J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 12

Gezicht op de gerechtplaats (l.) en Gorichem (r.)

T.gif (3300 bytes)erwijl Van Doorn dus zijne nieuwe loopbaan intrad, en haar vervolgde met dit stoutheid en ervarenheid, welke man van zijn moed en zijne kunde met recht mocht verwachten, leefde Anna op Loevestein in stille afgetrokkenheid, en hield zich op die dagen, dat Perea haar door zijn bijzijn het leven niet tot een last maakte, onledig met het eene of andere handwerk, en begaf zich, onder het geleide van haar voogd, naar de stad om deze of gene zijner weinige kenissen te bezoeken. Het waarnemen van haren godsdienst verschafte haar veel troost, en dikwerf gaf zij haar leed te kennen aan den braven geestelijke, die haar nu en dan bezocht; doch deze vermocht haar niet te helpen, zijne macht kon niet opwegen tegen die van den Spanjaard en haar voogd; echter had zij beloofd zich tegen een gedwongen vereeniging met Perea te verzetten.

Slechts tweemaal had zij het geluk gehad, door middel van Meijer, den knecht van D’Avilar, een paar regels schrifts van Van Doorn te ontvangen, waarin hi haar van de voortduring zijner vurige liefde verzekerde, en haar tevens berichtte, dat hij gezond was, dat Ruykhaver hem steeds met onderscheiding behandelde, en dat hij zich reeds door zijne daden bij zijne broeders had doen hoogachten; doch wat is tweemaal tijding voor een meisje dat iemand bemint, die zich in het midden van een burgeroorlog, en wel een oorlog van verdelging tegen het machtige Spanje bevindt; niemand, die nu reeds bijna vier maanden van haar verwijderd was, en in wiens liefde zij dus geen troost had kunnen zoeken tegen de lastige en herhaalde aanzoeken en bedreigingen harer vervolgers.

D’Avilar had den brief van Van den Bosch ontvangen; bevreesd voor de bedreigingen daarin vervat, had hij sedert dien tijd Anna met meer toegevendheid behandeld, en het huwelijk tusschen haar en Perea van tijd tot tijd onder onderscheiden voorwendsels verschoven, hetgeen haar dikwerf aan de hevigste uitvallen van Perea had blootgesteld.

Het was in December; de najaarsstormen, die voor den winter plaats gemaakt en de boomen van hunne bladeren beroofd hadden, na op Allerheiligendag duizenden menschen door een verschrikkelijken watervloed in het ongeluk gestort te hebben, hadden gelukkig een einde genomen; de geheele natuur scheen dood te zijn, om zich naderhand met te meer luister weder te ontwikkelen, en de koude, die sinds eenige dagen begon te nijpen, was oorzaak, dat een helder vuur onder den wijden schoorsteen in het vertrek op Loevestein brandde, waarin Anna, in gedachten verzonken, aan een der vensters zat. Hare oogen weidden over den stroom, die als door de koude ineengekrompen, minder snel daarhenen vlood dan anders, en rustten op den loggen toren van Woudrichem of op de donkere gebouwen en muren van het slot van Arkel. Nu en dan echter werden hare gedachten afgeleid door het heen en weder varen der schuiten aan het veer te Gorichem, terwijl zij steeds droefgeestig gestemd werd, als haar de gerechtplaats op het eiland vr Gorichem in het oog viel, waarop in dit oogenblik onderscheiden ongelukkigen nog na hun dood in weer en wind heen en weder hingen te schommelen; terwijl groote hoopen roofvogels er van wegvlogen, als het gerammel der kettingen of der geraamten hen deed verschrikken, zich weder derwaarts begaven, of elkander den buit, hun door de vervolgzucht der menschen toegedacht betwistten.

Het kraken der deur, die nu geopend werd, deed haar hoofd omwenden, en vertoonde haar den getrouwen Meijer, die behoedzaam, om zich heen ziende, of er ook iemand in het vertrek was, de deur voorzichtig achter zich toedeed, en zijn hoofd ontblootende haar een goedenmorgen wenschte, en naar den staat harer gezondheid vroeg.

„Ik dank u, goede Meijer!” antwoordde Anna, „voor uwe belangstelling in mij; ik ben wl; alleen het verlangen naar tijding van hem, dien gij kent, maakt mij dikwijls droefgeestig; maar gij zijt te Gorkum ter markt geweest; hebt gij ook iets nieuws vernomen van de watergeuzen?”

„Zeer veel, jonkvrouw!” hervatte Meijer, „en ook wat goeds; doch hij, die het mij mededeelde, wenschte gaarne u zelve te spreken.”

