J.F. Oltmans (1806 – 1854)

SLOT LOEVESTEIN

DEEL I – HOOFDSTUK 13

Anna verlaat Loevestein voor een ontmoeting met Van Doorn

H.gif (3137 bytes)et was vijf uren, en Anna door Perea’s vertrek nopens Van Doorn’s komst gerustgesteld, trad, in een zwart zijden regenkleed gewikkeld, voorzichtig over de brug van Loevestein, terwijl de gure wind, die over de rivier woei, haar niet afschrikte om haren geliefde te gemoet te treden. De getrouwe Meijer wachtte haar reeds op het voorhof, waar alles stil was, terwijl de weinige soldaten, die de bezetting van het slot uitmaakten, door de koude bij hunne haardstede gezeten waren, en tenminste den tijd niet vervroegden, op welken eenigen hunner op hunne beurt de muren, gedurende den nacht, moesten bewaken.

Dit uur was echter nog ver af, daar het slot door zijne sterke ligging en dubbele grachten, zelfs bij den avond, niets te vreezen had van hen, die het in den zin mochten krijgen dit gewichtige punt te bemachtigen.

Op Meijer’s vraag of hij haar zou vergezellen, antwoordde zij ontkennend, daar zij liever alleen verkoos te gaan dan een ander in gevaar te brengen, en zij zelfs besloten had, om, indien het zijn kon, nog dezen avond Loevestein voor altijd te verlaten.

Nadat Meijer haar verzocht had, niet te lang weg te blijven, en haar beloofd had, om haar, zoodra zij aan het poortje klopte, weder in te laten, verwijderde zij zich, en spoedde zich haastig naar de plaats van hare bestemming, terwijl Meijer het poortje voorzichtig toesloot, en zich van daar begaf, uit het raampje van zijn klein verblijf, dat naast den ingang was, naar buiten zag, en het oogenblijk afwachtte, dat zij zou terugkomen.

Terwijl Anna dus met Van Doorn eenige oogenblikken gerust dacht te spreken, en van hem, volgens hetgeen hij haar in zijne brieven beloofd had, iets naders betrekkelijk den dood van haar geliefden vader hoopte te venemen, had de looze Brigitta, die Anna niet genegen, en door Perea’s goud omgekocht was, hare gangen bespied. De vrees echter van ontdekt te worden, had haar teruggehouden hare meesteres verder dan de binnenplaats te volgen, en haar belet te zien, hoe deze het voorhof verlaten had. Het oude, looze wijf, weldra gissende, dat iemand, die in zulk een weder naar buiten ging, zekere eene of andere gewichtige reden moest hebben, spoedde zich om D’Avilar, die in zijn vertrek zat na te denken over hetgeen dezen morgen was voorgevallen, van hare waarneming kennis te geven.

Dez was verwonderd over hetgeen hij hoorde; de reden van Anna’s uitgang kon hij echter niet gissen; van Van Doorn’s komst te Gorichem wist hij niets. Hij begaf zich dus dadelijk naar Anna’s kamer, maar vond haar niet, en de oude kon dus wel gelijk hebben. Beducht voor Perea’s woede, indien hij hem bij zijne terugkomst zijn offer niet kon overleven, begaf hij zich dadelijk naar de wachtkamer in het voorhof, en gaf bevel aan zes zijner onderhoorigen, hunne zwaarden aan te gorden terwijl hij hun gelastte, hunne musketten achter te laten, om door het vuur hunner lonten niet verraden te worden. De Anspessado, die over de soldaten het bevel voerde, scheen, niettegenstaande hij onder D’Avilar stond, niet genegen, om mede te gaan; en de slotvoogd, ofschoon hij hem uit hoofde van zijne beproefde dapperheid, gaarne zou medegenomen hebben, durfde, uit vrees voor een weigering, hem zulks niet verzoeken.

Gelijk een tijger, die vreest, door zijne voetstappen, het onschuldig hert, dat hij denkt te bespringen, te verschrikken, zoo gelastte D’Avilar aan de zijnen, om voorzichtig op den harden grond te loopen, en geen onnoodig geraas te maken. „Soldaten!” vervolgde hij, „hij, die in dit oogenblik dezen grond met zijne tegenwoordigheid bezoedelt, is naar alle gedachten geus, die eenige maanden geleden, twee uwer makkers vermoordde; de wraak wacht u, weest dus voorzichtig, dat hij ook dezen keer niet ontsnappe.” Dit zeggende, trok hij zijn rapier, voelde of zijn dolk los in de scheede stak, en trad, gevolgd door de zijnen, de poort uit, terwijl de overige soldaten hen voorzichtig uitlieten.

