door een sluippoortje uitgaande, verlieten zij het Monnikenhof, en klommen door de uitgedroogde gracht, die met steenen en muurbrokken gevuld was. Uilenburg bleef nu even staan, terwijl Herman met Van Doorn voortgaande, tot dezen zeide: „Hier verlaat ik u, vriend! gij kunt gerust naar boord gaan; Anna blijft hier onder mijne bescherming, ik zal zorgen, dat haar niets kwaads bejegent. Vaarwel dus, jonkman! ga, waar de eer en het lieve vaderland u roepen, indien God het zoo wil, zie ik u spoedig weder.” Dit zeggende, drukte hij Van Doorn aan zijn hart; terwijl deze hem nogmaals de zorg voor Anna aanbevelende, vaarwel zeide, de hand drukte en haastig van daar snelde.

Terwijl Van den Bosch, naar Uilenburg toegaande, met dezen den weg naar Aalburg insloeg, en zeide: „Nog duizend zulke jongelieden en Spanje’s koning is geen graaf van Holland meet,” stapte Van Doorn, nadat hij den Maasdijk beklommen had, haastig voort naar de plaats zijner bestemming, terwijl hij over de dood van De Manilla nadacht, en bij zich zelven voornam dien bloedig te wreken. Spoedig daarna ontdekte hij het doel van zijn tocht: vlak over den Konijnswaard lag een kaag tegen den dijk, en mogelijk zou hij het vaartuig door de duisternis niet gezien hebben, indien niet de mast en het touwwerk, die zich sterk tegen de lucht teekenden, hem de plaats aangewezen hadden, waar het lag. Hij klom behoedzaam van den dijk langs de glooiing naar beneden, en naderde het vaartuig, waar alles in rust gedompeld was. De Maas stroomde hier, door het eiland, dat midden in de rivier lag, beperkt, snel voorbij, en dit was zeker oorzaak dat mijn zijne aankomst niet hoorde. Toen Van Doorn echter aan den kant van de rivier kwam, en gereed stond om te roepen, begon een hond, die op het dek was, te knorren, en iemand, die tegen den mast zat, en waarschijnlijk geslapen had, want hij wreef zich de oogen uit, richtte zich op en vroeg: „Wat begeert gij?” Doch toen Van Doorn zijn naam genoemd had, haastte hij zich, om eene lange plank van het vaartuig naar den wal te schuiven, en borg die wederom weg, toen Van Doorn aan boord gestapt was. Terwijl de hond hem van alle zijden berook en zijne handen lekte, opende de man, die de wacht had, een der luiken, en wees hem onder het dek een plaats aan om zich neder te leggen, waarna hij zich weder naar zijn post begaf, waarschijnlijk niet om de wacht te houden, maar om andermaal te gaan slapen. Het gerucht, dat dit een en ander gemaakt had, was, dat van de mannen, die reeds sliepen, een paar waren wakker geworden, en zich oprichtende, trachtten te zien, wie het was, die hen in hunne rust gestoord had; doch het flauwe schijnsel der lantaren met hoornen omkleedsel, belette hun zulks, en zij waren genoodzaakt om, al brommende tegen den nieuwen geest, zich weer neder te leggen. Van Doorn, zich hieraan niet storende, wikkelde zich in zijn mantel, en legde zich, uit vrees van ook zijn buren wakker te maken, behoedzaam op het stroo neder. Hetgeen dezen nacht gebeurt was, hield hem nog eenigen tijd wakker; doch de vermoeidheid wikkelde hem weldra in een diepen en verkwikkende slaap.

908SR15.gif (1832 bytes)

10e hoofdstukInhoudopgave Oltmans12e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)