„Mij?” zeide Anna, terwijl zij bij zich zelve nadacht, „Wie kan dat zijn? Van Doorn toch kan het niet wezen. – Helaas! mijn vriend,” vervolgde zij, „hij is te ver van mij verwijderd.”

„Niet zoo ver als gij denkt,” antwoordde Meijer, terwijl hij, na nogmaals rondgezien te hebben, nader naar haar toetrad, en haar met een gelaat aanziende, waarop men de vreugde kon lezen, die mij smaakte door de brenger eener goede boodschap te zijn, vervolgde: „Hij is het zelf, jonkvrouw! ik heb hem in de herberg de Paradijsvogel gezien; hij hoopt u nog dezen avond te ontmoeten, op dezelfde plaats, waar hij u de vorige maal gesproken heeft; hij heeft u veel te verhalen, en vertrouwt dus, dat gij zijne bede niet zult afslaan, en u voor het koude weder niet zult laten terughouden, hij heeft mij echter belast, u aan te raden om u dik te kleeden, opdat de avondlucht en de koude uwe gezondheid, welke hem zoo dierbaar is, niet zouden benadeelen. Om vijf uren komt hij met een schuitje hier, en wacht u aan het tunierschuurtje.”

„Ik zal komnen,” zeide Anna, verheugd over hetgeen zij gehoord had. „Hoe kan Karel daaraan twijfelen? ontvang intusschen mijn dank getrouwe vriend!” – dit zeggende, reikte hem hare zachte kleine hand toe, die Meijer voorzichtig en dankbaar in de zijne drukte, – „en daar de brenger van een goede tijding altijd een geschenk moet ontvangen, en verplicht is het aan te nemen, zoo neemt dit kleine bewijs mijner erkentelijkheid aan.” Toen zij dit zeide nam zij twee goudstukken uit de lade van een ebbenhouten kastje, dat vr haar stond, en waarin zij onderscheidene vrouwelijke benoodigdheden had, en reikte hem die toe.

Meijer drukte de hadn der schoone geefster aan zijn lippen, en het geld zorgvuldig in den zak van zijn grof wambuis verbergende zeide hij: „ik dan u, braaf meisje! god vergelde u het goede, dat gij mij doet; tegen vijf uren zal ik morgen aan de voorpoort zijn om u uit te laten.” Dit zeggende maakte hij een diepe buiging, en verliet het vertrek, even stil als hij was binnengekomen.

Daar Anna door vreugde opgetogen, moeite had om die te matigen, begaf zij zich naar hare kamer ten einde in stilte over het geluk, dat haar dezen avond te wachten stond, na te denken, en door hare in het oog vallende opgeruimdheid den loozen D’Avilar geen argwaan in te boezemen.

Een oogenblik nadat zij vertrokken was, trad Perea, gevolgd door den slotvoogd, het vertrek binnen. De eerste wierp zich in een armstoel bij het vuur neder, en verwarmde zijne hadnen, nadat hij zijn hoed in zijne handschoenen of de tafel had geworpen. Meijer, die op D’Avilar’s bevel wijn en glazen bracht, wierp twee groote blokken hout op het vuur, en verwijderde zich, waarna D’Avilar zich tegenover Perea nederzette, de glazen inschonk, Perea toedronk ne hem welkom op Loevestein heette.

Deze beantwoordde zijne beleefdheid met een buiginge en zeide: „Indien het u geene stoornis veroorzaakt, Signor Castellan! zal ik dezen dag hier blijven en op het slot vernachten. De Hertog is in den Bosch, en heeft mij met een zending naar Brussel belast, waarmede eenige dagen zullen verloopen; het is daarom, dat ik vooraf hier nog eens wenschte te zijn, om alles tot mijne huwelijksvoltrekking voor te bereiden; wan tna mijne terugkomst heb ik voorgenomen geen langer uitstel te gedoogen. Ik ben eindelijk eens wars van den verliefde te spelen bij een meisje, dat mij toch nooit zal beminnen; indien wij getrouwd zijn, zal ik haar wel gedwee maken; en als het mij maar eens gelukt dien jongen gek op, wien zij zoo verzot is, naar de andere wereld te zenden, zal zich dat alles wel schikken. Jammer maar, dat gij den geus niet hebt nedergestooten, toen hij uit het slot ontvlucht is; want hij was toen in uwe macht, en het zou hem niet gelukt zijn te ontkomne, als ik er bij geweest was.”

D’Avilar, die dit laatste als een beschuldiging tegen zijn moed beschouwde, antwoordde: „Uwe tegenwoordigheid, Signore! zou zeker veel geholpen hebben; doch of wij hem daarom meester zouden geworden zijn, weet ik niet; en wie van u in een gevecht van man tegen man de sterkste zou zijn is mij onbekend.”