Toen Meijer hen in de duisternis gewaar werd, waren zij reeds een goed eind weegs gevorderd, terwijl hij hem voorzichtig zaf voortsluipen. Hoe gaarne hij ook zijne jonge gebiedster wilde helpen, hij kon het niet; een zinkroer, dat hij bezat, zou hem hebben kunnen dienen, om haar te waarschuwen, doch kruit kon hij in zijne ontroering niet vinden.

Dit middel om haar van het gevaar te verwittigen, dat haar bedreigde, was dus onuitvoerbaar, hij beproefde echter al wat in zijne macht stond, en, floot herhaalde keeren schel voor het geopende venstertje; doch de wind maakte ook dit middel krachteloos, en de jongelieden, geheel vervuld van het geluk elkander te zien, hoorde de zwakke tonen van hun wachter niet. De soldaten op het voorhof vernamen die echter maar al te goed, en Meijer, die bemerkte, dat zij vloekende naar de oorzaak van het gerucht onderzoek deden, sloot het venster dicht, en wierp zich bedroefd over zijne vergeefsche pogingen op zijne krib neder.

Een oogenblik daarna verkondigde een luid gejuich buiten den muur, naar den kant van de Waal, dat D’Avilar zijn voornemen gelukkig had volvoerd, terwijl de in het slot achtergeblevenen hunne degens wederom opstaken, vloekende, dat zij op D’Avilars bevel geen deel hadden kunnen nemen aan de overwinning hunner makkers. De stem van den slotvoogd, die op een hoogen toon gebood hem de poort te openen, maake hieraan een einde, en terwijl men op zijn bevel een paar fakkels ontstak, zagen zij hem binnenkomen, De Manilla’s dochter bij den arm vasthoudende. Ofschoon deze op een anderen tijd beschaamd zou geweest zijn, om aldus door eenige soldaten betrapt te worden in het gezelschap van een jonkman, zag zij onbevreesd om zich heen, zoodat D’Avilar zelf haar blik niet verdragen kon. Een hevige aandoening was op haar bleek gelaat te lezen, wanneer zij Van Doorn omzag, die achter haar ging en ondersteund werd door twee soldaten. Een der krijgsknechten, die geen teeken van leven meer gaf, werd door de overige gedragen en door zijne spitsbroeders met droefheid ontvangen.

„Dat men terstond den kerker onder aan de gracht opene, om er den geus in te werpen,” riep D’Avilar, waarop zich dadelijk twee soldaten verwijderden, om zijne bevelen ten uitvoer te brengen.

De twee Spanjaarden, die Van Doorn ondersteund hadden, zette hem om een steen tegen den muur neder, vertrouwende, dat zijne zwakte hem zou verhinderen op te staan; doch op de gedachte, dat hij gevangen was, voelde hij zijne krachten herleven en wilde opstaan; ten einde D’Avilar opnieuw aan te vallen, terwijl hij iets zocht in het oog te krijgen, waarmede hij zijn vijand zou kunnen verslaan. Maar deze, zijn voornemen gissende, schreeuwde: „Bindt den wederspannige op den Leeuwensteen vast.” Dit zeggende, wees hij met zijne hand op een groote blauwe zerk, die in het midden van den voorhof tegenover de brug lag. Op dezen steen was een leeuw ingehouwen, waaronder men duidelijk met Gotische letterds het woord den Lowensteyne lezen kon, en waarin een groote ijzeren ring was vastgegoten. Ondanks zijne tegensparteling, werd Van Doorn ern naar toegesleept en vastgebonden.De steen werd weldra met zijn bloed bedekt; want behalve de nieuwe wonden die hij ontvangen had, waren de oude weer opengegaan; anders zouden zijne bespringers hem zijne Anna mogelijk niet ontroofd hebben.

Toen Anna hem op die plaats der verachting zag vastgebonden, kon zij hare aandoening niet meer bedwingen; want op deze steen, naar welken velen meenden dat het slot zijn naam ontvangen had, was de rampzalige Goosewijn de Wilde onthalsd, en hij was sinds onheugelijke jaren gebruikt tot de plaats, waar de terechtstellingen verricht werden, dien in deze grondvesting, dikwijls als staatsgevangenis, gebruikt, geschied waren. Zij rukte zich van D’Avilar los en wierp zich naast Van Doorn neder, terwijl deze, als had hij naar hare konmst slechts gewacht om het leven vaarwel te zeggen, zacht: „Mijne Ann!” stamelde, het hoofd liet zakken, en in zijn bloed zou nedergevallen zijn, indien zij hem niet in hare armen opgevangen had.