„Mij niet,” antwoordde Perea met drift. „Neen, bij alle heiligen! ik moest dan voor niets in Itali den degen hebben leeren voeren; de beste kling van al de edelieden, die den Hertog omringen, zou door de hand van een Hollandsche knaap overwonnen worden! neen, dat geloof ik niet. Maar,” vervolgde hij bedaard, „laat ons den ketter daar laten, en over mijn huwelijk met Anna spreken.”

„Zij is nog zeer jong,” hernam D’Avilar, „waarom wacht gij nog niet wat? De vrouwen willen niet gedwongen worden.”

„Ik wil niet wachten,” zeide Perea, terwijl hij den beker, dien hij opgenomen had, hard op de tafel nederzette. „Of hebt gij ook gewacht om u jaarlijks vna haar inkomen meester te maken? Heb ik niet getrouw alle punten onzer overeenkomst volbracht, terwijl gij ze geschonden hebt? Gij zijt de oorzaak, dat zij van mij afkeerig is, doordien gij Van Doorn op Loevestein hebt toegelaten, in plaats van hem de poort voor den neus dicht te werpen. En waarom?” vervolgde hij verwoed, „alleen om zijn geld, alleen om nu en dan uit zijne beurs te putten, om uw laag zelfbelang; om uwe ijdele plannen te vervolgen, hebt gij mijn belang, mijn geluk en het bezit van Anna, dat mij meer waard is dan het leven, opgeofferd, mijn belang, dat zoo na aan het uwe verbonden is. Of denkt gij dwaselijk, dat Van Doorn u het gerust bezit van hare goederen zou laten, gelijk ik u beloofd heb; geloof dat niet. Gij weet, ik veracht het goud,; de eer is het eenige, dat ik op deze wereld zoek, en door den Hertog met lijf en ziel te dienen, gewordt mij die in ruime mate; mijne inkomsten zijn ruim genoeg om aan mijne beoeften te voldoen; gij kent mij verlangen, gij weet, dat alleen mijne voorspraak u het bevel over dit slot in handen laat; hoe kunt gij zoo verblind zijn om mij door uw tegenstand te tergen?”

„Indien gij, evenals ik, alles wist,” antwoordde D’Avilar, die tegen zijne redenen niet veel wist te zeggen, „zoo zoudt gij anders spreken.” Dit zeggende, haalde hij een sleutel te voorschijn en ging naar eene kast, die in de kamer stond; hieruit haalde hij tusschen eenige papieren een brief, en sloot de lade weder dicht, gaf het papier aan Perea over, en ging zwijgende weder zitten.

„Al wederom een trek van dien verdoemden Emisario,” riep Perea uit, nadat hij het papier aandachtig gelezen had, terwijl hij het vr D’Avilar op de tafel wierp, en met zijne gesloten vuist er op sloeg, dat de glazen in de hoogte sprongen, „die kerel vervolgt mij dan overal, en niet kan er gebeuren, zonder dat hij er kennis van draagt. God weet, wanneer het mij gelukken zal, hem in handen te krijgen. De bedreigingen, tegen ons in dezen brief vervat, doen mij echter van mijn ontwerp niet afzien; hij, die een misdaad begaat, ten minste zoo noemt hij onze daad, moet ook den moed hebben om het gevaar te trotseeren, en het uiterste tot behoud van zijne eer te wagen: onze standplaats is juist niet zonder gevaar; maar wij hebben te veel gedaan om terug te treden. Wat mij aangaat, ik vrees den Emisario niet; zoodra hij zich durft vertoonen, is hij verloren, en bedekte aanklachten va hem tegen ons baten hem niets, zelfs, zoo ik hoop , niet bij den Hertog. Het moet voorwaar een heele kerel zijn, om Perea de Henares, den gunsteling van Alva, aan te klagen of voor het gerecht te roepen. Men kan u niets doen, zonder mij tevens aan te randen; wees gerust; geene rechtbank zal het hart hebben mij op den grond van een duistere, ongestaafde beschuldiging voor zich te doen komen. De Vargas, ofschoon in het geheim mijn vijand, is te verstandig om niet te gevoelen, dat ik hem met n woord het vertrouwen van Alva kan ontnemen; te lafhartig op mij openlijk te benadeelen, doet hij zich als mij vriend voor; hij weet, dat hij mij noodig heeft, en zal Perea niet durven verlaten, als deze zijne bemiddeling inroept.”

Nadat hij dit tot geruststelling van D’Avilar gezegd had, bewaarde Perea een oogenblik het stilzwijgen en vervolgde toen: „Ik heb nu zekere berichten ingewonnen, dan Van Doorn onder Ruyhaver dient en dat zij het zijn, die, met nog eenige andere schuimers het marktschip van ’s Hertogenbosch op Antwerpen bemachtigd, en den rijken buit gedeeld hebben. Het schip van Ruykhaver is onlangs slaags geweest met een groote Spaansche galei, en is deerlijk gehavend, zoodat men denkt, dat het vooral met het tegenwoordige stormachtige weder, geen zee zal kunnen bouwen. Ik heb dus hoop den een of ander van de roofschip aan den wal aan te treffe, en mijne orders zijn reeds gegeven om hen op te sporen en gevangen te nemen. In dit gevecht moet Van Doorn, die als een bezetene gevochten heeft, en reeds op de galei is overgesprongen geweest, gekwetst geworden zijn. God geve dat het erg zij, en wij dus van hem verlost worden; ofschoon het mij aangenamer zou zijn mij door mijne eigen handen van dien gehaten medeminaar te ontslaan.”

„Wat zijn vriend aangaat, ik ben hem op het spoor geweest, en indien ik mij niet door mijns onderbevelhebbers redenen had laten afhangen van mijn voornemen, dan had ik hem, Ruykhaver, Van Doorn en het geheele muiterrot vernield. Luister,” vervolgde hij, nadat hij gedronken had: „Ik heb u, zoo ik geloof, verhaald, dat mijn onderzoek naar de plaats, waar Ruykhaver, nu drie maanden geleden, zijne bijeenkomsten hield, tevergeefs is geweest, en ook dat ik toen vermoedde, dat zij somtijds ook in het Monnikenhof bijeenkwamen.”

„Dat hebt gij mij, eenigen tijd geleden, verhaald,” zeide D’Avilar, die aandachtig toeluisterde.

„ Nu,” voer Perea driftig voort, „zij zijn daar geweest, en ik ben door de betekenis van een gevangengenomen oproerling, die eergisteren in den Bosch gerecht is, te weten gekomen, dat juist in denzelfden nacht, toen ik er geweest ben, Ruykhaver, de Emisario en een menigte anderen van de geuzen in het Monnikenhof verzameld waren; ik heb het dus in mijne macht gehad hen te vatten; en hetzelfde nachtvogelgeschreeuw, dat aan mijne onderhoorigen voorkwam als een bewijs, dat er geene menschen in het gebouw waren, was een sein voor hen om zich voor mij te wachten. Alles loopt mij dus tegen, en al mijne pogingen om hen te vatten zijn tevergeefs geweest.”

„Gij moet aan de betekenis van dien muiter zooveel gewicht niet hechten,” zeide D’Avilar, terwijl hij de glazen wederom vol schonk en het vuur wat oprakelde. „De smart der pijniging en de hoop op genade hebben hem zeker een leugen doen uitdenken om zijn leven te rekken; uwe lieden hebben immers de steenbrokken doorzocht; men zou hen dus zeker gevonden hebben, indien zij er geweest waren; hun getal was te groot om zich te kunnen verbergen”

„Gij vergist u,” hervatte Perea, „ik weet maar al te zeker, dat zij er geweest zijn; ik heb heden morgen vroeg het hof zelf doorzocht, en ben in het gewelf geweest, waar zij bijeengeweest zijn. Het vertoonde nog al de sporen van hun verblijf; de grond was bedekt met glazen en brokken van wijnkannen; zij hebben lustig huisgehouden; de pitten zaten nog in de steenen armblakers, die aan de muren zijn; in n woord, men kon geen geheimer plaats vinden, om ongestraft tegen onzen meester samen te spannen, en zij zijn bij elkander gekomen in een gewelf, dat zeker door de kettersche Tempeliers is gebruikt  geworden tot het houden van hunne geheime bijeenkomsten en rechtspraken, of wel om hunne godlasterende gezangen en afgodische plechtigheden te verrichten. Ik heb aan de ruiters, die mij vergezelden, bevolen er te blijven en alle sluiphoeken van dat oude nest te doorzoeken, ten einde te zien of men er niets anders nopens de ruiters in vinden kon, en heb aan Cherini, die hen aanvoert, gelast, mij morgen in Wijk te wachten. Doch hiervan genoeg; gij kent nu mijn verlangen, en gij weet dat ik mijn huwelijk, onder welk voorwendsel ook, niet langer verkies uit te stellen; het zou mij nu veel genoegen geven de fiere schoonheid te zien, die mij herwaarts heeft doen komen. Wees zoo goed uwe pleegdochter te roepen.”