Midden in het voorhof lag Van Doorn als dood in de armen van Anna, die men eerder voor een marmeren beeld, de droefheid voorstellende, zou gehouden habben dan voor het opgeruimde meisje, dat vroeger ieder door hare vroolijkheid bekoorde,. De soldaten vormden een kring rondom hen; doch aan het gezicht van het bloed gewoon, waren zulke tooneelen van jammer voor hen niet vreemd, en hunne blikken verrieden geene bijzondere aandoeningen; het voorwerp hunner woede was hun door zijne machteloosheid onverschillig geworden. Alleen hun aanvoerder, die, ofschoon een Spanjaard zijnde, den koenen, openhartigen jongeling, met wien hij dikwerf gesproken had, niet ongenegen was, zag onvergenoegd om zich heen. D’Avilar daarentegen was verblijd Van Doorn in zijne macht te hebben; de helsch vreugde, van zich nu over de beleedigingen, welke deze hem aangedaan had, te kunnen wreken, deed hem een oogenblik vergeten, dat de Boodschapper nog bestond.

De fakkels verlichtten dit tooneel, en lieten het overige van het voorhof in het duister; alleen de gevel van het slot werd flauw verlicht, en als de wind de fakkels sneller deed branden, wierpen de gestalten der krijgsknechten lange donkere schaduwen daar tegen. Nog twee personen, ofschoon men hunne tegenwoordigheid niet gewaar werd, stelden groot belang in hetgeen er voorviel, en waren er onopgemerkt de aanschouwers van. Brigitta zag door een der glasramen van het slot, zich reeds verheugende over de belooning, die Perea zeker voor hare ontdekking zou ter hand stellen, terwijl Meijer naar zijne vrienden omzag, en voornam alles tot hunne redding te beproeven.

De soldaten kwam nu berichten, dat de gevangenis gereed was om den gast te ontvangen, waarop D’Avilar hun beval Van Doorn er voorzichtig in te brengen, en zijne wonden zoo goed mogelijk te verbinden. Anna wilde echter Van Doorn niet in hunne hadne overlaten, maar hield hem in hare armen gekneld, en de Spanjaarden, met de smart van het meisje begaan, staakten hunne vruchtelooze poging.

Maar D’Avilar, die minder medelijden bezat dan die ruwe krijgslieden, rukte haar met geweld van hem af, aan de zijnen een wenk gevende, om den gekwetste nu spoedig weg te voeren, hetgeen deze zich haastten te verrichten. Terwijl Anna met onafgewende blikken haar beminde naoogde, viel het licht van een fakkel op een gouden keten met een afbeeldsel er aan, welke op haar hals hing, en door het openrukken van haar regenkleed zichtbaar was geworden.

D’Avilar zag met strakke oogen op dit kleinnood, en ofschoon zijn geweten hem reeds van de zaak onderrichtte, vroeg hij haar, als hoopte hij nog dat hij zich bedroog, op een doffen toon: „Van wien hebt gij dit? wien stelt dit voor?” Dit zeggende, greep hij de keten aan, maar liet haar dadelijk weder vallen, alsof hij zijne hand gebrand had, en schudde Anna hevig heen en weder.

Deze, die door zijne daad en vraag een weinig tot zichzelve was gekomen, zag hem, door aandoening overmand, wezenloos aan, en zeide: „Moordenaar mijns vaders! het is mijne moeder.” Hierop sleurde D’Avilar, als ware hij door een venijnige slang gebeten, haar met zich voort over de brug, en sloot haar in hare kamer op.

Daarna keerde hij naar het voorhof terug, gaf order den dooden Spanjaard in den stal op stroo te leggen, en zocht angstig, van zijne schuld bewust, op het gelaat zijner soldaten te lezen, opf zij Anna’s antwoord ook gehoord hadden. Doch zijne vrees was ijdel: van die zijde had hij niets te vreezen, en vergeefs zocht hij te ontdekken, of te raden, wie in het slot met Van Doorn gemeenschap hield.

Den anderen morgen vroegtijdig zond hij naar Gorichem, en deed den stadsheelmeester halen, om Van Doorn’s wonden te verbinden; hij schreef een brief aan Perea, om hem van zijne angst bericht te geven, en zond dien met een zijner soldaten naar ’s-Hertogenbosch. Doch hij, wien hij dezen last had opgedragen, kon een brief niet overhandigen, maar liet hem voor Perea in vertrouwde handen achter, dewijl deze reeds dienzelfden nacht op uitdrukkelijk bevel des Hertogs naar Brussel was vertrokken.

908SR15.gif (1832 bytes)

12e hoofdstukInhoudopgave Oltmans14e hoofdstuk

Ingezonden door: J.R. van Wijk op: 19 Jul 2001

908SR15.gif (1832 bytes)