D’Avilar voldeed dadelijk aan zijn verlangen, dat voor hem zoo goed was als een bevel, en haastte zich het vertrek te verlaten, doch toen Perea’s oog hem niet meer in bedwang hield, spoedde hij zich zoo hard niet meer. De vrees voor straf had zich van hem meester gemaakt, sedert hij den bewusten brief ontvangen had, en vervulde de plaats van waar berouw over zijne misdaad.

Even slecht als Perea, bezat hij noch diens sterkte van karakter noch diens moed; en al wat deze gezegd had, om hem het hart onder den riem te binden, was niet in staat, om zijn angst te overwinnen; en aan den Emisario een onbegrensde macht toekennende, was hij bij zich zelven overtuigd, dat deze, al was hij dan niet in staat hem openlijk aan te vallen, echter de macht bezat, om zijne bedreigingen gestand te doen. Terwijl Perea dus alleen bevreesd was voor het behoud van zijne eer, omdat hij in zich zelven de krachten gevoelde, om zijn eigen persoon te beschermen, pijnigde D’Avilar nog daarenboven de vrees voor zijn leven, dewijl deze overtuigd was van zijn eigen lafhartigheid; ja diezelfde man, welke geloofde berouw te gevoelen over zijne misdaad, en schoorvoetende vertrok om De Manilla’s dochter te halen, ten einde haar opnieuw aan Perea’s herhaalde aanzoek bloot te stellen, zou toch in staat  geweest zijn om in ditzelfde oogenblik het hem toevertrouwde meisje op te offeren, ja zelfs een tweeden moord te helpen begaan, iniden hij slechts daardoor de zekerheid had verworven, dan zijne misdaad niet ware ontdekt geworden.

Perea maakte van dat oogenblik gebruik om zijne kleeding wat in orde te brengen; hij trad naar een Venetiaanschen spiegel, die in het vertrek hing, schikte zijn mantel en Spaansche kraag, welke door het paardrijden verschoven ware, terecht, en haalde de riddelorde van Calatrava, die hij droeg, uit zijn wambuis te voorschijn; zijne zwarte knevels rolde hij om zijn vingers, streek ze fier in de hoogte, en hoopte dat Anna ten minste voor ditmaal aan zijn vurig verlangen toegeven of voor zijn vasten wil buigen zou.

D’Avilar trad nu, gevolgd door Anna, binnen en zeide tot haar: „Signor Perea heeft zijn verlang te kennen gegeven u te zien, alvorens hij zich voor den dienst des Hertogs een dag of wat van hier verwijdert.”

Perea beantwoordde haar koelen groet beleefdelijk, en trad naar haar toe, waarna hij Anna de hand kuste, die vast hield, en haar naar hare gewone zitplaats leidde met een hoofsche deftigheid, welke hem zeer goed afging, terwijl hij zeide: „Dit is mijn verzoek, Signorita! uw nederige dienaar wenscht u vr zijn vertrek te zien, en u van zijne liefde en achting te verzekeren, daar hij hoopt, dat gij in zijn verlangen deelt, en Lorenzo u niet geheel onverschillig is.”

Anna, die steeds met angst in zijne tegenwoordigheid verscheen, was zeer bleek; van hare vorige opgeruimdheid was geen spoor meer te vinden, en hare oogen voor de vurige blikken van Perea nederslaande, zag zij voor zich neder; doch als het ware door de nabijheid van Van Doorn gesterkt, gevoelde zij den moed haren vijand het hoofd te bieden, en haar hoofd oprichtende, antwoordde zij fier: „Dewijl ik sinds eenigen tijd op dit slot behandeld wordt als iemand die geen wil meer heeft, ben ik hier gekomen op uw bevel, maar niet uit eigen verkiezing, uwe liefde en achting begeer ik niet.” Doch door Perea’s donkeren blik gewaarschuwd, dat zij te ver ging, vervolgde zij eenigszins vriendelijker: „Maar hiet is mij geenszins hetzelfde, mijnheer! of gij hier blijft, of voor eenigen tijd vertrekt.”

De droefheid of het gekwetste eergevoel, dat den blos van Anna’s wangen had doen verdwijnen, deed haar in Perea’s oogen nog schooner zijn dan anders, en gaf haar meer overeenkomst met de vrouwen uit zijn geboorteland. Verrukt over hare laatste woorden, waarvan hij, door zijn liefde tot haar verblind, de rechte bedoeling niet begrepen had, zeide hij, terwijl hij hare hand weder opnam: „Dan zal het u ook niet verwonderen, beminnelijk meisje! dat ik in dit oogenblik het aanzoek om uwe hand herhaal.”

Doch Anna trok hare hand terug, en terwijl haar gelaat een zekere droefgeestigheid aannam, antwoordde zij: „Gij valt mij altijd lastig, Signor Perea! in plaats van het schenken van mijne hand aan mij zelve over te laten; ik ben nog te jong om aan het huwelijk te denken.”

„Dit antwoord geven de meisjes zelden,” zeide Perea spottend, terwijl zijn argwaan weder boven kwam, „wanneer de bruidegom van hare keuze is; maar dit is hier het geval niet, mogelijk, dat de eerzame jonkvrouw zich nog niet vleit met een huwelijk met dien watergeus, dien ik hier wel eens heb aangetroffen.”

„Ik vlei mij met niets,” antwoordde Anna. „Mijn goede vader,” vervolgde zij treurig, „die thans bij God is, heeft u immers dikwerf gezegd, dat hij mij niet voor u bestemde.”

„Dat was vr zijn ongelukkig vertrek,” hervatte Perea, die door het noemen van zijns slachtoffers naam in het geheel niet ontsteld was; terwijl D’Avilar, die moeite had zijn angst te beteugelen, zich naar het venster wendde en gedachteloos naar buiten zag toen hij Perea koel hoorde vervolgen: „en ik vertrouw, Anna! dat, indien gij zoo gelukkig geweest waart zijne laatste woorden te hooren, hij u nog stervende bevolen hebben, mij te trouwen, en mij belast hebben met de zorg voor uw geluk. Hoe kunt gij iemand der muiters, die den braven De Manilla vermoord hebben, verkiezen boven mij, die steeds zijn vriend was, en even zulk een getrouw echtgenoot als gehoorzaam onderdaan zijn zal!”

„Indien gij het tijdstip niet wilt afwachten, waarop het mij goed zal dunken mijne hand weg te schenken,” zeide Anna, terwijl zij de tranen uit de oogen wischte, die de naam haars vaders daarin had doen opwellen, „zoo is dat mijne schuld niet; voor  het tegenwoordige verklaar ik stellig, dat ik u niet tot man begeer.” Dit zeggende stond zij op, met voornemen om zich te verwijderen.

„Uw voogd,” antwoordde Perea, „Signor D’Avilar, die door uw vader met het gezag over u bedeeld is, en diens gezag in handen heeft, heeft mij echter uwe hand toegezegd, schoone wederspannige! en ik hoop nog deze maand uw gelukkige echtgenoot te worden.”

„Gij bedriegt u,” hernam Anna, terwijl zij op een trotschen tootn aan D’Avilar vroeg: „Wie heeft u de macht gegeven op mij te dwingen? Ik zeg u, dat ik niet voornemens ben mijne vrijheid op te offeren aan het belang van twee menschen, die ik veracht.” Dit zeggende, wilde zij het vertrek verlaten; doch Perea, door den tegenstand verwoed, weerhield haar, en noodzaakte haar weder te gaan zitten.

In dit oogenblik deed zich een trompet aan de overzijde van de Maas hooren; de tonen waren zwak, doch zuiver, en deze bijna niet hoorbaar over het water rollende, klonken droevig, en evenals de laatste woorden eens stervenden. D’Avila, over dit vreemd geval verwonderd, nam deze gelegenheid waar om zich te verwijderen, en verliet het vertrek, terwijl Perea, die met aandacht geluisterd had, hem nariep: „Deze tonen komen mij bekend voor, maar Pedrillo is het niet; want die blaast met meer kracht.”

Perea zette zich nu op een stoel tegenover Anna neder, zoodat zij zich niet verwijderen kon, en zeide op een koelen, schijnbaar bedaarden toon: „Jonkvrouw! Perea, dien gij hier vr u ziet, heeft vast voorgenomen u te bezitten; niets kan u dus aan zijne macht ontrekken; de dood alleen kan hem verhinderen, zijn doel te bereiken. Alleen de hevige liefde, die ik voor u gevoel, is de oorzaak, dat ik u de eer aandeed om uwe hand te verzoeken; wees echter bedacht dat de tijd mogelijk niet ver af is, dat ik, na u uit mijne armen te hebben verstooten, u aan mijne voeten zie smeeken om datgene, wat gij nu dwaselijk verwerpt; want evenzoo onverbiddelijk als gij nu zijt, zal ik dan zijn. Tevergeefs zult gij mij  dan trachten over te halen, om u met mijne hadn uwe eer weder te geven; en is het te verwonderen? Gij, de eerste vrouw, die ik tot mij heb willen verheffen, gij verstoot mij, omdat gij een knaap bemint, dien gij juist door uwe liefde opoffert; wan ik zweer op mijne eer, en bij al wat heilig is, hem te vernielen; ja, in het punt, waarin zich uwe liefde en al uwe gedachten vereenigen, zal ik u treffen, en voordat ik dezen eed volbracht heb, zal ik mij niet zuiveren van mijnen zonden.”

Anna verschrikte hevig over zijne woorden; zij kende den man, die tot haar sprak, en sidderde bij de gedachte dat de wreedaard mogelijk nog dienzelfden dag, zijn voornemen zou ten uitvoer brengen, en even zoozeer wenschende, dat Van Doorn ver van Loevestein mocht verwijderd zij, als zij te voren verheugd geweest was over zijne nabijheid, verborg zij haar gelaat in hare handen, en gaf aan hare tranen den vrijen loop.

D’Avilar trad nu binnen, gevolgd door een Spaanschen krijgsknecht, dien men aan zijne kleeding en aan de voer den schouder hangende zilveren trompet, waarvan het vaantje ’s Konings wapen, met kleuren op zijde gestikt, droeg, voor een trompetter herkende. Hij scheen hard gereden te hebben; zijne sporen waren bebloed door het aansporen van zijn paard; en zijne haren hingen, door het zweet doortrokken, glad langs zijn hoofd neder.

„Wat voort u herwaarts? Pedrillo!” vroeg Prea barsch, zoodra hij dezen in het oog kreeg; doch nadat hij hem een weinig oplettender had geslagen, vervolgde hij: „Bij mijne eer! gij brengt weder een jobstijding; toen gij uit de Peel kwaamt, vertoondet gij u ook zoo voor mij!”

De Spanjaard nam dadelijk, niettegenstaande zijne vermoeidheid, een krijgshaftige houding aan, toen hij de stem van zijn bevelhebber hoorde, en bracht de hand aan den rand van zijn helm. „Uwe getrouwe soldaten zijn allen dood, Signor Capitan!” antwoordde hij, „ik ben de eenige, die nog overig is van hen, die u dezen morgen vergezelden.”

„Wat is er dan gebeurd?” vroeg Perea driftig, terwijl hij opsprong, „ik hoop, dat zij met roem gebleven zijn.”

„Ook dat niet,” hernam de andere, terwijl hij met zijne hand het zweet en het stof van zijn aangezicht veegde, en een traan afwiste, dien hem het lot van zijne spitsbroeders afperste. „Gij waart nauwelijks vertrokken, of Cherini doorzocht op uw last een gedeelte van het klooster; doch vruchteloos, wij vonden niets; en daar hij oordeelde, dat met den geheelen dag not tijd had om het overige oplettend te doorzoeken, besloot hij zijne manschappen eerst eenige rust te gunnen, te meer daar zij, zooals u bekend is, des morgens waren opgezeten zonder iets genuttigd te hebben.”

„Ter zake,” zeide Perea, die onstuimig heen en weder stapte.

„Het was noodzakelijk u dit te zeggen, Signor!” zeide de andere, waarna hij vervolgde: „Hij gelastte de  paarden in een gewelf te brengen, waar zij voor den wind beschut waren, en men deelde op zijn bevel een gedeelte van het medegenomen voeder aan hen uit. Daarna begaven wij ons allen in het gewelf, dat wij ontdekt hadden, toen gij nog bij ons waart, en terwijl hij mij naar Wijk zond, om brood, bier en wijn te laten brengen, liet ik hen achter, zich onledig houdende met hout bij elkander sprokkelen, ten einde het vochtige vertrek te verwarmen, en zich door een goed vuur tegen de koude te beveiligen. Ik was echter pas te Wijk gekomen, of een uitbarsting, als van een mijn , deed den grond daveren, en vervulde mij met schrik. Ik haastte mij dus, om, gevolgd door eenige inwoners van het dorp, naar het klooster terug te gaan, daar ik reeds voor het een of ander ongeluk beducht was.”

„Maar wie beschrijft u mijn angst, toen ik, uit het hout te voorschijn komende, den grooten ronden toren waarin ik mijne spitsbroeders verlaten had, niet meer vond; alleen een hoop steenen en muurblokken was er van over. De geheele rune had veel geleden op onderscheidene plaatsen waren de gewelven ingestort; ook eenige paarden waren omgekomen; maar van mijne makkers vond ik niemand in leven. Een, die op schildwacht had gestaan, was door het vallen van een pilaar omgekomen; hij was op zijn post met de wapemen in den arm gestorven, en van de overigen vond ik niet dan verspreide, bebloede en van elkander gescheurde ledematen en eenige wapenen. Zij waren allen dood, en alleen de rook, die tusschen de steenen uit opsteeg, duidde de plaats aan, waar zij het vuur aangemaakt hadden; de oorzaak van het ongeluk bleef mij onbekend. Ik liet de paarden dadelijk naar Wijk brengen, en na bevel gegeven te hebben den toren opn te graven, om te zien of men ook nog iemand zou kunnen redden, wierp ik mij in den zadel, om u dit ongeluk te berichten. Mijn arm ros is echter, toen ik Giessen door was, onder mij bezweken; ik ben te voet hier aangekomen en wacht uwe bevelen.”

„Het is genoeg,” zeide Perea somber, terwijl hij Pedrillo te kennen gaf, dat hij vertrekken kon om uit te rusten. Deze boog en verwijderde zich; toen vervolgde Perea: „Het is jammer van mijne ruiters; de Koning en de Hertog verliezen in hen eenige dappere mannen; zij waren een beteren dood waardig. De eene helft van mijn standaard verloor ik in de Peel, de andere helft rust met het veldteeken onder de puinhoopen van de Monnikenhof, en van honderd goed gekleede, gewapende en welbereden ruiters, blijven alleen Pedrillo en nog eenige weinige anderen over; alles loopt mij tegen, zelfs als ik hun sluiphoeken ontdek, zijn zij nog gevaarlijk. Verdoemenis over hem, die mij dit ongeluk heeft toegebracht! Ver behoeven wij echter niet te zoeken, wie hij is,” vervolgde hij, woest lachende, „het is zeker die verdoemde Emisario, die spion, welke dan onder dezen, dan onder genen naam rondzwerft, en zich in allerlei kleeding vermomt; in n woord, de vriend van den minnaar dezer jonkvrouw, mijne aanstaande gemalin.” Dit zeggende bleef hij voor Anna staan, en zag haar met dreigende blikken aan.

„Het verstrekt mij tot genoegen,” antwoordde Anna koel, „dat gij zelf verklaart, dat Van Doorn’s vrienden u in loosheid overtreffen; het is dus te bezien, of gij op den duur de sterkste zijn zult.”

„O verblijd u niet met een ijdele hoop, schoone vrouw!” hervatte Perea, schamper lachende, „zij mogen voor een oogenblik mijne gerechte wraak ontgaan; maar op het eind zal ik hun het masker afrukken, en zij zullen voor Alva’s macht moeten bukken; voor het tegenwoordige spijt het mij, dat ik niet langer van uw beminnelijke gezelschap kan gebruik maken; ik moet zelf naar Wijk om alles in oogenschouw te nemen. Om echter te toonen, dat ik u uw gedraf tegen mij vergeef, zoo zie hier een ring, dien ik u had toegedacht, en dien ik voor u heb laten maken. Gij zijt de eenige, die mij straffeloos kunt beleedigen; maar ik bid u in het vervolg van die voorrecht geen misbruik meer te maken.” Dit zeggende, haalde hij een kostbaren ring te voorschijn, en wilde haar dien aan den vinger steken; doch zij haalde hare hand, die hij opgenomen had, schielijk terug en zeide: „Mijnheer! ik verlang uw geschenk niet; uw haat of uwe vriendschap is mij onverschillig.”

„Ook wanneer ik u zeide,” hernam Perea met vuur, en als hoopte hij haar door zijne beweegredenen over te halen, „dat ik met dezen ring u op mijne eer de eerste bede toestad, welke gij mij doen zult, uitgezonderd het afzien van uwe hand, ja! al ware het zelfs het leven en de vrijheid van Van Doorn?”

„Ook dan niet,” antwoordde Anna, zonder zich te bedenken; „want hij zou het leven niet begeren tot dien prijs.”

„Anna!” riep Perea, „Van Doorn moge u het offer van zijn leven brengen; maar ik, ik heb meer gedaan; de hoop op uw bezit heeft mij mijne eer in de weegschaal doen stellen, en alleen mijn dood kan u uit mijne macht redden. Gij die mij dierbaarder waart dan ooit eenige andere vrouw, verstoot mij, nat hetgeen ik gedaan, heb om u verkrijgen; doch uw wederstand baat u niets, ik geef den ring aan uw voogd.” Dit zeggende, gaf hij het kleinnood aan D’Avilar, die het dadelijk bij zich stak, en Perea, die zijn hoed en zijne handschoenen opnam, vervolgde: „Of gij hem neemt, of uw voogd, is mij hetzelfde; van dit oogenblik af aan, reken ik u aan mij verbonden, en verwacht van hem, dat ik bij mijne terugkomst alles gereed vind tot mijn huwelijk; want mijne liefde duldt geen uitstel meer.” Dit zeggende, boog hij zich, en verliet het vertrek met D’Avilar, welke verheugd was den gast te zien vertrekken, die als heer op Loevestein gebood, terwijl hij Anna, in droefheid gedompeld, achterliet.

908SR15.gif (1832 bytes)

11e hoofdstukInhoudopgave Oltmans13e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)